Levering van goederen en diensten
Belastingvrijstelling
BTW-belastingplichtige
Overheidslichaam
VRAAG
Artikel 2 van het btw-Wetboek bepaalt dat de leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting onderworpen zijn. De belastingplicht voor openbare instellingen is echter onderworpen aan bepaalde specifieke Europese regels (artikel 13 van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde), die voorzien in een behandeling als niet-belastingplichtige: - voor de werkzaamheden of handelingen verricht door een openbare instelling; - voor de werkzaamheden of handelingen verricht als overheid; - behalve wanneer een behandeling als niet-belastingplichtige tot concurrentieverstoring van enige betekenis zou leiden; - behalve voor de in bijlage 1 van de richtlijn 2006/112 genoemde werkzaamheden of handelingen, voor zover deze niet van onbeduidende omvang zijn. Deze bepaling is omgezet in artikel 6 van het Belgische btw-Wetboek. Dat artikel werd evenwel herzien bij artikel 39 van de programmawet van 27 december 2006, dat juridisch gezien op 1 juli 2007 in werking is getreden. Sindsdien voorziet dat artikel 6 van het btw-Wetboek in een behandeling als niet-belastingplichtige: - voor de werkzaamheden of handelingen verricht door een openbare instelling; - voor de werkzaamheden of handelingen verricht als overheid; - voor handelingen andere dan die welke zijn vrijgesteld krachtens artikel 44 van het btw-Wetboek; - behalve wanneer een behandeling als niet-belastingplichtige tot concurrentieverstoring van enige betekenis zou leiden; - behalve voor de in het derde lid van die bepaling genoemde handelingen, voor zover deze niet van onbeduidende omvang zijn. Gelet op de moeilijkheden die gepaard gaan met de toepassing van die hervorming en gelet op de hangende rechtsvragen bij het Grondwettelijk Hof sinds in juni 2007 twee beroepen werden ingesteld door het Waals en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (specifiek wat betreft de belastingplicht voor handelingen als bedoeld in artikel 44 van het btw-Wetboek), werd er onder punt nr. 45 van de recente administratieve omzendbrief nr. 24/2007 evenwel beslist dat "tot 1 januari 2008 een zekere tolerantiepolitiek zal worden gevoerd. Dit houdt in dat de Administratie geen kritiek zal uitoefenen indien de overheden die overeenkomstig voormelde regels in principe reeds belastingplichtige zijn vanaf 1 juli 2007, maar die om organisatorische redenen moeilijkheden ondervinden om aan hun verplichtingen als belastingplichtige te voldoen, zich pas na deze inwerkingtreding maar uiterlijk op 31 december 2007 als belastingplichtige laten registreren. De belastingplicht gaat in dat geval in op datum van de registratie zodat de overheid vanaf dan al haar verplichtingen moet nakomen en uiteraard ook slechts vanaf die datum recht op aftrek heeft. Op het einde van de tolerantieperiode, zal in het Overlegcomité een evaluatie gemaakt worden teneinde te beslissen over een eventuele verlenging". Tot 31 december 2007 werd er dus inzake de toepassing van die nieuwe regeling een algehele tolerantie toegepast. Volgens sommige berichten in de media zou tijdens de bijeenkomst van het Overlegcomité op 16 januari 2008 beslist zijn om die overgangsperiode te verlengen, waardoor het voor de openbare instellingen die conform de nieuwe regelgeving in principe sinds 1 juli 2007 als belastingplichtige worden aangemerkt, mogelijk wordt zich nog uiterlijk tot 31 december 2008 te laten registreren als belastingplichtige. Volgens andere berichten zou die beslissing van het Overlegcomité dan weer slechts een verbintenis inhouden om tot 31 december 2008 geen boetes op te leggen aan de openbare instellingen die zich op 1 januari 2008 nog niet hadden laten registreren als belastingplichtige, hoewel ze sinds 1 juli 2007 het statuut hebben van belastingplichtige. 1. Kunt u bevestigen of er tijdens de vergadering van het Overlegcomité op 16 januari 2008 effectief beslist werd een zekere tolerantie toe te passen? 2. Zo ja, hoe ver reikt die tolerantie, en heeft ze met name evengoed betrekking op: a) de belastingplicht inzake de handelingen welke zijn vrijgesteld krachtens artikel 44 van het btw-Wetboek; b) de belastingplicht inzake de handelingen of werkzaamheden waarvoor een behandeling als niet-belastingplichtige tot concurrentieverstoring van enige betekenis zou leiden; c) de belastingplicht inzake de in artikel 6, derde lid van het btw-Wetboek genoemde handelingen? 3. Zo niet, of ingeval het niet langer zou gaan om een algehele tolerantie, zou het dan niet wenselijk zijn om, in afwachting van het arrest van het Grondwettelijk Hof, de periode van algehele tolerantie tot 31 december 2008 te verlengen, op zijn minst voor de belastingplicht inzake handelingen als bedoeld in artikel 44 van het btw-Wetboek?
ANTWOORD
De beslissing van het Overlegcomité van 16 januari 2008, waarnaar het geachte Lid verwijst, voorziet inderdaad in een verlening van de tolerantieperiode voor de inwerkingtreding van het geheel van regels betreffende de overheidslichamen, zoals beschreven in de circulaire AOIF nr. 24 van 29 augustus 2007. De tolerantiebepalingen voorzien in punt 45 van voornoemde circulaire worden aldus op identieke wijze verlengd tot 31 december 2008. Deze beslissing heeft het voorwerp uitgemaakt van een publicatie op de website van de fiscale databank www.fisconet.-fgov.be, onder de rubriek "informaties en mededelingen", op datum van 11 maart 2008.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.