ANTWOORD
Minder normaal is dat hij BTW moet betalen op het werk dat hijzelf heeft verricht.
Op grond van welke beginselen gebeurt dit ? Van welke hoeveelheid werk moet de BTW worden betaald ? Hoe wordt de te betalen belasting berekend ?
Antwoord: Het vermoeden ingesteld door artikel 64, § 4, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde naar luid waarvan ieder pas opgericht gebouw geacht wordt door een belastingplichtige geleverd te zijn ter uitvoering van een of meer dienstverrichtingen met betrekking tot een werk in onroerende staat, is niet van toepassing op eenvoudige verbeteringswerken. De eigenaar die zelf dergelijke verbeteringswerken verricht hoeft bijgevolg het tegenbewijs aan dit vermoeden niet te leveren.
Worden echter niet beschouwd als gewone verbeteringswerken:
1° de verandering aan een bestaand gebouw welke van die aard is dat de structuur en de bestemming van het vroegere gebouw worden gewijzigd;
2° de oprichting bij een bestaand gebouw van daaraan al of niet palende bijgebouwen, die een eigen functie hebben;
3° de oprichting op een bestaand gebouw van een nieuwe verdieping .
In de drie voormelde gevallen van verbouwingswerken aan een bestaande woning, moet de eigenaar ingevolge artikel 64, § 4, van het BTW-Wetboek, uiterlijk binnen drie maand vanaf de datum van de betekening van het kadastrale inkomen bij het BTW-controlekantoor in wiens gebied het pas opgerichte gebouw is gelegen een aangifte indienen, teneinde de juistheid na te gaan van de heffingsgrondslag van de BTW.
Inderdaad, ingevolge artikel 36, § 1, b, van het BTW-Wetboek mag de maatstaf van heffing ten aanzien van werk in onroerende staat dat betrekking heeft op op te richten gebouwen niet lager zijn dan de normale waarde van dat werk.
Overeenkomstig artikel 32, tweede lid, van het BTW-Wetboek, wordt verstaan onder normale waarde ten aanzien van werk in onroerende staat dat betrekking heeft op op te richten gebouwen, de prijs die hier te lande voor het werk of voor de gezamenlijke werkzaamheden kan worden verkregen onder vrije mededinging tussen twee van elkaar onafhankelijke partijen.
De aandacht wordt erop gevestigd dat het vermoeden vastgesteld door artikel 64, § 4, van het BTW-Wetboek, een vermoeden juris tantum is, zodat de eigenaar van het gebouw door alle middelen van gemeen recht kan bewijzen dat hij in een bepaalde mate zelf werk in onroerende staat heeft verricht met materialen die hij zelf heeft aangekocht.
Wanneer de eigenaar dit bewijs levert wordt de waarde van de werken die hij zelf heeft verricht en van de materialen die hierbij werden gebruikt, afgetrokken van de normale bouwwaarde.