Vr. en Antw., Senaat
Rechtspersonen - BTW-aftrek op personenwagens
VRAAG
In uitvoering van artikel 45, § 2, van het Wetboek van de BTW, is de BTW op personenwagens en op leveringen en diensten hieraan verbonden, slechts voor 50 pct. aftrekbaar zelfs als deze wagens voor beroepsdoeleinden worden aangewend.
De andere 50 pct. wordt geacht overeen te stemmen met het privaat gebruik van de wagen.
Voor de bepaling van het bedrijfsinkomen stelt men vast dat eveneens onderscheid wordt gemaakt tussen privaat en bedrijfsgebruik en dat het privaat gedeelte van de kosten, bij de belastbare winst wordt gevoegd van de belastingplichtige.
Behoort de personenwagen toe aan een rechtspersoon, dan zal het privaat gedeelte van de kosten, afschrijvingen enz., bij het inkomen van de vennoot worden gevoegd die deze wagen heeft gebruikt en die het actieve orgaan is van deze vennootschap, waarvan hij overigens meestal de grootste aandeelhouder is.
Nu stellen wij echter vast dat de Administratie van de BTW waar het gaat over rechtspersonen nogmaals de voldoening aan 100 pct. eist door de rechtspersoon van de BTW op het bedrag dat als private kosten werd gevoegd bij het inkomen van de vennoot voornoemd.
Deze werkwijze lijkt mij niet logisch en discriminerend tegenover de belastingplichtige-rechtspersoon.
Kan deze toestand rechtgezet worden?
ANTWOORD
Artikel 45, § 2, van het BTW-Wetboek stelt een beperking in van de aftrek van de BTW geheven op de uitgaven met betrekking tot personenwagens, zonder dat ter zake een onderscheid moet worden gemaakt naargelang de exploitant van de onderneming die deze uitgaven doet een fysieke persoon is of een rechtspersoon. Alleen op ondernemingen waarvan de specifieke beroepswerkzaamheid bestaat in de verkoop of de verhuur van automobielen of op ondernemingen voor bezoldigd personenvervoer is die beperking niet van toepassing.
Wanneer een ondernemer de personenwagens die voor de behoeften van zijn bedrijf worden gebruikt, ter beschikking stelt van derden (vertegenwoordiger of een zaakvoerder van een vennootschap), die de firmawagens voor privé-doeleinden mogen gebruiken, wordt, voor de toepassing van de BTW, dit genot geacht te zijn verstrekt ingevolge een contract onder bezwarende titel (nl. het arbeidscontract of het vennootschapscontract) en is dit een dienst bedoeld in artikel 18, § 1, 4°, van het BTW-Wetboek.
In de relatie tussen de ondernemer en de derde (de vertegenwoordiger of de zaakvoerder) is de belasting dus werkelijk verschuldigd over de normale waarde van het gebruik voor privé-doeleinden van de voertuigen, waarde die geacht wordt in overeenstemming te zijn met het voordeel in natura dat eruit voortvloeit.
Deze heffing in hoofde van de onderneming belet niet dat de beperking van het recht op aftrek bedoeld in artikel 45, § 2, van het BTW-Wetboek, van toepassing is ten aanzien van de BTW geheven op de door de ondernemer gedane uitgaven met betrekking tot die voertuigen, aangezien die ondernemer geen specifieke beroepswerkzaamheid uitoefent die bestaat in de verhuur van voertuigen.
De hierbovengenoemde heffing is uiteraard niet gerechtvaardigd wanneer de ondernemer een fysieke persoon is die zelf zijn voertuig voor privé-doeleinden gebruikt aangezien in dit geval er niet ten minste twee partijen bestaan, wat vereist is voor het tot stand komen van een contract van dienstverrichting.