Niet-openbare radio's. Volledige of gemengde belastingplichtigen · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

142 2 december 1988

Zoeken

Niet-openbare radio's. Volledige of gemengde belastingplichtigen

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/142-openbare-radio-volledige-gemengde-belastingplichtigen-6b58

Nummer
142
Datum
2 december 1988

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

17 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 1988, nr. 042 , blz. 2917

Niet-openbare radio's - Volledige of gemengde belastingplichtigen

VRAAG

In verband met deze problematiek werd een eerste antwoord gegeven naar aanleiding van de parlementaire vraag van 13 maart 1985 Z. Revue nr. 68, blz. 303.

door de heer De Clercq (vraag nr. 189, bulletin van Vragen en Antwoorden, Kamer, 1984-1985, nr. 21, blz. 2289-2290).

Daar werd de stelling geponeerd dat de niet-openbare radio's twee soorten handelingen verrichten: enerzijds met BTW belastbare vooral reclameuitzendingen, en anderzijds niet belastbare handelingen, de muzikale en informatieve uitzendingen.

Concreet resulteerde deze stelling in volgende aftrekverhouding: 1/10 aftrekbaar, 9/10 niet aftrekbaar, dit omdat het decreet inzake niet-openbare radio's stelt dat er maximaal 10% van de zendtijd aan reclame mag worden besteed.

Diametraal daartegenover kiest de BTW-administratie volgens het antwoord op de parlementaire vraag van de heer Marc Olivier van 6 februari 1986 Z. Revue nr. 72, blz. 217.

(vraag nr. 95bis, bulletin van Vragen en Antwoorden, Kamer, 1985-1986, nr. 9, blz. 784-785) voor de regel van het algemeen verhoudingsgetal zoals bepaald in artikel 46 van het BTW-Wetboek, dat zou resulteren in 100% aftrekbaarheid, vermits alle ontvangsten van niet-openbare radio's voorlopig voortspruiten uit reclame.

Daarbij mag evenwel niet worden vergeten dat de administratie nog altijd zelf de regel van het werkelijk gebruik kan opleggen, zoals in het antwoord op de parlementaire vraag van de heer De Clercq werd geantwoord. Er heerst verwarring en onzekerheid bij de verantwoordelijken van de niet-openbare radio's, en de BTW-administratie zou in deze materie, eventueel met terugwerkende kracht, een duidelijke en slechts op ייn manier te interpreteren stelling moeten innemen.

Kan de Minister in deze materie een duidelijk en ondubbelzinnig standpunt innemen?

ANTWOORD

In de antwoorden op de door het geacht Lid beoogde parlementaire vragen (zie vraag nr. 189, van Volksvertegenwoordiger De Clercq van 13 maart 1985, bulletin van Vragen en Antwoorden, Kamer, 1984-1985, nr. 21, blz. 2289, en vraag nr. 95bis van Volksvertegenwoordiger Olivier van 6 februari 1986, bulletin van Vragen en Antwoorden, Kamer, 1985-1986, nr. 9, blz. 784) werd ervan uitgegaan zoals meestal uit de praktijk blijkt, dat de niet-openbare radio's naast inkomsten uit belastbare handelingen (uitzenden tegen vergoeding van reclame, verkoop van platen, T-shirts en de organisatie tegen inkomgeld van feestavonden en drive-in shows) ook inkomsten verkregen (steungelden, ledenbijdragen, enzovoort) uit niet-belastbare handelingen (bijvoorbeeld uitzenden van andere programma's dan reclame).

Onder die omstandigheden werden die niet-openbare radio's aangemerkt als gemengde belastingplichtige die de aftrek konden toepassen volgens een verhoudingsgetal met als teller de inkomsten vastgesteld per kalenderjaar, van de met BTW belastbare handelingen en als noemer het totaal bedrag, eveneens vastgesteld per kalenderjaar, van de inkomsten van bedoelde radio's.

Voor de niet-openbare radio's die thans nog onder dezelfde omstandigheden hun activiteit uitoefenen blijft bovengenoemde regeling overigens van toepassing en zulks ongeacht het gebruik dat van de zendtijd wordt gemaakt.

Niet-openbare radio's daarentegen die enkel en uitsluitend inkomsten verwerven uit de tijdens hun normale radioprogramma's verzorgde reclame-uitzendingen, dienen te worden aangemerkt als volledige belastingplichtigen in wiens hoofde de betaalde voorbelasting in de regel volledig aftrekbaar is.

Indien het geacht Lid niettemin een bepaald geval beoogt, ben ik graag bereid de zaak te laten onderzoeken indien mij de nodige gegevens worden verstrekt.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 461 voorkomen