Privé-gebruik van personenvoertuigen. Beperking van het recht op aftrek overeenkomstig · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

236 15 april 1983

Zoeken

Privé-gebruik van personenvoertuigen. Beperking van het recht op aftrek overeenkomstigPrivé-gebruik van personenvoertuigen. Beperking van het recht op aftrek overeenkomstig artikel 45, § 2, van het Wetboek

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/236-prive-gebruik-personenvoertuigen-beperking-recht-39da

Nummer
236
Datum
15 april 1983

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

20 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer

Privé-gebruik van personenvoertuigen - Beperking van het recht op aftrek overeenkomstig artikel 45, § 2, van het Wetboek

VRAAG

Sinds de invoering van de BTW leidt de toepassing van die belasting op het privé-gebruik van bedrijfsvoertuigen tot heel wat betwistingen.

In zijn antwoord op vraag nr. 161 van Senator Lagae d.d. 4 augustus 1982 Z. Revue nr. 55, blz. 497, nr. 20, art. 45, § 2, C.B.T.W.

verantwoordt de Minister van Financiën het toepassen van de BTW op het privé-gebruik van een bedrijfswagen door de zaakvoerder van een vennootschap door het feit dat één en dezelfde persoon twee hoedanigheden in zich verenigt.

Tegen dat standpunt kan men inbrengen dat de administratieve diensten van het Ministerie van Financiën zelf niet altijd met alle consequenties rekening houden die uit die vereniging van twee hoedanigheden voortvloeien.

Wat bijvoorbeeld de kortgeleden afgeschafte bijdrage tot het solidariteitsfonds betreft, telden de administratieve diensten de bezoldiging van de zaakvoerder(s) bij de winst van de maatschappij om de belastinggrondslag van het boekjaar te berekenen, die met het gemiddelde van de grondslagen over de referentieperiode te vergelijken was.

Een belastingplichtige die met beide problemen tegelijk te maken heeft, komt spijtig genoeg tot de bevinding dat de administratieve diensten zich bij privé-gebruik van een bedrijfswagen op de dubbele hoedanigheid van de belastingplichtige beroepen om dat gebruik door de zaakvoerder te belasten, maar dat voor de bijdrage tot het solidariteitsfonds de bezoldiging van de zaakvoerder, ondanks de dubbele hoedanigheid van de belastingplichtige, bij de winst van het bedrijf gevoegd wordt om de belastinggrondslag te berekenen.

Er is echter nog een ander punt dat me essentieel en van beslissende aard lijkt.

Een van de basisprincipes van de BTW is dat ze één enkele keer door de laatste consument gedragen wordt, aangezien inningen in tussenstadia aftrekbaar zijn.

Bij privé-gebruik van bedrijfswagens zijn er twee gevallen te onderscheiden.

1. Het privé-gebruik komt ten laste van het bedrijf, dat het dus in zijn verkoopprijzen doorberekenen moet. In dat geval kan men ervan uitgaan dat de zaakvoerder niet de laatste consument is en dat hij dus met BTW op het voordeel in natura dat hij krijgt, belast moet worden.

2. De rekening-courant van de zaakvoerder wordt met het aandeel in brandstof, onderhoudskosten, verkeersbelasting en verzekeringspremie gedebiteerd, dat met zijn privé-gebruik overeenkomt, en eveneens met de niet-aftrekbare BTW op dat aandeel in brandstof en onderhoudskosten, terwijl het bedrijf van zijn kant alleen de BTW op dat deel van brandstof en onderhoudskosten terugkrijgt, dat met het gebruik voor beroepsdoeleinden overeenstemt, met een maximum van 50% als dat gebruik hoger ligt. In dat geval is de zaakvoerder, die de kosten voor het privé-gebruik en de daaraan verbonden BTW draagt, wel de laatste consument. Mijns inziens is het niet aangewezen hem nogmaals de BTW op brandstof en onderhoudskosten te laten dragen noch van hem BTW op het privé-deel van de verkeersbelasting en de verzekeringspremie te verlangen.

Ik hoop dat de Minister van Financiën dit probleem bestuderen wil en er een rechtvaardige oplossing aan zal geven.

ANTWOORD

Artikel 45, § 2, van het BTW-Wetboek stelt een beperking in van de aftrek van de BTW geheven van de uitgaven met betrekking tot personenwagens en sluit van die beperking alleen die voertuigen uit die zijn bestemd om te worden doorverkocht of om te worden verhuurd door een belastingplichtige die een beroepswerkzaamheid uitoefent bestaande in de verkoop of de verhuur van automobielen, alsmede de voertuigen bestemd om uitsluitend voor bezoldigd personenvervoer te worden gebruikt.

Deze bepaling dient strikt te worden geïnterpreteerd, zodat de bedoelde aftrek in geen geval 50% van de betaalde belasting mag overschrijden, wanneer een onderneming waarvan de beroepswerkzaamheid niet bestaat in de verhuur van automobielen een personenwagen ter beschikking van zijn personeelsleden of beheerders stelt, die de wagen voor hun privé-doeleinden gebruiken.

Aangezien die terbeschikkingstelling bovendien plaatsvindt ten gevolge van een contract onder bezwarende titel, hetzij omdat de genieter een huurprijs betaalt, hetzij omdat hij dit voordeel bekomt ingevolge zijn arbeidscontract, of meer algemeen het contract dat hem tegenover de onderneming verbindt, dient die handeling te worden aangemerkt als een in artikel 18, § 1, 4°, van het BTW-Wetboek bedoelde dienst.

De onderneming is dan ook gehouden de belasting aan te rekenen over hetzij de sommen (huurprijs, verkeersbelasting,...) die zij van de beheerder of het personeelslid eist voor het privé-gebruik van de hen ter beschikking gestelde voertuigen, in voorkomend geval verhoogd met het door de Administratie der directe belastingen vastgestelde voordeel van alle aard, hetzij, wanneer de onderneming geen enkele tegenprestatie in geld oplegt, over de normale waarde van het gebruik voor privé-doeleinden van de voertuigen, waarde die geacht wordt gelijk te zijn aan het voordeel van alle aard dat eruit voortvloeit.

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 452 voorkomens
WBTW art. 181 voorkomen