Vr. en Antw., Kamer, 1997-1998, nr. 134, blz. 18590-18591
BTW-Revue nr. 136, blz. 586
Personenwagen - BTW
VRAAG
Ik heb een vraag over de aftrekmogelijkheden van de BTW bij de aankoop en verkoop van auto's. Een BTW-plichtige mag de BTW op de aankoop van een auto voor de helft aftrekken, terwijl die beperking van 50 % niet geldt bij de verkoop van eenzelfde auto door een BTW-plichtige.
Ik geef een voorbeeld.
Op 1 januari 1997 koopt een BTW-plichtige voor 500.000 frank (exclusief BTW) een nieuwe auto, die hij voor 80 % voor beroepsdoeleinden wenst te gebruiken. Hij betaalt daarop 105.000 frank BTW, dus een totaalprijs van 605.000 frank.
Bij het invullen van zijn periodieke aangifte brengt hij de BTW in mindering; hij mag maximaal de helft terugvorderen, dit is 105.000 frank x 50 % = 52.500 frank.
Op 30 juni 1997 verkoopt de BTW-plichtige de auto opnieuw voor 300.000 frank (exclusief BTW), of 363.000 frank inclusief BTW. Aangezien hij BTW-plichtig is, maakt hij een factuur op voor de verkoop van de auto ten bedrage van 363.000 frank, inclusief BTW. Hij geeft het volledige bedrag van de BTW, 63.000 frank, aan op de periodieke aangifte en stort het door, want de BTW-reglementering voorziet niet in een beperking tot de helft bij verkoop.
Conclusie: de BTW-plichtige kan weliswaar 52.500 frank terugvorderen bij de aankoop van zijn auto maar moet 63.000 frank doorstorten als hij het voertuig weer verkoopt, hoewel hij er 200.000 frank minder voor vraagt dan hij zelf heeft betaald.
1. Waarom moet een BTW-plichtige bij de verkoop van een auto de volledige BTW doorstorten terwijl hij bij de aankoop maar de helft van de BTW kan terugvorderen?
2. Wanneer zal de wetgeving dat onderscheid opheffen?
3. Is die wetgeving conform de Europese regelgeving?
4.
a) Als die wetsbepaling discriminerend is, kunnen BTW-plichtigen die het boven omschreven "nadeel" ondervonden, daar mogelijk met terugwerking compensatie voor verkrijgen?
b) Hoe ver in de tijd zou die terugwerking kunnen gaan?
ANTWOORD
Overeenkomst artikel 26, eerste lid, van het BTW-wetboek wordt voor de leveringen van goederen de belasting berekend over alles wat de leverancier van het goed als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van degene aan wie het goed wordt geleverd, of van een derde, met inbegrip van de subsidies die rechtstreeks met de prijs van die handelingen verband houden.
Deze bepaling is volledig in overeenstemming met artikel 11, A, 1, a), van de zesde richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1977 inzake belasting over de toegevoegde waarde en het is niet mogelijk hiervan af te wijken ondanks de in artikel 45, § 2, van voornoemd Wetboek beoogde beperking van het recht op aftrek waarop het geacht lid zinspeelt.
Er dient bovendien op gewezen te worden dat deze beperking evenmin in tegenstrijd is met de Europese wetgeving daar deze reeds in de nationale wetgeving was voorzien vσσr de inwerkingtreding van bovengenoemde richtlijn op 1 januari 1978 en het behoud ervan mogelijk werd gemaakt op grond van artikel 17, 6, tweede lid, van diezelfde richtlijn en dit tot zolang dat de Raad, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen, heeft bepaald voor welke uitgaven geen recht op aftrek van de BTW bestaat. Deze problematiek wordt in principe thans nog steeds door de Commissie onderzocht en er is dan ook tot nader order, geen sprake van een aanpassing van de Belgische wetgeving terzake.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.