Vakantieverblijven. Verhuring · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

456 2 maart 1993

Zoeken

Vakantieverblijven. VerhuringBTW. Vakantieverblijven. Verhuring.

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/456-vakantieverblijven-verhuring-clippele-vakantieverblijf-verhuur-681d

Nummer
456
Datum
2 maart 1993

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

9 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 1992-1993, nr. 61, blz. 5585-5586

BTW. - Vakantieverblijven. - Verhuring.

VRAAG

In het antwoord op een parlementaire vraag (vraag nr. 137 van 31 januari 1984 van de heer Bourgeois, bulletin van Vragen en Antwoorden, Kamer, 1983-1984, nr. 17, blz. 1557) wordt gepreciseerd dat de verhuring van vakantieverblijven - die door hun aard onroerende goederen zijn - zoals chalets, bungalows, huisjes, paviljoenen of andere soortgelijke verblijven, door een exploitant van een vakantieverblijfpark buiten de werkingssfeer van de BTW valt en er bijgevolg geen BTW over de huurprijs is verschuldigd.

Is het juist dat die handelingen sinds de invoering van het nieuwe BTW-wetboek op 1 januari 1993 van BTW zijn vrijgesteld en dat bijgevolg op die prestaties geen BTW is verschuldigd?

ANTWOORD

Behoudens uiteraard in de gevallen bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 10° (nieuw), van het BTW-wetboek, dient de terbeschikkingstelling door een fysiek persoon of een rechtspersoon van hem toebehorende chalets, bungalows, enzovoort, die onroerend uit hun aard zijn en die opgericht zijn op een terrein, al dan niet ingericht als kampeerterrein, waarvan die persoon eveneens eigenaar is, voor het geheel te worden aangemerkt als een onroerende verhuur die bedoeld is in artikel 18, § 1, tweede lid, 4° (nieuw), van het BTW-wetboek, maar die overeenkomstig artikel 44, § 3, 2° (nieuw), van dat Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde is vrijgesteld.

Wanneer anderzijds die chalets, bungalows, enzovoort, die onroerend uit hun aard zijn, worden opgericht door een andere persoon dan de eigenaar van de grond, kan eerstgenoemde slechts de eigendom van die constructies bezitten indien de eigenaar van de grond in zijn voordeel een zakelijk recht heeft verleend zoals het recht van erfpacht of het recht van opstal. Hetzelfde geldt overigens als de eigenaar van het terrein uitdrukkelijk of stilzwijgend aan de voornoemde persoon de toelating heeft gegeven om op dit terrein te bouwen en daartoe afstand heeft gedaan van zijn recht van natrekking, hetgeen overigens als de vestiging van een recht van opstal wordt beschouwd.

Behoudens in het geval waarbij het zou gaan om de vestiging of de overdracht van het recht van erfpacht door een onderneming die gespecialiseerd is in onroerende financieringshuur in het kader van een overeenkomst bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, b) (nieuw), van het BTW-wetboek, wordt de voornoemde vestiging van een zakelijk recht, ander dan het eigendomsrecht, dat aan de houder ervan een recht van gebruik op het betreffende terrein verleent, aangemerkt als de levering van een goed bedoeld in artikel 9, tweede lid, 2° (nieuw), maar die vrijgesteld is door artikel 44, § 3, 1°, b) (nieuw) van voornoemd wetboek. Laatstgenoemde handeling blijft derhalve buiten de toepassing van artikel 18 van dat wetboek, hoewel de standplaats waarop het recht betrekking heeft deel zou uitmaken van een terrein ingericht als kampeerterrein.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 181 voorkomen