Schriftelijke vraag en antwoord nr : 362 - Zittingsperiode : 52
Auteur : Christian Brotcorne, CDH (01094)
Departement : Vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen
Titel : Btw. - Artikel 6 van het btw-Wetboek. - Aan entiteiten geleverde diensten.
Datum indiening : 13/03/2009
Vraag
1. Waren entiteiten zoals bedoeld in artikel 6 van het btw-Wetboek waaraan tussen 1 januari 2006 en vandaag vanuit het buitenland roerende goederen werden verhuurd of waaraan diensten werden geleverd, bijvoorbeeld software, die ze hebben aangewend voor een van de in artikel 44 van het btw-Wetboek bedoelde handelingen, btw verschuldigd op de verleende diensten?
2. Dient er al dan niet een onderscheid worden gemaakt op grond van de verschillende formuleringen van artikel 6 van het btw-Wetboek in de loop van de voorbije jaren?
Antwoord
Publicatie antwoord : B069 · Publicatiedatum : 13/07/2009
Overeenkomstig artikel 51, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek, is de belasting verschuldigd door de ontvanger van de diensten wanneer de dienstverrichter een niet in België gevestigde belastingplichtige is en de plaats van de dienst zich krachtens artikel 21, § 3, 7°, van hetzelfde Wetboek, in België bevindt, namelijk indien :
- de ontvanger een belastingplichtige is die in België gevestigd is en handelt voor de doeleinden van zijn economische activiteit;
- de dienst een handeling tot voorwerp heeft beoogd door deze laatste bepaling, in onderhavig geval de verhuur van lichamelijk roerende goederen, met uitzondering van ieder transportmiddel, en het verschaffen van specifieke software.
In de door het geachte Lid beoogde situatie stelt de vraag zich of een openbaar lichaam dat handelingen verricht beoogd in artikel 44 van het voornoemd Wetboek, al dan niet moet worden beschouwd als een belastingplichtige voor de toepassing van het artikel 21.
Tot 31 december 2008 (uiterlijke datum voor het behoud van de versie van artikel 6 zoals deze bestond vóór de vernietiging van artikel 39, a), van de programmawet van 27 december 2006 door het Grondwettelijk Hof middels haar arrest nr. 104/2008 van 17 juli 2008) behoorde het tot de vaste administratieve rechtsleer de openbare lichamen te beschouwen als belastingplichtigen wanneer ze handelingen verrichten vrijgesteld krachtens voornoemd artikel 44 (zie in dat verband, het antwoord op de parlementaire vraag van de heer Senator Alain Destexhe nr. 4-1053 van 5 juni 2008). De btw was dus verschuldigd door die lichamen.
Uit de richtlijn 2008/8/EG van de Raad van 12 februari 2008 tot wijziging van de richtlijn 2006/112/EG vloeit voort dat vanaf 1 januari 2010 voor de toepassing van de regels betreffende de plaats van de dienst, in ieder geval, als belastingplichtige zal worden aangemerkt een niet-belastingplichtige rechtspersoon die om welke reden ook (wegens een andere activiteit of intracommunautaire verwervingen) voor btw-doeleinden is geïdentificeerd.
Men dient nog enkel de situatie te onderzoeken voor de periode van 1 januari tot 31 december 2009.
In dit opzicht zijn talrijke twijfels ontstaan wat betreft openbare lichamen die uitsluitend handelingen verrichten beoogd in artikel 44 van voornoemd Wetboek, ten gevolge van informatievergaderingen georganiseerd door de administratie voor betrokken personen en na analyse van de informatie verkregen tijdens deze vergaderingen, aangaande de interpretatie en het in praktijk brengen van bovenvermelde wettelijke bepalingen. In afwachting van een nakende publicatie van de centrale diensten van de btw in dat verband kan ik me op dat punt niet uitspreken.
Voor de gevallen waar de openbare lichamen ook belastbare handelingen verstrekken dient rekening te worden gehouden met het belangrijk arrest van 6 november 2008 gewezen door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak C-291/07, "Kollektivavtalsstif-telsen TRR Trygghetsrådet tegen Skatteverket".
Uit dat arrest volgt dat artikel 9, lid 2, sub e, van de zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 (waarvan artikel 21, § 3, 7°, van het Btw-Wetboek de omzetting in Belgisch recht is) en artikel 56, lid 1, sub c, van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006, moeten worden uitgelegd in die zin dat de ontvanger van adviesdiensten (beoogd in artikel 21, § 3, 7°, van het Wetboek) verstrekt door een in een andere lidstaat gevestigde belasting-plichtige, die zowel economische activiteiten verricht als activiteiten die buiten de werkingssfeer van deze richtlijnen vallen, (hetgeen het geval is bij niet-belastbare activiteiten verricht als overheid) moet worden geacht de hoedanigheid van belastingplichtige te hebben, ook indien deze diensten alleen worden gebruikt ten behoeve van diens handelingen buiten de werkingssfeer.
Wat het overblijvende geval betreft waar een openbaar lichaam geen enkele belastbare handeling verricht en dus een niet-belastingplichtige is voor het geheel van zijn activiteiten dient als volgt te worden gehandeld. Buiten het geval van de openbare lichamen die enkel handelingen verrichten die zijn beoogd in voornoemd artikel 44, - zoals reeds aangehaald en in afwachting van een oplossing - aanvaardt de administratie uit praktische overwegingen, te anticiperen op de situatie die zich vanaf 1 januari 2010 zal voordoen en een dergelijk openbaar lichaam aldus te beschouwen als een belastingplichtige voor de plaatsbepaling van een dienst, indien dit om welke reden dan ook voor de btw is geïdentificeerd.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Vraag en antwoord gepubliceerd door de Kamer van volksvertegenwoordigers in het Bulletin van vragen en antwoorden · De vraag op de website van de Kamer