Controle. Bewijs door vermoedens · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

51 11 mei 1973

Zoeken

Controle. Bewijs door vermoedens

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/51-controle-bewijs-vermoedens-lagae-appelrechter-0238

Nummer
51
Datum
11 mei 1973

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

22 paragrafen

Vr. en Antw., Senaat

Controle - Bewijs door vermoedens

VRAAG

Kan U mededelen op welke wettelijke grondslag de werkwijze is gesteund van de controle-ambtenaren van de BTW waar:

1. het inkoopcijfer wordt bepaald door vergelijking met andere belastingplichtigen;

2. de brutowinst per stuk wordt bepaald, op een cijfer dat niet wordt verantwoord doch in meerdere dossiers wordt opgelegd;

3. de voorraad aan goederen wordt geacht gelijk te zijn bij het einde en bij het begin van de periode (hoe lang is deze periode?);

4. de nog te factureren goederen in waarde geacht worden gelijk te zijn op het einde en bij het begin van de periode?

Leidt deze wijze van taxatie (gevolg van toepassing van boete) niet tot verkeerde heffingen?

ANTWOORD

De vraag die door het geachte lid werd gesteld, bestaat uit twee delen: het eerste heeft betrekking op de wettelijke en jurisprudentiële grondslagen van de vier vermelde toestanden en in het tweede deel wordt de vrees uitgedrukt, dat deze toestanden zouden leiden tot verkeerde heffingen.

I . Wettelijke en jurisprudentiële grondslagen

Vermits wordt erkend dat de fiscus het recht heeft de juiste inning van de belastingen te controleren, wordt hem door het feit zelf het recht verleend, te bewijzen dat er een onjuiste inning werd gedaan.

De door het geachte lid gestelde vragen behoren tot het belangrijk gebied van de bewijsmiddelen waarover de administratie beschikt.

Punten 1 en 2: De wettelijke grondslag ligt in artikel 59, § 1, van het BTW-Wetboek, waarin wordt vermeld dat vermoedens als bewijsmiddel mogen aangewend worden (vgl. arrest van het Hof van Cassatie d.d. 18 februari 1958, Pasicrisie 1958, 1, 666).

Punten 3 en 4: Op grond van een vaste rechtspraak kan worden gesteld dat, bij ontstentenis van een bewijskrachtige inventaris, in de regel wordt aangenomen dat de bestaande voorraad op het einde van het gecontroleerde tijdvak wordt geacht gelijk te zijn aan de voorraad bij het begin van dit tijdvak, en dat bijgevolg de nog te factureren goederen in waarde geacht worden gelijk te zijn op het einde en bij het begin van de controleperiode.

In de praktijk worden deze vermoedens over het algemeen toegepast over een kalenderjaar, zoals eveneens voor de toepassing van de inkomsten-belastingen geschiedt.

II . Verkeerde heffingen

Het mechanisme van de bewijslevering kan aanleiding geven tot vergissingen, die voor de belastingplichtige gunstig of ongunstig kunnen uitvallen.

Het risico van vergissingen bestaat in alle rechtskundige disciplines en niet alleen voor de fiscaliteit (b.v. voor de geschillen in burgerlijke of in strafzaken).

Van essentieel belang is dat aan de belastingplichtigen alle wettelijke waarborgen worden verleend, waardoor zulke vergissingen kunnen worden voorkomen.

Daarom tracht ik, in gemeen overleg met de organisaties die gegroepeerd zijn in het Gemeenschappelijk Front van de Middenstand en de Zelfstandigen, oplossingen te vinden waardoor de bewijskrachtige waarde van de documenten, waarover de belastingplichtigen beschikken, nog meer wordt gepreciseerd.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 591 voorkomen