Beknopt Verslag, Kamercommissie Financiën, Com 952, blz. 5-8
BTW-carrousels - Goede trouw
VRAAG
Op 12 oktober 2000 stelde het Hof van Cassatie, in een zaak betreffende het recht op aftrek van een belastingplichtige die te goeder trouw en onvrijwillig betrokken geweest was bij een BTW-carrousel, dat een overeenkomst die tot doel heeft fraude jegens derden - in casu de Staat - te organiseren, uit een ongeoorloofde oorzaak is aangegaan en dus volstrekt nietig is. Daar het om het algemeen belang gaat, is het voldoende dat een van de partijen de overeenkomst is aangegaan met een ongeoorloofd oogmerk, en hoeft de medecontractant daar niet noodzakelijk van op de hoogte te zijn.
Een aantal handelaars die goederen aangekocht hebben die "besmet" waren doordat ze gebruikt waren in een BTW-carrousel, zitten nu met de handen in het haar. De fiscus wordt geconfronteerd met insolvente fraudeurs en beroept zich op het voormeld arrest van het Hof van Cassatie om die bonafide belastingplichtigen aan te pakken en hun recht op aftrek ter discussie te stellen, terwijl zij eigenlijk argeloze slachtoffers zijn van dit fraudemechanisme.
Het Europese Hof van Justitie heeft onlangs een standpunt ingenomen dat de zienswijze die de Belgische belastingadministratie sinds het arrest van het Hof van Cassatie van 12 oktober 2000 consequent volgt, geheel op losse schroeven zet. In het arrest-Optigen besluit het Hof dat een BTW-plichtige het recht om de vroeger betaalde BTW af te trekken behoudt en dat zijn eigen verrichtingen niet als frauduleus kunnen worden aangemerkt als hij niet wist of kon weten dat een bij andere, voorafgaande of daaropvolgende verrichting wel BTW-fraude gepleegd werd.
Het Belgische Hof van Cassatie heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een aantal prejudiciële vragen gesteld over verscheidene carrouseldossiers in België. De advocaat-generaal van het Europese Hof van Justitie heeft zijn conclusies op 14 maart 2006 overgelegd en suggereert het Hof om nog een stap verder te zetten op het stuk van het neutraliteitsprincipe van de BTW dat door de aftrek gewaarborgd wordt. Dat een BTW-plichtige die goederen verwerft zonder op de hoogte te zijn van de door de verkoper gepleegde fraude, daardoor zijn recht op aftrek van de BTW zou verliezen, kan niet volgens het Europese recht. Dat principe geldt trouwens ook wanneer de BTW-plichtige wel op de hoogte is van de fraude, maar er niet aan meedoet en er geen profijt van trekt, aldus nog de advocaatgeneraal.
In België berust het carrouselsysteem al jaren op de afgifte, door de BTW-administratie, van een toestemming tot vrijstelling zoals indertijd omschreven in artikel 43 van het BTW-Wetboek. Die toestemmingen werden vaak erg lichtvaardig verleend, zonder voorafgaand onderzoek, aan belastingplichtigen die nog nooit goederen uitgevoerd hadden of die in een BTW-geschil gewikkeld waren. Wij denken hier bijvoorbeeld aan de zaak-Recolta Recycling.
Die vennootschap had nog nooit goederen uitgevoerd, had schulden ten aanzien van de BTW-administratie en had zelfs de toelating gekregen om die schulden gespreid terug te betalen. In het licht daarvan houden de personen die te goeder trouw het slachtoffer werden van die carrousels en aan wie de BTW-aftrek werd geweigerd, de Belgische Staat aansprakelijk of zouden ze zulks kunnen doen.
In een andere zaak van carrouselfraude stelde het hof van beroep van Luik eveneens de fout van de administratie aan de kaak, die die toestemmingen al te lichtzinnig verleende.
Al die elementen kunnen de staatsbegroting bezwaren.
Welke houding zal de administratie voortaan aannemen ten aanzien van aansprakelijkheidsvorderingen vanwege slachtoffers van carrouselfraude ?
Zal ze doorgaan met de procedures die moeten beletten dat belastingplichtigen die te goeder trouw goederen aankochten die "aangetast" werden door een carrouselfraude, de BTW-aftrek kunnen genieten of zal ze daarvan afzien ?
Welke houding zal de administratie aannemen naar aanleiding van de verzoeken tot herziening of tot intrekking die zouden kunnen worden ingediend met het oog op een herziening van de beslissingen die intussen gezag van gewijsde hebben ? Welke maatregelen zal de Belgische Staat nemen om het leed van sommige belastingplichtigen te lenigen, die geruïneerd zijn omdat de BTW-aftrek hun, in strijd met de Europese beginselen op het stuk van de BTW, werd geweigerd ?
ANTWOORD
(van de heer Reynders, minister van Financiën)
Het klopt dat het Hof van Cassatie in de zaken van BTW-carrouselfraude, meer bepaald in de Kittel- en de Recolta Recycling-dossiers, verscheidene prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Europese Hof van Justitie, om te weten of de Belgische rechtsregels die bepalen dat een overeenkomst die een ongeoorloofde oorzaak heeft, volstrekt nietig is, een beletsel vormen voor de aftrek van de betaalde belasting, waarbij een onderscheid wordt gemaakt naargelang de belastingplichtige de overeenkomst te goeder trouw heeft gesloten dan wel deel had aan de fraude.
Het Hof van Justitie moet zich nog uitspreken in die twee zaken, die ze bij beschikking van 28 januari 2005 heeft samengevoegd. Twee andere vergelijkbare zaken werden door het Hof van Cassatie eveneens aan het Hof van Justitie voorgelegd. Dit laatste heeft de procedure evenwel geschorst in afwachting van de uitspraak van het arrest in de twee samengevoegde zaken. Het zou bijgevolg voorbarig zijn een officieel en definitief standpunt in te nemen op basis van de besluiten van de advocaat-generaal, vóór het Hof van Justitie in de voormelde zaken een beslissing heeft genomen.
Het is eveneens onmogelijk, louter op grond van het Optigen-arrest van 12 januari 2006, uitspraken te doen over de gevolgen in het Belgisch recht ten aanzien van personen die reeds werden veroordeeld wegens hun al dan niet bewuste deelname aan een carrouselfraude.
Uit twee andere recente arresten van het Hof van Justitie blijkt immers dat de BTW-plichtige de door hem betaalde BTW niet in mindering kan brengen, indien de operatie die aanleiding geeft tot zijn recht op aftrek, een wanpraktijk zou zijn. In dat geval kan de BTW-aftrek dus verworpen worden.
Tot slot, in een arrest van 16 maart 2006 stelt het Hof dat een nationale rechtbank in principe een in laatste instantie gewezen gerechtelijke uitspraak niet opnieuw mag onderzoeken en vernietigen, zelfs indien ze strijdig zou blijken met het gemeenschapsrecht. Wanneer de arresten worden uitgesproken, zullen we er de nodige besluiten uit trekken.
In de programmawet hebben we een aantal bepalingen in verband met de BTW opgenomen, die onder meer over het misbruik van rechten en de betaling van BTW gaan. We zullen het probleem voor een deel via de programmawet kunnen oplossen.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.