Vr. en Antw., Kamer
Erkende tariferingsdiensten - Verhoging van de gefactureerde bedragen (aandeel van het R.I.Z.I.V. in de factureringskosten)
VRAAG
Het koninklijk besluit van 11 april 1983 tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 augustus 1970 met betrekking tot vaststelling van de maatstaven tot erkenning van de tarificatiediensten bepaalt dat de facturen door deze diensten ingediend mogen verhoogd worden met een percentage gaande van 0,3% voor 1983 en 1984 en tot 0,10% voor 1987 en 1988.
Dit verhoogd percentage is toegekend als een tegemoetkoming van de ziekte- en invaliditeitsverzekering in de hogere factureringskosten die veroorzaakt worden door het inwilligen van het verzoek van het R.I.Z.I.V. om over bijkomende statistieken te kunnen beschikken inzake het verbruik van de geneesmiddelen.
De BTW-administratie onderwerpt deze bijkomende kosten aan een BTW-heffing van 19% en dit op basis van het artikel 19, § 1, als van artikel 12, § 1, van het BTW-Wetboek.
De tarificatiediensten rekenen deze BTW dan ook aan. De verzekeringsinstellingen, uitgenomen enkele zeer zeldzame gevallen, weigeren deze gefactureerde BTW te betalen.
Het R.I.Z.I.V. schijnt van mening te zijn dat de verzekeringsinstellingen als niet BTW-plichtige de BTW niet verschuldigd zijn en dat deze laatste slechts moet gedragen worden door de BTW-plichtigen. Een standpunt dat mijns inziens in tegenspraak is met het BTW-principe.
Het schijnt mij volledig onlogisch en niet verantwoord dat de erkende tarificatiediensten deze BTW zouden moeten ten laste nemen, wat de toegekende compensatie voor het meerwerk met het bedrag van de BTW zou verminderen.
Wat is het standpunt van de Minister in deze materie? Dienen de verzekeringsinstellingen deze BTW te betalen?
ANTWOORD
Bij koninklijk besluit van 11 april 1983 ( Belgisch Staatsblad van 15 april 1983) werd een artikel 7bis ingevoegd in het koninklijk besluit van 12 augustus 1970 ( Belgisch Staatsblad van 29 augustus 1970) tot vaststelling van de maatstaven tot erkenning van de tariferingsdiensten.
Daardoor wordt het de erkende tariferingsdiensten toegestaan vanaf 1 juli 1983 tot 30 juni 1988 de gefactureerde netto-bedragen met een degressief percentage te verhogen bij wijze van aandeel van de ziekte- en invaliditeitsverzekering in de factureringskosten.
Bedoelde verhoging dient te worden beschouwd als de vergoeding voor de door de erkende tariferingsdiensten gepresteerde diensten voor het R.I.Z.I.V. inzake het verstrekken van bijkomende inlichtingen en statistieken.
Die diensten worden beoogd door artikel 18, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek en zijn op grond van artikel 19, § 1, van hetzelfde Wetboek belastbaar tegen het tarief van 19%, ongeacht of de afnemer van die diensten al dan niet de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige heeft.
De aldus verschuldigde BTW moet hoe dan ook door de dienstverrichter aan de Schatkist worden betaald. De vraag wie uiteindelijk die verschuldigde BTW moet dragen, met andere woorden of de bovenbedoelde vergoedingen werden vastgesteld inclusief of exclusief BTW, hangt af van de tussen de partijen gesloten overeenkomst, met name in onderhavig geval bij de uitwerking van bovengenoemd koninklijk besluit van 11 april 1983. In deze aangelegenheid kan mijn departement uiteraard geen standpunt innemen.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.