VRAAG
Op 30 april 1976 werd volgende beslissing genomen, gepubliceerd in Fisconetplus onder nr. ET 21.877. "Wanneer goederen of diensten die het voorwerp zijn van een gezamenlijk aanbod tegen een enige prijs, aan verschillende regelingen onderworpen zijn inzake tarief, vrijstellingen, enzovoort, moet, in principe, die enige prijs voor de heffing van de btw worden uitgesplitst.
Uitsplitsing is echter niet vereist wanneer de leverancier of dienstverrichter, zonder prijsverhoging, kleine diensten en onbeduidende voorwerpen aanbiedt die door het handelsgebruik zijn aanvaard".
1. Is deze beslissing op heden nog steeds geldig?
2. Kan u bevestigen dat de uitzonderingsregel een ruim toepassingsgebied kent en niet beperkt dient te worden tot enkel de gevallen, aangehaald in hogervermeld besluit?
3. "Onbeduidende voorwerpen die door het handelsgebruik zijn aanvaard" is een vage term en daarom voor interpretatie en discussie vatbaar. Kan u aanvaarden dat - voor een eenvoudige en éénduidige toepassing ervan - deze term aldus uitgelegd wordt dat het elk gebruikelijk handelsgeschenk van geringe waarde kan betreffen zoals bedoeld in artikel 12, §1, 2° Btw-wetboek?
ANTWOORD
Wanneer de goederen of diensten die het voorwerp uitmaken van een gezamenlijk aanbod tegen een enige prijs, aan verschillende tarieven of aan verschillende regelingen (bijvoorbeeld vrijstellingen) onderworpen zijn, moet die enige prijs voor de heffing van de btw worden uitgesplitst (zie aanschrijving nr. 85, van 31 juli 1972, gepubliceerd op Fisconet Plus).
In de nummers 6 tot 14 van genoemde aanschrijving worden verschillende gevallen besproken waarin de uitsplitsing daarentegen verboden (nr. 6) of facultatief (nrs. 7 tot 14) is.
Zo is de uitsplitsing niet vereist wanneer de leverancier of de dienstverrichter, zonder prijsverhoging, kleine diensten of onbeduidende voorwerpen aanbiedt die door het handelsgebruik zijn aanvaard.
Hiermee worden hoofdzakelijk voorwerpen bedoeld die een zeer geringe waarde hebben, zoals sleutelhangers, speldjes en dergelijke.
Gebruiksvoorwerpen zijn in de regel geen "onbeduidende voorwerpen" in de zin van nr. 9 van de aanschrijving.
De term "kleine diensten of onbeduidende voorwerpen die door het handelsgebruik zijn aanvaard" verwijst in geen geval naar het begrip "handelsgeschenken van geringe waarde" in de zin van artikel 12, § 1, 1°lid, 2° van het Btw-wetboek en kan daar niet mee gelijkgesteld worden.
De beslissing nr. ET 21.877 van 30 april 1976 waar het geachte Lid naar verwijst, is in principe nog steeds geldig.
Voor het geval waarin de organisator van een reis aan een deelnemer, zonder prijsverhoging, een reistas van geringe handelswaarde overhandigt, is de uitsplitsing evenwel slechts facultatief wanneer aan de voorwaarden van nr. 11 van bovenvermelde aanschrijving is voldaan.