Parlementaire vraag nr. 367 van de heer Benoît Piedboeuf d.d. 13.05.2020
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2019-2020, QRVA 55/021 d.d. 18.06.2020, blz. 158
Vraag nr. 367 van de heer volksvertegenwoordiger Benoît Piedboeuf van 13 mei 2020 (Fr.) aan de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, en minister van Ontwikkelingszaken:
Btw. - Publiekrechtelijk lichaam.
VRAAG
Kan een publiekrechtelijk lichaam dat op grond van artikel 6, 3e lid, of, in voorkomend geval, van artikel 6, 2e lid, van het Btw-Wetboek aan btw onderworpen handelingen verricht, deel uitmaken van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, 2e lid, van het Btw-Wetboek met een autonoom gemeentebedrijf dat aan btw onderworpen zou zijn?
Heeft een dergelijke deelname aan een btw-eenheid waarvan de activiteit geheel of gedeeltelijk belastbaar is, gevolgen voor het recht op aftrek van de niet aan btw onderworpen activiteiten van een dergelijk publiekrechtelijk lichaam?
ANTWOORD
van de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, en minister van Ontwikkelingszaken van 15.06.2020:
Uit de samenlezing van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek en artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit nr. 55 van 9 maart 2007, met betrekking tot de regeling voor belastingplichtigen die een btw-eenheid vormen, blijkt dat enkel btw-belastingplichtigen lid kunnen worden van een btw-eenheid.
Een openbare instelling in de zin van artikel 6 van het Btw-Wetboek wordt aangemerkt als een niet belastingplichtige rechtspersoon voor de werkzaamheden of handelingen die ze verricht als overheid. De hoedanigheid van belastingplichtige wordt haar evenwel toegekend voor deze werkzaamheden of handelingen voor zover een behandeling als niet-belastingplichtige tot concurrentieverstoring van enige betekenis zou leiden of voor die werkzaamheden of handelingen opgenomen in artikel 6, derde lid, van het Btw-Wetboek, voor zover deze niet van onbeduidende omvang zijn.
Uit wat voorafgaat volgt dat een openbare instelling enkel tot een btw-eenheid kan toetreden indien ze minstens één werkzaamheid of handeling uitoefent die haar de hoedanigheid van btw-belastingplichtige verleent op grond van artikel 6, tweede of derde lid, van het Btw-Wetboek en ze bijgevolg als gedeeltelijk belastingplichtige wordt aangemerkt.
De openbare instelling kan desgevallend evenwel uitsluitend tot de btw-eenheid toetreden wat die aan de btw onderworpen werkzaamheden of handelingen betreft. Wanneer ze meerdere werkzaamheden uitoefent die haar de hoedanigheid van btw-belastingplichtige verlenen, moet ze evenwel voor al die werkzaamheden tot de btw-eenheid toetreden.
Wanneer bijgevolg de administratie het vormen van een btw-eenheid goedkeurt tussen een openbare instelling (die zowel handelingen verricht in haar hoedanigheid van niet-belastingplichtige rechtspersoon als handelingen waarvoor ze wordt aangemerkt als een belastingplichtige) en een andere belastingplichtige, kan de openbare instelling voor de toepassing van de btw in twee hoedanigheden optreden: enerzijds als belastingplichtig-lid van de btw-eenheid en anderzijds als niet-belastingplichtige openbare instelling.
De belastingplichtige die lid is van deze btw-eenheid en die goederen levert of diensten verstrekt aan de openbare instelling in de hiervoor bedoelde situatie, moet zich vooraf goed informeren over het gebruik dat de openbare instelling zal maken van die goederen of diensten.
Indien de openbare instelling het goed of de dienst gebruikt voor de handelingen waarvoor ze deel uitmaakt van de btw-eenheid, is de aan haar door het andere lid geleverde goed of verstrekte dienst een interne handeling van de btw-eenheid. Indien de openbare instelling het goed of de dienst zal gebruiken voor een activiteit die buiten de werkingssfeer van de btw valt, is er sprake van een externe handeling van de btw-eenheid. In dat geval zijn de gewone regels inzake de heffing van btw op die handeling van toepassing.
Het stelsel van de btw-eenheid mag op zich niet leiden tot een wijziging van de principes die de draagwijdte van het recht op btw-aftrek (vermindering of vermeerdering) van haar leden beheersen.
De openbare instelling heeft in de hiervoor geschetste situatie geen recht op aftrek van de btw geheven van de goederen en diensten die ze gebuikt voor haar werkzaamheden als overheid en waarvoor ze geen deel kan uitmaken van de btw-eenheid.