Niet-indiening of laattijdige indiening. Periodieke BTW-aangifte. Geldboete. Procedure · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

250 23 januari 1996

Zoeken

Niet-indiening of laattijdige indiening. Periodieke BTW-aangifte. Geldboete. ProcedureNiet-indiening of laattijdige indiening. Periodieke BTW-aangifte. Geldboete. Procedure.

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/250-indiening-laattijdige-periodieke-btw-aangifte-0f01

Nummer
250
Datum
23 januari 1996

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

19 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 1995-1996, nr. 40, blz. 5348-5350

BTW-Revue nr. 122, blz. 508

Niet-indiening of laattijdige indiening - Periodieke BTW-aangifte - Geldboete - Procedure.

VRAAG

Het koninklijk besluit nr. 44 tot uitvoering van het BTW-Wetboek legt verschillende boeten op naargelang een aangifte niet of laattijdig wordt ingediend. Naar ik verneem, beschouwen sommige controleurs aangiften die nog snel voor een controle of aankondigingen van een controle worden ingediend, als niet-gedaan.

1. Vanaf wanneer wordt een aangifte als laattijdig aangemerkt?

2. Vanaf wanneer wordt een aangifte beschouwd als niet-ingediend?

3. Op welk rechtsbegrip baseert u uw antwoord?

ANTWOORD

De belastingplichtigen die overeenkomstig artikel 53, 3°, van het BTW-Wetboek gehouden zijn tot het indienen van een periodieke BTW- aangifte, moeten deze aangifte overeenkomstig artikel 18 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 (met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde), genomen ter uitvoering van voornoemd artikel 53, 3°, uiterlijk de twintigste dag volgend op het tijdvak waarop zij betrekking heeft, indienen.

Derhalve is het de wet zelf die op klare en duidelijke wijze bepaalt wanneer een periodieke aangifte moet worden ingediend en, a fortiori, vanaf wanneer de aangifte moet worden beschouwd als niet ingediend.

Indien deze verplichting tot indiening niet wordt nageleefd, wijzen de diensten belast met het automatisch beheer van de rekening-courant de betrokken belastingplichtige erop dat een of meerdere aangiften ontbreken. Overigens worden herhaaldelijk herinneringsberichten verzonden.

Wanneer de toestand van niet-indiening blijft voortduren, als gevolg van traagheid, nalatigheid of slechte wil van de belastingplichtige, wordt de rekening-courant van laatstgenoemde opnulgezet, in uitvoering van artikel 8, § 1, van het koninklijk besluit nr. 24 van 29 december 1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.

Tijdens de maand volgend op de datum van de opnulzetting, stuurt het bevoegde BTW-controlekantoor naar de betrokkene een laatste brief (brief nr. 676) waarin hij wordt verzocht de niet ingediende aangifte(n) vooralsnog in te dienen. Overeenkomstig de administratieve instructies wordt deze laatste herinneringsbrief aangetekend verzonden. In de brief wordt op duidelijke wijze de uiterste datum meegedeeld voor de indiening van de nog niet ingediende aangifte(n) en worden de gevolgen van niet- indiening uitdrukkelijk uiteengezet. Het betreft hier een ingebrekestelling in de zin van het Burgerlijk Wetboek.

Wanneer de hiervoor beoogde aangifte(n) nog steeds niet is (zijn) ingediend op de in het herinneringsbericht vastgestelde uiterste datum, wordt door het bevoegde controlekantoor een bijzondere rekening opgemaakt. In deze bijzondere rekening wordt de niet-indiening vastgesteld en wordt overeenkomstig artikel 70, § 4, van het BTW-Wetboek een boete opgelegd. Het bedrag van deze boete wordt vastgesteld op 20.000 frank per niet ingediende aangifte, in toepassing van het koninklijk besluit nr. 44 van 21 oktober 1993 (koninklijk besluit tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, Bijlagen - Eerste afdeling - Algemene verplichtingen, punt III, 1).

Wanneer voormelde aangifte(n) is (zijn) ingediend binnen de in het laatste herhalingsbericht opgelegde termijn of voor een opnulzetting van de rekening-courant, wordt overeenkomstig artikel 70, § 4, van het BTW- Wetboek een boete wegens laattijdige indiening opgelegd. Het bedrag van deze boete wordt vastgesteld op 1.000 frank per aangifte en per maand vertraging, met een maximum van 5.000 frank, of op 2.000 frank per aangifte en per maand vertraging, met een maximum van 10.000 frank, al naargelang er geen of wel belasting verschuldigd is voor het tijdvak waarop de aangifte betrekking heeft en dit in toepassing van hetzelfde koninklijke besluit nr. 44 (Bijlage - Eerste afdeling - Algemene verplichtingen, punt III, 2).

In het geval bedoeld in het voorgaande lid wordt ingevolge een administratieve toegeving de boete evenwel niet gevorderd wanneer de aangifte regelmatig is ingediend uiterlijk de tiende dag van de maand die volgt op die voorzien voor het indienen ervan, met dien verstande dat er niets wordt gewijzigd aan de termijn voor de betaling van de belasting.

De aandacht van het geacht lid wordt gevestigd op het feit dat, algemeen gesproken, de spoed waarmee een belastingplichtige laattijdig één of meerdere aangiften indient van zodra een controle wordt aangekondigd of op het ogenblik waarop een controle aanvangt, uiteraard op geen enkele wijze de begane overtreding kan afzwakken.

Nochtans kan een wegens de vaststelling van een overtreding door de bevoegde ambtenaar opgelegde boete door de gewestelijke directeur van de BTW, die hier handelt voor de minister van Financiën, worden kwijtgescholden of verminderd naar aanleiding van een verzoekschrift ingediend op grond van artikel 84 van het BTW-Wetboek.

Aangehaalde teksten

5
WBTW art. 702 voorkomens
KB nr. 1 art. 181 voorkomen
KB nr. 24 art. 81 voorkomen
WBTW art. 531 voorkomen
WBTW art. 841 voorkomen

Administratieve doctrine

1

« … boete VRAAG Graag kreeg ik enige toelichting bij de controles uitgevoerd door de BTW-administratie waarvan de cijfers op bladzijde 16 van het jaarrapport 1996 van de Algemene administratie van de belastingen terug te vinden zijn. Uit uw antwoord op vraag nr. 250 van 23 januari 1996 van mijn collega Richard Fournaux (Vragen en Antwoorden, Kamer, 1995-1996, nr. 40, blz. 5348-5350) blijkt dat de behandeling van de bijzondere rekeningen een louter administratieve verrichting is die slechts heel zelden aanleiding geeft tot een controle van … »

Controle. Statistiek. Bijzondere rekening. Teruggaaf. Stopzetting van activiteit. Niet-indiening van de periodiekeParlementaire vraag10.02.1997

Bekijk het document