Verzaking verjaring · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

1479 8 september 1998

Zoeken

Verzaking verjaring

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1479-verzaking-verjaring-fournoux-6bc1

Nummer
1479
Datum
8 september 1998

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

13 paragrafen

BTW-Revue nr. 141, blz. 308

Vr. en Antw., Kamer, 1998-1999, nr. 151, blz. 20627

Verzaking verjaring

VRAAG

Het gebeurt regelmatig dat de administratie naar aanleiding van een BTW-controle een ontwerp van herzieningsbericht verstuurt waarop de BTW-plichtige geacht wordt binnen twintig of dertig dagen te antwoorden, en dat ze de BTW-plichtige daarbij tevens voorstelt, op straffe van aangifte van een dwangbevel, binnen tien dagen van de vastgestelde verjaringstermijn af te zien. De belastingplichtige, die tijd behoeft om te antwoorden, gaat er doorgaans mee akkoord van verjaring in zijn voordeel af te zien.

Naar ik verneem, vertikt de administratie het echter steeds vaker om op het antwoord van de BTW-plichtige te reageren, soms meer dan vijf jaar lang, maar blijft ze intussen wel alle bedragen inhouden die de onderscheiden belastingbesturen aan de betrokken belastingplichtige verschuldigd zijn.

Kunt U mij zeggen of de belastingplichtige die een bewarend beslag onder derden wil laten opheffen in een geschil waarin hij van verjaring in zijn voordeel heeft afgezien, niet het risico loopt dat de administratie hem tegenwerpt dat hij geen verzet heeft aangetekend tegen het dwangbevel voor de rechtbank van eerste aanleg in de loop van de vijf jaren die volgden op het bezwarend beslag onder derden of de verzending van de herzieningsstaat?

ANTWOORD

Het is juist dat, zoals het geachte lid stelt, een belastingplichtige aan wie de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen een regularisatieopgave ter goedkeuring toegestuurd heeft, anderzijds kan uitgenodigd worden te verzaken aan de verlopen tijd ter verjaring, en dit zelfs terwijl de hem toegekende tijd om zijn bemerkingen te laten geworden met betrekking tot deze regularisatieopgave, nog niet verstreken is.

Deze manier van stuiting der verjaring, bepaald in artikel 83, alinea 2, van het BTW-Wetboek, biedt het voordeel de rechten van de Schatkist te kunnen vrijwaren waarbij vermeden wordt dat de administratie een dwangbevel moet ter kennis geven of betekenen met als enige doel de verjaring te stuiten.

Het spreekt vanzelf dat de belastingplichtige aan wie dit soort vraag gericht wordt, er alle belang bij heeft te verzaken aan de verlopen tijd der verjaring en dit omdat enerzijds deze geenszins, in zijnen hoofde, welke erkenning dan ook inhoudt van de gegrondheid van de aanspraken van de administratie, en anderzijds, hem toelaat te vermijden het voorwerp uit te maken van een uitvoeringsmaatregel, die, overeenkomstig artikel 89, alinea 3 van het BTW-wetboek, slechts zou kunnen worden gestuit door een gemotiveerd verzet met dagvaarding.

Onafhankelijk van de vraag naar de manier van stuiting der verjaring, kan de administratie eveneens, op grond van objectieve criteria en in overeenstemming met het proportionaliteitsprincipe, beslissen dat de bescherming van de belangen van de Schatkist overeenkomstig artikel 76, alinea 3, van het BTW-Wetboek, de inhouding van het belastingkrediet vergt, welke alsdan geldt als bewarend beslag onder derden in de zin van artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek.

Het spreekt vanzelf dat voor de belastingplichtige die de opheffing van deze inhouding wenst te verkrijgen, in het kader van een procedure waar, bij veronderstelling, hij verzaakt heeft aan de verlopen tijd der verjaring, het feit dat de administratie nog geen dwangbevel zou hebben uitgevaardigd geenszins een beletsel vormt opdat deze laatste het geschil rechtstreeks zou kunnen onderwerpen aan de rechtsmacht met inachtneming van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 761 voorkomen
WBTW art. 831 voorkomen
WBTW art. 891 voorkomen