BTW-carrousel. BTW-plichtige die te goeder trouw is · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

1212 31 maart 2006

Zoeken

BTW-carrousel. BTW-plichtige die te goeder trouw is

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1212-btw-carrousel-plichtige-goeder-trouw-7968

Nummer
1212
Datum
31 maart 2006

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

19 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 122, blz. 23786-23789

BTW-carrousel - BTW-plichtige die te goeder trouw is

VRAAG

Het gebeurt dat belastingplichtigen die geheel te goeder trouw zijn, en die dus een bestaand goed daadwerkelijk hebben gekocht en de leverancier de gevraagde prijs hebben betaald, in het raderwerk van een BTW-carrousel verstrikt raken.

Volledig buiten hun wil om komen deze naïevelingen middenin een BTW-carrousel terecht. Ze meenden te goeder trouw (bij de uitvoer) zaken te doen met ernstige leveranciers en klanten, ze hebben de BTW voorgeschoten, maar wanneer ze deze willen terugvorderen, stoten ze op een weigering van de belastingadministratie, die vermoedt dat fraude in het spel is. Sommigen onder hen konden niet alleen de BTW niet terugvorderen, maar werden bovendien tot het betalen van fikse boetes veroordeeld.

Tot hiertoe hebben de meeste rechtbanken zich gebaseerd op een arrest van het Hof van Cassatie van 12 oktober 2000 om die BTW-plichtigen, die klaarblijkelijk te goeder trouw zijn, te veroordelen. Het Hof heeft geoordeeld dat een overeenkomst die bedoeld is om fraude te plegen jegens derden, te dezen de Staat, wiens rechten worden beschermd door wetten van openbare orde, een ongeoorloofde oorzaak heeft en volstrekt nietig is. Als het algemeen belang in het geding is, is het voldoende dat één van de partijen bij het sluiten van het contract ongeoorloofde oogmerken had en is het niet nodig dat de medecontractant daarvan op de hoogte is.

Naar verluidt zou het Hof van Cassatie in het geding tussen de Belgische Staat en Recolta Recycling BVBA een prejudiciële vraag hebben gesteld aan het Europees Hof van Justitie. Het Hof wordt gevraagd of de Belgische rechtsregel die bepaalt dat de overeenkomst die een ongeoorloofde oorzaak heeft, volstrekt nietig is, er in een dossier van carrouselfraude tevens toe leidt dat de betaalde belasting niet kan worden afgetrokken. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen twee gevallen : dat waarin de koper te goeder trouw handelde en dat waarin hij van de fraude op de hoogte was.

Volgens de advocaat-generaal van het Europees Hof van Justitie zou het Hof moeten antwoorden dat het verlies van het recht op BTW-aftrek in hoofde van de BTW-plichtige die, zonder op de hoogte te zijn van de fraude, goederen aankoopt, die geen deel heeft aan de fraude en er geen enkel voordeel uit haalt, strijdig is met het Europees recht. De advocaat-generaal zou derhalve de volstrekte nietigheid van de verkoopsovereenkomst verwerpen.

Op te merken valt dat het Europees Hof van Justitie in een vergelijkbaar dossier betreffende een Brits bedrijf (Optigen), in een arrest van 12 januari 2006, de belastingaftrek in hoofde van de BTW-plichtige toelaat, omdat deze niet wist dat het om een frauduleuze handelsovereenkomst ging.

1. Kan u een en ander bevestigen ?

2. Is België het eens met de besluiten van de advocaat-generaal bij het Europees Hof van Justitie ?

3. Zo neen, waarom niet ?

4. Zo ja, meent u niet dat de Belgische rechtbanken de BTW-plichtigen die te goeder trouw in een BTW-carrousel verstrikt raakten, niet langer kunnen straffen en dat de belastingadministratie niet langer het recht op belastingaftrek kan verwerpen ?

5. Wat zijn de gevolgen van het Optigen-arrest van 12 januari 2006 voor BTW-plichtigen die te goeder trouw in een BTW-carrousel verstrikt raakten en die al een veroordeling opliepen ?

ANTWOORD

(vice-eerste minister en minister van Financiën, 18.05.2006)

Ik bevestig u dat in de aangelegenheid welke u inroept het Hof van Cassatie verscheidene prejudicie¨le vragen gesteld heeft aan het Europees Hof van Justitie ten einde te vernemen of de Belgische rechtsregel volgens welke de absolute nietigheid geldt van het contract met een ongeoorloofde oorzaak, een beletsel opleverde voor het recht op aftrek van de betaalde belasting naar gelang de belastingplichtige gecontracteerd heeft te goeder trouw dan wel deel heeft genomen aan de fraude.

Het Europees Hof van Justitie moet zich nog uitspreken in deze aangelegenheid evenals in een andere aangelegenheid met hetzelfde onderwerp welke zij met de beslissing van 28 januari 2005 hiermee heeft samengevoegd en die haar werden voorgelegd door het Hof van Cassatie. Twee andere gelijkaardige aangelegenheden werden opnieuw voorgelegd door het Hof van Cassatie aan het Hof van Justitie. Deze heeft de procedure daarvan opgeschort tot het arrest in de twee samengevoegde aangelegenheden zal zijn uitgesproken.

Het zou dus voorbarig zijn om een officieel en definitief standpunt in te nemen op grond van de conclusies van de advocaat-generaal en dat voordat het Hof van Justitie haar beslissing zal hebben uitgesproken in voormelde aangelegenheden.

Het is mij derhalve niet meer mogelijk om mij uit te spreken op grond van het ene arrest Optigen van 12 januari 2006 om de conclusies te trekken in het Belgisch recht ten aanzien van de personen die reeds veroordeeld geweest zijn voor hun al dan niet bewuste deelname aan fraudecarrousels. Er blijkt immers uit twee recente andere arresten van het Hof van Justitie (EhvJ, 21 februari 2006, zaak C-255/02 in de zaak Halifax plc en cons.; EhvJ, 21 februari 2006, zaak C-223/03 in de zaak University of Huddersfield) dat de belastingplichtige de BTW welke hij voldaan heeft niet in aftrek kan brengen wanneer de handeling waarop zijn aftrekrecht is gebaseerd een rechtsmisbruik uitmaakt. De aftrek van deze BTW kan derhalve worden verworpen.

Aangehaalde teksten

2