Gebouwen van het openbaar domein. Concessie van gebouwen. Verlenen recht een beroepswerkzaamheid · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

1270 3 november 1994

Zoeken

Gebouwen van het openbaar domein. Concessie van gebouwen. Verlenen recht een beroepswerkzaamheidGebouwen van het openbaar domein. Concessie van gebouwen. Verlenen recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen. Recht op aftrek. Concurrentieverstoring.

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1270-gebouwen-openbaar-domein-concessie-verlenen-70d7

Nummer
1270
Datum
3 november 1994

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

12 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 1994-1995, nr. 135, blz. 14160-14162

Gebouwen van het openbaar domein - Concessie van gebouwen - Verlenen recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen - Recht op aftrek - Concurrentieverstoring.

VRAAG

Steeds meer ondernemingen beklagen zich erover de oneerlijke concurrentie die overheidsinstellingen hen aandoen. Bedrijven kunnen immers niet gebouwen in huur geven met toepassing van de BTW (en dus de BTW stroomopwaarts aftrekken). Daarentegen kunnen overheidsinstellingen geen gebouwen die deel uitmaken van het openbaar domein, in huur geven. Wel kunnen zij, met toepassing van de BTW (en dus met aftrek van de BTW stroomopwaarts), het exclusieve genot van gebouwen gedurende een bepaalde periode in concessie geven. Economisch gezien stemt zulks met een verhuring overeen, maar juridisch gesproken wordt het aanzien als een concessie van het recht om in het openbaar domein een activiteit uit te oefenen. Als overheidsinstellingen onder bepaalde voorwaarden al aan de BTW onderworpen zijn, dan is het krachtens de zesde BTW-richtlijn precies om concurrentievervalsing te voorkomen. Uit die bepalingen werd besloten dat het in concessie geven van gebouwen die tot het openbaar domein behoren, aan de BTW is onderworpen. Bijgevolg valt een verrichting die, economisch gezien, het verhuren van een onroerend goed is, wel onder de BTW-reglementering als de verhuurder een overheidsinstelling is (gunstige situatie), maar niet als de verhuurder een particuliere onderneming (ongunstige situatie) is.

1. Is het normaal dat tal van particuliere bedrijven het slachtoffer zijn van oneerlijke concurrentie van de overheidssector, wat niet het geval zou zijn als ook bij ons het optierecht inzake verhuring van onroerende goederen zou bestaan naar het voorbeeld van wat in alle ons omringende landen gangbaar is ?

2. Is het aanvaardbaar dat men aan de hand van bepalingen van het gemeenschapsrecht die ertoe strekken concurrentievervalsingen tussen overheids- en particuliere sector te beperken, dergelijke vervalsingen in de hand werkt ?

ANTWOORD

Zoals ik het geacht lid heb medegedeeld in mijn antwoord op de vraag nr. 934 van 25 februari 1994 (Vragen en Antwoorden, Kamer, GZ 1993-1994, nr. 105, 9 mei 1994, blz. 10880-10881), kunnen onroerende goederen die deel uitmaken van het openbaar domein van publiekrechtelijke instellingen, hoewel zij niet het voorwerp kunnen uitmaken van een onroerende verhuur in de zin van artikel 44, § 3, 2°, van het BTW- wetboek, toch het voorwerp uitmaken van precaire particuliere gebruiksrechten tegen betaling van een vergoeding voor zover het gebruik in overeenstemming is met de bestemming van de bedoelde goederen.

Inzake deze beperkende eigenschappen bepaald door het administratief recht, heb ik overigens benadrukt dat op het stuk van de BTW, de hierboven bedoelde concessies aan publiekrechtelijke instellingen slechts de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige verlenen en hen derhalve recht op aftrek van de voorbelasting verlenen, wanneer de handeling kan worden aangemerkt als het verlenen van het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 6°, van het BTW- wetboek en in de mate dat de publiekrechtelijke instelling en/of de betreffende concessie worden beoogd in het koninklijk besluit nr. 26 van 2 december 1970, met betrekking tot het onderwerpen aan de openbare instellingen aan de belasting over de toegevoegde waarde.

Derhalve is het nuttig erop te wijzen dat het aanmerken van een handeling als het verlenen van het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 6°, van voornoemd Wetboek en niet als een onroerende verhuur, gebeurt rekening houdende met de eigen aard van die handeling en geenszins afhangt van de publieke en privé-hoedanigheid van de cedent.

Onder die omstandigheden kan er dan ook geen sprake zijn van concurrentieverstoring in het nadeel van privé-ondernemingen die bovenbedoelde handelingen verrichten.

De handelingen inzake onroerende verhuur in de zin van artikel 44, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek verlenen aan de personen die ze verrichten inderdaad nooit recht op aftrek van de voorbelasting ongeacht of het privé-personen dan wel publieke instellingen betreft.

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 442 voorkomens
WBTW art. 181 voorkomen

Administratieve doctrine

7

« … uit te oefenen in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 6°, van het Btw-Wetboek en niet als een onroerende verhuur, gebeurt rekening houdende met de eigen aard van die handeling en geenszins afhangt van de publieke en privé-hoedanigheid van de cedent ( schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.270 van de heer Volksvertegenwoordiger Jean-Pierre de Clippele van 03.11.1994 ). De volgende elementen wijzen eerder op de kwalificatie als een passieve onroerende verhuur: een specifiek onroerend goed wordt ter beschikking gesteld een exclusieve toegang tot de gesloten ruimtes op elk moment een periodieke vergoeding in ruil voor … »

Diensten (01.03.2025), Specifieke topics, Onroerende goederenAdministratieve commentaar18.03.2025

Bekijk de 7 documenten