VRAAG
Horeca-exploitanten klagen over de toenemende plaatsing van drankautomaten. Zij ervaren dat als concurrentievervalsing. De plaatsing van een drankautomaat heeft een fikse besparing op de personeelskosten, geen sociale inspectie, geen openingstaksen en geen dure huur voor handelsruimten tot gevolg. Daarenboven zou er een gebrekkige fiscale controle bestaan op de omzet van drankautomaten.
1. Hoeveel bedraagt de geschatte omzet van de drankautomaten in België ?
2.
a) Onder welk fiscaal regime vallen de drankautomaten (BTW, openingstaksen, plaatsingstaksen, enz.) ?
b) Dient iedereen die een drankautomaat plaatst een handelsregisternummer en een BTW-nummer aan te vragen ?
c) Bestaat er een onderscheid tussen de personen die een drankautomaat gekocht hebben en de personen aan wie een drankautomaat werd uitbesteed door een frisdrankenfirma ?
3.
a) Dient er bij drankautomaten ook een kasticket afgeleverd te worden ?
b) Zo niet, welke controlemechanismen worden ingebouwd om de omzet te controleren ?
4. Mogen de gemeenten een gemeentelijke taks heffen op de plaatsing van drankautomaten ?
ANTWOORD
In antwoord op zijn vraag, heb ik de eer het geacht lid het volgende mede te delen.
1. Er bestaan geen afzonderlijke statistieken met betrekking tot de omzet van drankautomaten.
2.
a) Inzake accijnzen :
Op dranken die via automaten zoals hier bedoeld worden verkocht is de accijns verschuldigd op het moment van de inverbruikstelling van de accijnsgoederen, dit is bij uitslag uit de inrichting van de fabrikant of de groothandelaar of bij invoer.
Inzake openingsbelasting :
Op een automaat van gegiste dranken (bijvoorbeeld bier, wijn) wordt de openingsbelasting voor een reizende slijterij geheven. Deze wordt eenvormig vastgesteld op 5.000 frank. Door rechtspersonen is na vijftien jaar nog een vijfjaarlijkse belasting verschuldigd van 800 frank.
Inzake directe belastingen :
Alle inkomsten, verkregen uit een handelsactiviteit, zoals in dit geval de exploitatie van drankautomaten, zijn onderworpen aan de inkomstenbelasting.
Inzake BTW :
Het verschaffen van spijs en drank, zelfs door middel van een automaat, in omstandigheden voor het verbruik ter plaatse, is een dienst als bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 11°, van het BTW-Wetboek. Er is sprake van een verbruik ter plaatse wanneer de spijzen en dranken aan de verbruiker worden geserveerd in een restaurant of een café of, meer algemeen, in een tot dat doel ingericht vertrek of ruimte, of zelfs wanneer de voorwerpen nodig voor het verbruik ter plaatse gewoon aan de verbruiker worden geleverd (bijvoorbeeld bekertjes, glazen, kopjes, en dergelijke).
De dranken verschaft door automaten worden beschouwd te zijn verschaft in omstandigheden voor het verbruik ter plaatse, wanneer de automaten samen met de dranken de voorwerpen leveren die nodig zijn voor een verbruik ter plaatse, of wanneer zij geplaatst zijn in lokalen zoals messes, kantines of andere plaatsen waar de voorwerpen nodig voor een verbruik ter plaatse door de exploitant van de inrichting of de lokaliteit of door één van zijn aangestelden, ter beschikking van de verbruiker worden gesteld.
Deze dienst is aan de BTW onderworpen tegen het normale BTW-tarief, dat thans 20,5 % bedraagt en vanaf 1 januari 1996 21 % zal bedragen.
Er is daarentegen eenvoudige levering van dranken, wanneer de automaat niet geplaatst is in een vertrek of andere ruimte die voor een verbruik ter plaatse is ingericht, en enkel dranken in flessen of busjes verschaft; dat is zelfs het geval wanneer het toestel van een capsuleaftrekker is voorzien en strootjes bijlevert.
De levering van dranken is eveneens onderworpen aan het normale tarief behoudens indien het gaat om melk, chocolademelk en andere melkdranken voor zover deze ten minste 85 % gestandaardiseerde of afgeroomde melk bevatten, waarvoor het BTW-tarief van 6 % van toepassing is.
b) Overeenkomstig artikel 4, § 1, van het BTW-Wetboek is belastingplichtige éénieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in het BTW-Wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend.
Derhalve heeft éénieder die een drankautomaat exploiteert de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige en dient in beginsel als zodanig te worden geïdentificeerd.
In dit verband mag echter niet uit het oog worden verloren dat de diensten en leveringen van goederen die daarmee nauw samenhangen, die in de uitoefening van sommige in artikel 44 van het BTW-Wetboek bedoelde werkzaamheden worden verricht, op grond van die bepaling vrijgesteld zijn van de belasting. Zo vormt de exploitatie van een drankautomaat door een ziekenhuis om in die inrichting dranken te verschaffen aan personeel, patiënten en hun bezoekers, een onderdeel van de vrijgestelde activiteit en leidt deze exploitatie vanzelfsprekend niet tot de verplichting om zich als BTW-belastingplichtige te laten registreren [Cf. antwoord op de parlementaire vraag nr. 1368, d.d. 17 januari 1995 van de heer volksvertegenwoordiger Ramoudt (Vragen en Antwoorden, Kamer, GZ 1994- 1995, nr. 142, 27 februari 1995, blz. 15171-15172)].
Bovendien is de minister voor de Middenstand bevoegd om uit te maken of voor de door het geacht lid bedoelde activiteit een inschrijving in het handelsregister vereist is.
c) Er dient in principe geen onderscheid te worden gemaakt tussen de personen die een drankautomaat hebben gekocht en de personen aan wie een drankautomaat werd uitbesteed, voor zover laatstgenoemden de automaat zelf exploiteren.
3.
a) Artikel 22, § 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde legt aan iedere belastingplichtige de verplichting op om aan zijn klant een rekening of een ontvangstbewijs uit te reiken voor het verschaffen van maaltijden en van dranken die bij die maaltijden worden verbruikt, verricht door de exploitant van een inrichting waar regelmatig maaltijden worden verbruikt. De handelingen waarvoor een rekening of een ontvangstbewijs moet worden uitgereikt, worden, voor de toepassing van de BTW-wetgeving, aangemerkt als een dienstverrichting in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 11°, van het BTW-Wetboek.
Bijgevolg dient, wanneer de bedoelde handeling bestaat in het verschaffen van dranken alleen zonder dat zij met een maaltijd gepaard gaan, die handeling geen aanleiding te geven tot de uitreiking van een rekening of van een ontvangstbewijs, ongeacht of zij voor de toepassing van de BTW als een levering van goederen dan wel als een dienstverrichting wordt aangemerkt (zie vraag 2 a) hiervoor.
Daarentegen dient, wanneer de door een drankautomaat verstrekte dranken verbruikt worden bij een maaltijd waarvoor overeenkomstig de voormelde reglementering een rekening of een ontvangstbewijs uitgereikt moet worden, hun prijs begrepen te worden in de alsdan uitgereikte rekening of het uitgereikte ontvangstbewijs voor zover uiteraard de exploitant van de inrichting waar de maaltijden worden verbruikt eveneens de exploitant is van de drankautomaat.
b) Om de omzet uit de exploitatie van drankautomaten te controleren, beschikt de administratie over alle in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) inzake directe belastingen, of in het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde inzake BTW, bepaalde rechten van onderzoek en de haar ter beschikking gestelde bewijsmiddelen.
4. Deze vraag behoort tot de bevoegdheid van de minister van Binnenlandse Zaken, tot wie ik het geacht lid dan ook uitnodig zijn vraag te richten.