Nieuw opgericht gebouw. Verplichtingen opgelegd aan de eigenaar. Maatstaf van heffing. Betwisting · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

219 15 september 1992

Zoeken

Nieuw opgericht gebouw. Verplichtingen opgelegd aan de eigenaar. Maatstaf van heffing. BetwistingNieuw opgericht gebouw. Verplichtingen opgelegd aan de eigenaar. Maatstaf van heffing. Betwisting.

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/219-nieuw-opgericht-gebouw-verplichtingen-opgelegd-6fe7

Nummer
219
Datum
15 september 1992

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

26 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 1992-1993, nr. 31, blz. 2127

Nieuw opgericht gebouw - Verplichtingen opgelegd aan de eigenaar - Maatstaf van heffing - Betwisting.

VRAAG

Zonder ook maar over de geringste grondslag te beschikken betwisten sommige BTW-kantoren het totaalbedrag van de facturen met betrekking tot privé-woningen.

Bij wijze van voorbeeld meld ik het geval van een gezin dat al de facturen met betrekking tot de bouw van een kleine woning overlegt. De totale som, exclusief BTW, bedraagt 2.469.875 Belgische frank.

Het BTW-kantoor past onmiddellijk, en zonder dat een ambtenaar zich naar de plaats begeeft waar de woning wordt gebouwd, een wijziging van de aanslag toe voor een bedrag van 906.000 Belgische frank, wat overeenstemt met een extra te betalen som van 154.020 Belgische frank. Daarbovenop rekent het nog een boete van 30.000 frank aan.

Het door deze houding benadeelde gezin knoopt onderhandelingen aan en verkrijgt een vermindering van 906.000 Belgische frank tot 300.000 Belgische frank en, na een tweede onderhandelingsronde, tot 250.000 Belgische frank, wat overeenstemt met een aan de BTW te betalen bedrag van 42.500 Belgische frank.

Deze willekeurige behandeling is stuitend.

In het aangehaalde geval heeft het gezin geen enkele vorm van fraude gepleegd. Toch wordt het geconfronteerd met de druk en de bedreigingen van een overheidsdienst die niet het minste bewijs moet leveren om zijn standpunt te staven.

Hoe kunnen dergelijke praktijken, die niets te maken hebben met een goed bestuur, worden gerechtvaardigd ?

Over welke middelen beschikken belastingplichtigen die op een zo onrechtvaardige manier worden benadeeld, om de terugbetaling te eisen van de bedragen die hen door een overheidsdienst werden afgedwongen ?

ANTWOORD

Ten aanzien van diensten betreffende werk in onroerende staat tot oprichting van een gebouw bepaalt artikel 36 § 1 (nieuw) van het BTW- Wetboek een minimummaatstaf van heffing.

Die minimummaatstaf is de normale waarde van die diensten, dit is de prijs die, op het tijdstip van de opeisbaarheid van de belasting en in dezelfde handelsfase, kan worden verkregen onder vrije mededinging tussen een leverancier en een afnemer die van elkaar onafhankelijk zijn (art. 32, tweede alinea, nieuw, van het BTW-Wetboek).

Artikel 64, § 4, van dat Wetboek bevat bovendien een vermoeden luidens hetwelk, behoudens tegenbewijs, ieder pas opgericht gebouw wordt geacht te zijn geleverd door een belastingplichtige ter uitvoering van een of verschillende diensten betreffende werk in onroerende staat.

Met het oog op de controle van die normale bouwwaarde (z. art. 36 en 64, § 4, van het BTW-Wetboek) heeft de administratie ten behoeve van haar ambtenaren eenvormige richtlijnen uitgewerkt.

Die richtlijnen houden rekening met de in de bouwsector algemeen geldende prijzen, met de geplaatste of verwerkte materialen en met de aard van het gebouw.

In tegenstelling tot hetgeen het geacht Lid laat onderstellen, schrijven de administratieve richtlijnen aan de met het toezicht belaste ambtenaren voor om aan iedere eigenaar van een pas opgericht gebouw alle gewenste inlichtingen te verstrekken, onder meer betreffende het algemeen beginsel waarop de wijze van het bepalen van de normale bouwwaarde is gesteund.

Het is niet gebruikelijk dat de fiscale administraties hun controlerichtlijnen onthullen, omdat een dergelijke onthulling uiteindelijk de belastingontduiking zou bevorderen.

Verder verplicht artikel 64, § 4, tweede alinea, van het BTW-Wetboek iedere eigenaar van een pas opgericht gebouw om de facturen betreffende de bouw alsmede de plans en de bestekken van dat gebouw te bewaren en ze voor te leggen op elk verzoek van de met het toezicht belaste ambtenaren.

Ter uitvoering van die wetsbepaling nodigt de administratie iedere eigenaar van dergelijk gebouw uit om de voormelde stukken te voegen bij de aangifte (formulier nr. 106/3) die hij moet indienen binnen de drie maand vanaf de datum van de betekening van het kadastraal inkomen (art. 64, § 4, derde alinea, van het BTW-Wetboek). Het is ook van belang dat iedere eigenaar de betrokken hoofdcontroleur kennis geeft van de met de aannemer(s) gesloten overeenkomsten, dat hij de nodige aanwijzingen verstrekt nopens de geplaatste of verwerkte materialen en dat hij het bewijs levert van de door hem of met de kosteloze hulp van derden uitgevoerde werken. Die handelswijze moet de betrokken hoofdcontroleur in staat stellen om op grond van objectieve criteria de normale bouwwaarde te bepalen en zorgvuldig de door de eigenaar gemaakte bemerkingen en bezwaren betreffende die waarde te onderzoeken, om te komen tot een minnelijke regeling veeleer dan de procedure tot deskundige schatting in te stellen. Richtlijnen in die zin werden dan ook aan de ambtenaren gegeven.

Hoe dan ook kan de eigenaar van een pas opgericht gebouw, die meent dat de door de controleambtenaar vastgestelde normale waarde betwistbaar is, zijn bezwaren steeds overeenkomstig artikel 84 van het BTW-Wetboek aan de administratie kenbaar maken.

Bovendien hebben, bij gebrek aan minnelijk akkoord, de eigenaar zowel als de administratie het recht om de procedure tot deskundige schatting, bedoeld in artikel 59, § 2, van het BTW-Wetboek en in het koninklijk besluit nr. 15 van 3 juni 1970, in te stellen.

In dit geval vormt de door de deskundige(n) bepaalde normale waarde de minimummaatstaf van heffing.

Gelet op wat voorafgaat, lijkt het van belang te onderstrepen dat wettelijke en administratieve maatregelen werden getroffen om de willekeurige aard van de geldende procedure inzake het bepalen van de normale bouwwaarde te voorkomen.

Ik ben bereid het of de bijzondere gevallen te laten onderzoeken waarvan het geacht Lid kennis zou hebben, voor zover hij mij de voor hun identificatie nodige gegevens meedeelt.

Aangehaalde teksten

5
WBTW art. 644 voorkomens
WBTW art. 321 voorkomen
WBTW art. 361 voorkomen
WBTW art. 591 voorkomen
WBTW art. 841 voorkomen