Vr. en Antw., Kamer, nr. 36, 1995-1996, blz. 4664-4666.
BTW-Revue nr. 122, blz. 565
Maatstaf van heffing - Diensten betreffende werk in onroerende staat - Op te richten gebouwen - Schattingsprocedure
VRAAG
Ingevolge de administratieve circulaire B 57 wordt voor de vaststelling van de verschuldigde BTW bij nieuwbouw een heel aparte procedure gevolgd. Enerzijds wordt de BTW bepaald op basis van de facturen van de aannemers, de aankoopfacturen en het eigen werk. Anderzijds wordt de BTW berekend op basis van het bouwplan, verminderd met de niet-uitgevoerde werken en met de werken die naar latere datum verschoven worden. Vervolgens wordt het verschil berekend tussen beide bedragen en wordt de bouwheer in voorkomend geval een toeslag aangerekend.
1. Is u niet van mening dat deze procedure strijdig is met de finaliteit van het BTW-stelsel, zoals voorzien in de zesde richtlijn, aangezien alleen een BTW-belastingplichtige BTW moet afdragen aan de overheid ?
2. Is u niet van oordeel dat de administratieve circulaire B 57, die uniform van toepassing is over het ganse land, in strijd is met het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel aangezien er enerzijds enorme loonverschillen bestaan in de bouwsector tussen bepaalde landsgedeelten en anderzijds de circulaire ook op zeer uiteenlopende wijze wordt toegepast ?
3. Hoeveel dossiers ter zake werden per directie behandeld en hoeveel bedroegen de verschuldigde supplementen per directie ?
ANTWOORD
Overeenkomstig artikel 11, A.1, a), van de zesde richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1977 is, voor de leveringen van goederen en voor de diensten, de normale heffingsgrondslag alles wat de leverancier of dienstverlener voor die handelingen verkrijgt of moet verkrijgen.
Krachtens artikel 27, § 5, van dezelfde richtlijn mochten de lidstaten die op 1 januari 1977 afwijkende bepalingen toepasten teneinde bepaalde vormen van belastingfraude of -ontwijking te voorkomen, die maatregelen handhaven op voorwaarde dat zij de commissie daarvan vóór 1 januari 1978 in kennis stelden. Wat de in België toegepaste bijzondere afwijkende bepalingen betreft - inzonderheid deze betreffende de minimummaatstaf van heffing voor pas opgerichte gebouwen - gebeurde die kennisgeving op 23 december 1977.
Alzo mag, bij toepassing van artikel 36, § 1, b), van het BTW-Wetboek, de maatstaf van heffing voor diensten betreffende werk in onroerende staat dat betrekking heeft op op te richten gebouwen niet lager zijn dan de normale waarde, dit is de prijs die kan worden verkregen onder vrije mededinging tussen een aannemer en een bouwheer die van elkaar onafhankelijk zijn. Die waarde wordt bepaald, geval per geval, rekening houdend met de in de bouwsector toepasselijke prijzen, het bouwplan, de aard van de constructie, de geplaatste of verwerkte materialen, enz.
In het kader van de controleopdracht waarmede de administratie is belast, zijn interne richtlijnen uitgewerkt voor het vaststellen van de normale bouwwaarde, waarvan de toepassing kan uitmonden in een voorstel tot minnelijke afwikkeling van het dossier.
Met betrekking tot woningen opgericht met courante bouwmaterialen werden geen noemenswaardige verschillen vastgesteld in de aannemingsprijzen toegepast in alle streken van het land, zodat voor de controle van de maatstaf van heffing van werk in onroerende staat dat betrekking heeft op de oprichting van dergelijke woningen dezelfde normale waarden in geheel het land kunnen worden toegepast. Die vaststelling kan onder meer worden verklaard door het feit dat de werkzaamheid van aannemers niet beperkt is tot één streek.
Bovendien geven de BTW-ambtenaren blijk van een zeer grote gematigdheid bij het vaststellen van de normale oprichtingsprijs.
Indien de bouwheer het evenwel niet eens is met de schatting van de administratie, heeft hij het recht zijn bezwaren te laten kennen. Overigens wordt niet zelden de oorspronkelijk vastgestelde vordering verminderd of prijsgegeven nadat de administratie in kennis werd gesteld van gegevens die niet blijken uit de ingediende stukken.
Indien een akkoord tussen de bouwheer en de administratie onmogelijk blijkt, hebben zowel de bouwheer als de administratie het recht om de schattingsprocedure, bedoeld in artikel 59, § 2, van het BTW-Wetboek en het koninklijk besluit nr. 15 van 3 juni 1970, in te stellen. In dat geval geldt de door de deskundige(n) bepaalde normale waarde als minimummaatstaf van heffing van de belasting die wordt vergeleken met het totaal van de aannemingsfacturen.
Ten slotte moet worden vermeld dat minder dan een derde van de gecontroleerde bouwdossiers aanleiding geven tot het instellen van een navordering door de administratie en dat het gemiddeld rendement van de controle weinig belangrijk is in verhouding tot de totale BTW-ontvangsten uit de sector van de woningbouw.
In die omstandigheden mag worden gesteld dat de reglementering betreffende de normale bouwwaarde noch op een algemene noch op een absolute wijze van de normale heffingsgrondslag afwijkt maar bepaalde gevallen van vermoede fiscale fraude corrigeert en, essentieel, die fraude voorkomt.
Het geacht lid vindt hieronder de gevraagde inlichtingen met betrekking tot het aantal en de opbrengst van de bedoelde dossiers per gewest. De cijfers per directie zullen hem afzonderlijk worden toegestuurd zodra ze beschikbaar zijn.
Controles normale bouwwaarde 1995
Gewest Aantal behandelde Totale verschuldigde BTW bouwdossiers (x 1.000 frank) -------------------------------------------------------------------------- Vlaams Gewest 18.033 318.079 Waals Gewest 3.722 30.632 Brussel-Hoofdstad (19 gemeenten) 93 3.629 -------------------------------------------------------------------------- Het Rijk 21.848 352.340
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.