ANTWOORD
Krachtens artikel 45, § 2, van het BTW-Wetboek mag de aftrek in principe niet hoger zijn dan 50 % van de belasting geheven ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, en ten aanzien van de leveringen en diensten met betrekking tot die voertuigen.
De beperking van het recht op aftrek vervat in voormelde bepaling is echter, onder meer, niet van toepassing op voertuigen bestemd om te worden verkocht of te worden verhuurd door een belastingplichtige die een specifieke economische activiteit uitoefent die bestaat, naargelang het geval, in de verkoop (invoerders, concessiehouders, garagehouders, verdelers van automobielen, handelaars in tweedehandse wagens) of in de verhuur van automobielen (leasing daaronder begrepen).
Onder belastingplichtige wiens specifieke economische activiteit bestaat in de verhuur van automobielen worden de eigenlijke verhuurondernemingen sensu strictu verstaan, met name de ondernemingen die naar buiten uit gekend zijn als verhuurders van auto's en die hun diensten aanbieden aan het publiek in het algemeen, zodat al wie een personenauto wenst te huren daarvoor bij een dergelijke onderneming terecht kan.
In het door het geachte lid beoogde geval dienen dus twee situaties te worden onderscheiden.
Indien het verhuurde voertuig met dat doel werd verkregen is de beperking van het recht op aftrek bedoeld in artikel 45, § 2, van toepassing aangezien de bedoelde onderneming geen specifieke verhuring verricht in de zin van hetgeen voorafgaat.
Indien het daarentegen een voertuig betreft welke oorspronkelijk werd bestemd om te worden verkocht, dat wordt verhuurd, is de voormelde beperking niet van toepassing op het ogenblik van de verwerving, maar wordt die nieuwe bestemming gelijkgesteld met een belastbare levering krachtens artikel 12, § 1, 3°, van het voormeld wetboek. De beperking bepaald in artikel 45, § 2, is hier dan ook in dit stadium in principe van toepassing.
Om echter rekening te houden met de specifieke aard van de activiteiten van constructeurs en handelaars in nieuwe voertuigen heeft de administratie een bijzondere regeling ingesteld die in bepaalde omstandigheden, en mits het voldoen van bepaalde voorwaarden, toelaat de heffing van de aldus verschuldigde BTW sterk aan te passen, en de gevolgen van artikel 45, § 2, te annuleren of te beperken.
In essentie leidt voormelde regeling, uiteengezet in de aanschrijving nr. 9 van 30 juli 1985, ertoe dat de belasting niet of slechts op een sterk verlaagde basis geïnd wordt, indien het voertuig uiteindelijk wordt geleverd, respectievelijk, binnen de drie maanden waarop het voor het eerst in het verkeer werd gebracht, of meer dan drie maanden maar minder dan achttien maanden na de datum waarop het voor het eerst in verkeer werd gebracht, zonder dat die termijn in ieder geval verder mag lopen dan 31 december van het jaar dat volgt op dat waarin het voor het eerst in het verkeer werd gebracht.