Fiscaal onderzoek · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

53 16 januari 1974

Zoeken

Fiscaal onderzoek

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/53-fiscaal-onderzoek-guillaume-8bfd

Nummer
53
Datum
16 januari 1974

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

13 paragrafen

Vr. en Antw., Senaat

Fiscaal onderzoek

VRAAG

Artikel 228 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen kent aan het bestuur der belastingen het recht toe onderzoekingen te verrichten en binnen een bepaalde termijn de voorlegging van inlichtingen op te leggen.

Van dit recht kan alleen een ambtenaar met een hogere rang dan die van controleur gebruik maken.

Het wordt echter een gewoonte dat controleurs de groot- en kleinhandelaars tal van gedetailleerde inlichtingen vragen over hun klanten (omzet, aangerekende kortingen, eindejaarsristorno, enz.). Soms worden die gegevens gevraagd in de vorm van maandelijkse tabellen, niet alleen bij het nazien van de belastingaangifte van de betrokken groot- en kleinhandelaars, maar ook buiten die gewone opdracht.

Acht u dat niet overdreven? Welke onderrichtingen zult u verstrekken om aan die praktijken een einde te maken?

ANTWOORD

Uit de artikelen 228 en 229 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen volgt dat het recht om inlichtingen in te zamelen, zelfs die met betrekking tot bijvoorbeeld al de klanten of leveranciers, niet alleen behoort aan de ambtenaren met een hogere graad dan die van controleur; de beperking waarvan sprake is in lid 2 van artikel 228, betreft slechts het recht om derden te horen en om een onderzoek in te stellen.

De vaste onderrichtingen ten behoeve van de taxatiediensten schrijven voor, alleen vragen om inlichtingen aan derden te sturen in de gevallen waarin het nodig en nuttig is en indien de belastingplichtigen waarop die inlichtingen betrekking hebben ze niet zelf op een bevredigende wijze hebben verstrekt, terwijl er ernstige vermoedens van fraude bestaan.

Bovendien beschikt de Administratie der directe belastingen, sinds de invoering van de BTW en van de jaarlijkse opgave van de afnemers, BTW-belastingplichtigen (artikel 50, § 1, 5°, van het Wetboek van de BTW), vanzelf over het merendeel van die inlichtingen, zodat het aantal inlichtingen dat op grond van de artikelen 228 en 229 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen nog rechtstreeks aan de belastingplichtigen wordt gevraagd in belangrijke mate is verminderd.

Het is dus niet nodig ter zake op het algemeen vlak nieuwe richtlijnen te geven.

Indien het geachte Lid mij evenwel een of ander individueel geval zou aanwijzen waarin hem de aan de belastingplichtige opgelegde verplichtingen buitensporig lijken, ben ik bereid te doen onderzoeken in welke mate men ze kan verlichten zonder de controle te schaden.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 501 voorkomen