Heffing op domaniale concessies · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

1259 2 mei 2006

Zoeken

Heffing op domaniale concessies

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1259-heffing-domaniale-concessies-wathelet-7d3d

Nummer
1259
Datum
2 mei 2006

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

19 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 131, blz. 25900-25902

Heffing op domaniale concessies

VRAAG

Op de vraag nr. 1008 van kamerlid Joseph Arens van 24 november 2005 antwoordde u dat in concessie gegeven onroerende goederen op het openbaar domein met ingang van 1 januari 2006 van BTW zouden worden vrijgesteld. U voegde er evenwel aan toe dat u de openbare instellingen had ontheven van de herziening van de BTW-aftrek met betrekking tot de investeringen die aan de datum van de inwerkingtreding van de wijziging van het stelsel voorafgingen ( Vragen en Antwoorden, Kamer, 2005-2006, nr. 112, blz. 21097).

1. Op welke wettelijke bepaling, die op 1 januari 2006 zou moeten zijn ingegaan, is uw antwoord op de vraag nr. 1008 van 24 november 2005 gestoeld ?

2. a) Naar welke gebeurtenis dient te worden verwezen wanneer wordt bepaald welke investeringen vóór 1 januari 2006 plaatsvonden ?

b) Gaat het daarbij om uitgaven die werden gedaan, om de ingebruikname van een gebouw of om nog een andere gebeurtenis ?

3. Zal de ontheffing van de herziening van de BTW-aftrek waarnaar u verwijst ook gelden voor privaatrechtelijke instellingen die onroerende goederen op het openbaar domein bezitten, en dit op grond van hun recht van opstal ?

4. a) Bevestigt u dat de desbetreffende instellingen een volledig recht op BTW-aftrek voor hun investeringen zullen genieten en dat ze tegelijkertijd geen BTW zullen mogen heffen?

b) Worden de concurrerende bedrijven die geen BTW hebben kunnen aftrekken daardoor niet gediscrimineerd?

5. Waarom bent u van oordeel dat het parlement een Europese richtlijn zou hebben geschonden die het mogelijk maakt om in een Belgisch Wetboek, dat definities van Belgisch recht bevat, het begrip «onroerende verhuur» strikter te interpreteren dan in een EU-richtlijn ?

ANTWOORD

(vice-eerste minister en minister van Financiën, 27.07.2006)

1. Het antwoord op de parlementaire vraag nr. 1008 van 24 november 2005 van de heer Volksvertegenwoordiger Joseph Arens steunt niet op een wettelijke bepaling maar op de verduidelijkingen aangebracht door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak C-284/03, Belgische Staat tegen Temco Europe, in haar arrest van 18 november 2004 met betrekking tot de omschrijving van het begrip onroerende verhuur voor de toepassing van de BTW.

2. De investeringen worden geacht 1 januari 2006 vooraf te gaan wanneer de belasting geheven van die investeringen voor die datum opeisbaar is geworden overeenkomstig de bepalingen van de artikels 17 en 22 van het BTW-Wetboek.

4.

a) Ik bevestig het geachte lid dat bepaalde openbare instellingen hun recht op aftrek zullen kunnen behouden en dat deze de domaniale concessies die ze hebben toegekend niet meer aan de belasting dienen te onderwerpen.

b) Wat betreft de eventuele concurrentieverstoring, vestig ik vooreerst de aandacht van het geachte lid op het feit dat het enkel een tijdelijke overgangssituatie betreft, die voortkomt uit de wijziging van het voormalige administratieve standpunt. Aangezien dit in het verleden bepaalde rechtmatige verwachtingen in hoofde van de concessie-verlenende overheden heeft doen ontstaan, verzetten de principes van rechtszekerheid en behoorlijk bestuur zich naar mijn mening tegen elk ander standpunt.

Voor het overige herinner ik het geachte lid er aan dat de wijziging van het stelsel juist een einde stelt aan een zekere ongelijke behandeling tussen de publieke en private organismen. In dat verband verwijs ik het geachte lid naar het antwoord op voornoemde parlementaire vraag van de heer volksvertegenwoordiger Arens.

5. Op dat vlak werden de relevante bepalingen van het BTW-Wetboek nooit in vraag gesteld. Enkel het begrip onroerende verhuur maakte voor de toepassing van de BTW het voorwerp uit van een te beperkte administratieve interpretatie, terwijl het, zoals nog bevestigd door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, een autonoom begrip van het communautair recht betreft, de enige garantie op een uniforme toepassing van de belasting door het geheel van de Lidstaten.

Aangehaalde teksten

3

Administratieve doctrine

1

« … - Verhuur van onroerende goederen - Domaniale concessies - Domaniale haven- en luchthavenconcessies - Arrest Temco Europe In de antwoorden die werden verstrekt op de vragen nr. 1008 van 24 november 2005 van de heer Volksvertegenwoordiger Joseph Arens en nr. 1259 van 2 mei 2006, van de heer Volksvertegenwoordiger Melchior Wathelet , heeft de heer Minister van Financiën het gewijzigde BTW-regime dat van toepassing is op domaniale concessies uiteengezet, rekening houdend met de verduidelijkingen, aangebracht door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in haar arrest van 18 … »

Vrijstellingen, Verhuur van onroerende goederen, Domaniale concessiesAdministratieve beslissing22.11.2006

Bekijk het document