Recht op aftrek. Geleasede wagens. Terbeschikkingstelling aan werknemers. Btw-heffing op het voordeel · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

356 10 april 2013

Zoeken

Recht op aftrek. Geleasede wagens. Terbeschikkingstelling aan werknemers. Btw-heffing op het voordeelBtw. Recht op aftrek. Geleasede wagens. Terbeschikkingstelling aan werknemers. Btw-heffing op het voordeel

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/356-recht-aftrek-geleasede-wagens-terbeschikkingstelling-534a

Nummer
356
Datum
10 april 2013

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

19 paragrafen

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2012-2013, QRVA 53/128 d.d. 09.09.2013, blz. 82

Btw - Recht op aftrek - Geleasede wagens - Terbeschikkingstelling aan werknemers - Btw-heffing op het voordeel

VRAAG

Volgens de administratieve beslissing van 11 december 2012 (nr. E.T. 119.650/3) dienen dezelfde principes inzake het recht op aftrek te worden toegepast op leasewagens als op wagens in eigendom. In de rechtsleer wordt de wettelijke basis van deze beslissing in vraag gesteld (J. Van Moorsel, "Artikel 45, § 1quinquies W.Btw toegepast op geleasede bedrijfswagens", A.F.T. 2013, nr. 4, 1-14.).

1. Dient er volgens het Hof van Justitie (16 februari 2012, C-118/11, Eon Aset Menidjmunt), voor wat de btw aftrek betreft, een duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen diensten (zoals de huur van wagens) en de levering van goederen (zoals de aankoop van de wagens)?

2. a) Volstaat het volgens deze rechtspraak dat voor het bepalen van het recht op aftrek voor aangekochte diensten, dat zij zijn opgenomen in de prijs van in een later stadium aan de btw onderworpen handelingen of in de prijs van de door de belastingplichtige in het kader van zijn economische activiteit aan de btw onderworpen geleverde goederen of verrichte diensten?

b) Zo ja, volgt hieruit automatisch dat de btw-plichtige volledig recht op aftrek heeft, met uitzondering voor de beperkingen bepaald in artikel 45, § 2 Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (W.Btw)?

3. Hoe verantwoordt u de nieuwe administratieve visie van artikel 45, § 1 W.Btw waardoor de belastingplichtige voor leasewagens rekening moet houden met het werkelijke beroepsgebruik, op dezelfde manier als die voor de toepassing van artikel 45, § 1quinquies W.Btw?

4. a) Mocht de aan artikel 45, § 1quinquies W.Btw gelijke interpretatie van artikel 45, § 1 W.Btw correct zijn, om welke redenen diende artikel 45, § 1quinquies W.Btw te worden ingevoerd?

b) Heeft artikel 45, § 1 W.Btw immers geen algemene draagwijdte zodat het zowel van toepassing is op geleverde goederen als op verstrekte diensten?

5. Is het evenwel niet de Europese wetgever die in 2009 met het artikel 168bis van de Btw-richtlijn de juridische basis heeft gelegd voor een beperking van het recht op aftrek voor bedrijfsmiddelen, wat dan in België in 2011 is omgezet door artikel 45, § 1quinquies W.Btw?

6. Bent u het eens dat door de onvolledige omzetting van de Btw-richtlijn, artikel 19 W.Btw geen grondslag biedt voor een taxatie van de terbeschikkingstelling van een bedrijfswagen aan een personeelslid waarbij de wagen door de werkgever zelf geleased wordt (cf. administratieve beslissing 20 oktober 2011, nr. E.T. 119.650, punt 2.2.)?

7. Dit maakt dat er vandaag geen juridische grondslag is om het recht op btw-aftrek van facturen voor de lease van wagens te beperken (anders dan via artikel 45, §2 W.Btw) of via artikel 19 W.Btw te taxeren.

Bent u het hiermee eens en welke stappen overweegt u te nemen om het standpunt van de Btw-administratie bij te stellen?

ANTWOORD

(van de minister van Financiën, belast met Ambtenarenzaken)

Wat de diensten betreft, moet het recht op aftrek van btw bepaald worden overeenkomstig het bestemmingsprincipe vervat in artikel 45, § 1, van het Btw-Wetboek zoals uitgevoerd ingevolge artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling. Ten aanzien van de bedrijfsmiddelen die een belastingplichtige heeft aangekocht en die hij geheel of gedeeltelijk heeft opgenomen in zijn patrimonium moet het recht op aftrek van btw ingevolge artikel 45, § 1quinquies, van het Wetboek eveneens bepaald worden overeenkomstig dat bestemmingsprincipe.

Zoals reeds is gebleken uit de administratieve beslissing nr. E.T. 119.650 van 20 oktober 2011 is het onderscheid dat het Hof in de zaak Eon Asset Menidjmunt maakt tussen diensten en bedrijfsmiddelen, wat het uitoefenen van het recht op aftrek betreft, bijgevolg thans niet meer relevant.

Ik kan het geachte lid bevestigen dat ten aanzien van de gehuurde goederen de administratie in haar beslissing nr. E.T. 119.650 van 20 oktober 2011 het standpunt inneemt dat artikel 19, § 1, van het Wetboek niet van toepassing is.

Wanneer, tot besluit, een belastingplichtige met volledig recht op aftrek een personenwagen huurt om dit vervoermiddel zowel te gebruiken voor de doeleinden van de economische activiteit als om het om niet ter beschikking te stellen van een personeelslid voor zijn privédoeleinden is er, gelet op de rechtstreekse band tussen beide handelingen, ingevolge artikel 45, § 1, van het Wetboek slechts recht op aftrek van btw in de mate dat het voertuig wordt gebruikt voor de economische activiteit van de belastingplichtige waarbij de toepassing van artikel 45, § 2, van het Wetboek uiteraard niet uit het oog mag worden verloren. Het privégebruik mag dan niet meer worden belast bij toepassing van artikel 19, § 1, van het Wetboek.

Aangehaalde teksten

5