Kamer, Vragen en Antwoorden, 2016-2017, QRVA 54/103 d.d. 27.01.2017, blz. 243
De btw-aspecten inzake de deeleconomie.
VRAAG
Tijdens de bespreking van de programmawet I in de Kamercommissie Financiën kon ik u ondervragen over enkele aspecten van de deeleconomie. Ik kom terug op enkele vragen die ik toen gesteld had, aangezien ik daar graag meer duiding over zou willen hebben.
Op het gebied van de btw-aspecten van de regeling inzake de deeleconomie hebben verschillende experten zich al gebogen over de verscheidene interpretatieproblemen die zouden kunnen rijzen uit de technische uitwerking van deze bepalingen.
1. Zo wordt er bepaald dat het niet mag gaan om inkomsten die worden behaald uit een "economische activiteit". Deze notie in de btw is anders dan de notie "beroepswerkzaamheid", zoals bij de inkomstenbelasting. In het geval van de btw hoeft een economische activiteit geen "beroepsactiviteit" te zijn:
a) Kan u zeggen wat er bijvoorbeeld gebeurt met iemand die reeds volgens de normale regels als btw-plichtige geïdentificeerd is, en die naast zijn ''beroepswerkzaamheid'' ook andere diensten wil verstrekken?
b) Bijvoorbeeld: een advocaat wil in zijn vrije tijd via een erkend online platform zijn diensten aanbieden als hobbykok. Normaal valt hij dan buiten het toepassingsgebied van het btw-luik van het fiscale gunststelsel van de "deeleconomie". Hij kan de vrijstelling van btw-identificatie immers niet ge¬nieten, want hij is als advocaat al voor btw-doeleinden geïdentificeerd. Het wetsontwerp zegt niets over het feit of hij op zijn diensten als "hobbykok" dan wel btw moet aanrekenen. Bijgevolg kan men niet anders dan toepassing maken van de algemene btw-regels en kan men slechts besluiten dat er geen btw van toepassing zal zijn als de activiteit van (in het voorbeeld) ''hobbykok'' geen ''economische activiteit'' is.
Kan u deze zienswijze bevestigen?
2. Zo is het verder ook verwarrend en in se tegenstrijdig, want om voor het luik deeleconomie in aanmerking te komen, moet men een btw-plichtige zijn die de ''kleine ondernemingsregeling'' geniet, wat per definitie veronderstelt dat men een ''economische activiteit'' heeft (want anders heeft men niet de hoedanigheid van btw-plichtige, en valt men zonder meer buiten het toepassingsgebied van de ''kleine ondernemingsregeling''), maar tegelijk wordt voor de toepassing van het btw-luik van het fiscale gunststelsel van de "deeleconomie" vereist, dat "de diensten worden verricht voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit van de belastingplichtige". Uiteindelijk komt dit erop neer, dat men de wat vreemde hoedanigheid moet hebben van ''niet-btw-plichtige btw plichtige'', wat een contradictio in terminis lijkt te zijn: a) Kan u deze zienswijze bevestigen?
b) Indien ja, zal er verdere verduidelijking komen in bijkomende aanpassingen of via circulaire?
3. Verder gaat het btw-luik ervan uit, dat enkel ''diensten'' in aanmerking komen. Inzake inkomstenbelastingen laat de memorie van toelichting verstaan, dat het bereiden van maaltijden, die vervolgens aan huis bezorgd worden, of die afgehaald worden, in deze context als een "dienst'' moet worden aangemerkt (zie hoger). Op het gebied van de btw wordt een meer genuanceerd onderscheid gemaakt en valt het niet uit te sluiten dat de verrichting minstens in een aantal gevallen eerder als een 'levering'' van goederen, dan als een ''dienst'' moet worden aangemerkt:
a) Kan u deze zienswijze bevestigen?
b) Indien ja, zal er verdere verduidelijking komen met enkele aanpassingen of via circulaire?
ANTWOORD
van de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude van 24.01.2017,
1. De regeling deeleconomie heeft inzake btw ten gronde een andere finaliteit dan inzake directe belastingen. Inzake directe belastingen wordt de vereenvoudiging van de kwalificatie en de taxatie van bepaalde inkomsten beoogd, terwijl inzake btw de regeling de vereenvoudiging van bepaalde administratieve verplichtingen tot doel heeft.
Op het vlak van btw voorziet de regeling deeleconomie er in dat de administratie, in afwijking van de normale regels inzake identificatie van btw-belastingplichtigen, geen btw-identificatienummer toekent aan de natuurlijk persoon op wie de in artikel 56bis van het Btw-Wetboek bedoelde bijzondere vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen van toepassing is en voor zover die persoon uitsluitend diensten verricht die voldoen aan een aantal bijkomende voorwaarden opgenomen in artikel 50, § 4, van het Btw-Wetboek.
In die zin kan de bijzondere regeling deeleconomie op het vlak van btw worden beschouwd als een sub-regeling van de bijzondere vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen met bijkomende toepassingsvoorwaarden waaronder een lagere drempelvoorwaarde.
Voor toepassing ervan is immers vereist dat de omzet die bestaat uit de vergoedingen voor de diensten die het voorwerp zijn van de desbetreffende regeling per jaar niet meer bedraagt dan 3.255 euro (niet geïndexeerd bedrag; thans 5.000 euro geïndexeerd).
De aanvullende administratieve vereenvoudiging kon inderdaad maar worden bewerkstelligd op een manier die conform was met de richtlijn 2006/112/EG indien zij werd ingebed in de bestaande vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen.
De natuurlijk persoon die - naast de werkzaamheid bedoeld in de regeling deeleconomie - nog een andere werkzaamheid uitoefent die niet wordt beoogd door die regeling en waarvoor hij voor btw-doeleinden moet worden geïdentificeerd op grond van de normale regels inzake identificatie, kan zich niet beroepen op de ontheffing van identificatieverplichting bedoeld in artikel 50, § 4, van het Btw-Wetboek.
De ontheffing is immers slechts mogelijk voor de natuurlijk persoon die "uitsluitend" diensten verricht die zijn bedoeld in artikel 50, § 4, van het Btw-Wetboek.
De advocaat die naast zijn hoofdactiviteit, waarvoor hij overeenkomstig de normale regels voor btw-doeleinden moet worden geïdentificeerd, zijn diensten aanbiedt via een erkend platform als hobbykok, kan zich bijgevolg niet beroepen op de ontheffing van identificatieverplichting bedoeld in artikel 50, § 4, van het Btw-Wetboek.
Er wordt benadrukt dat de regeling deeleconomie inzake btw geenszins tot doel heeft de regels inzake belastingheffing te wijzigen.
De werkzaamheid die wordt verricht door een natuurlijk persoon in het kader van de regeling deeleconomie en die wordt aangemerkt als een economische activiteit in de zin van artikel 4 van het Btw-Wetboek kan van de belasting worden vrijgesteld op grond van de in artikel 56bis bedoelde bijzondere vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen, voor zover althans alle voorwaarden voor toepassing van die regeling zijn vervuld.
Voor toepassing van de bijzondere vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen is vereist dat de in België gerealiseerde jaaromzet niet meer bedraagt dan 25.000 euro.
Indien één en dezelfde belastingplichtige verscheidene economische werkzaamheden uitoefent in de zin van artikel 4 van het Btw-Wetboek dient, voor de berekening van de desbetreffende drempel, rekening te worden gehouden met het totaalbedrag van de omzetcijfers gerealiseerd in de verschillende uitgeoefende werkzaamheden.
In het geval een natuurlijk persoon bijgevolg zowel een werkzaamheid van advocaat (hoofdactiviteit) als een werkzaamheid van hobbykok uitoefent in de zin van artikel 4 van het Btw-Wetboek (bijkomende activiteit) dient zowel de omzet van hoofdactiviteit als van de bijkomende activiteit in aanmerking te worden genomen voor de berekening van voormelde drempel van 25.000 euro.
Indien de drempel van 25.000 euro wordt overschreden of indien, in het geval de drempel niet wordt overschreden, de belastingplichtige niet opteert voor de toepassing van bijzondere vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen, zal dit voor gevolg hebben dat voor beide uitgeoefende werkzaamheden (hoofdactiviteit en bijkomende activiteit) de belasting is verschuldigd.
De vraag of een persoon de hoedanigheid heeft van een als zodanig handelend btw-belastingplichtige in de zin van artikel 4 van het Btw-Wetboek, op wie de regeling deeleconomie van toepassing kan zijn, blijft evenwel een feitenkwestie. De bijzondere regeling neemt op zich immers geen stelling in omtrent de principiële belastingplicht van personen die actief zijn in de deeleconomie.
Belastingplichtige is eenieder die, op ongeacht welke plaats, zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit.
De beoordeling van die hoedanigheid berust op een geheel van elementen zoals de aard en het aantal van de handelingen, de wijze waarop en de context waarin de handelingen worden verstrekt, de opbrengsten die uit de uitbating worden verkregen alsook het al dan niet bestaan van actieve handelingen inzake commercialisering.
Een natuurlijk persoon die geregeld diensten aan particulieren aanbiedt waarvan hij de aard, de beschikbaarheid en de gevraagde vergoeding kenbaar maakt aan potentiële klanten via een elektronisch platform (de marktplaats) wordt in principe aangemerkt als een belastingplichtige in de zin van artikel 4 van het Btw-Wetboek.
2. De draagwijdte van het begrip economische activiteit als bedoeld in artikel 50, § 4, 2°, van het Btw-Wetboek dient te worden vastgesteld rekening houdend met de algemene economie van het Btw-Wetboek en de context waarin het begrip wordt gebruikt.
Meer in het bijzonder moet rekening worden gehouden met het feit dat slechts btw-belastingplichtigen die een economische activiteit uitoefenen in de zin van artikel 4 van het Btw-Wetboek bedoeld zijn in artikel 50, § 4, van het Btw-wetboek.
Uit de memorie van toelichting met betrekking tot het ontwerp van programmawet van 2 juni 2016 blijkt bovendien dat de regeling deeleconomie vertrekt vanuit het concept beroepsactiviteit zoals dat geldt inzake directe belastingen. Dat concept blijft evenwel vreemd aan de btw wetgeving (Kamer, Doc 54, nr. 1875/001).
De opname in de btw-wetgeving van de voorwaarde dat de diensten moeten worden verricht voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit van de belastingplichtige dient dan ook vanuit dat oogpunt te worden begrepen.
De bepaling heeft, enerzijds, tot doel de synergie met de regeling deeleconomie op het vlak van directe belastingen tot stand te brengen maar houdt, anderzijds, rekening met de specifieke terminologie die geldt op het vlak van btw.
Artikel 50, § 4, 2°, van het Btw-Wetboek kan dan ook slechts derwijze worden geïnterpreteerd dat het de handelingen viseert die voor de toepassing van de regels inzake directe belastingen niet als een beroepsactiviteit worden aangemerkt.
Het begrip economische activiteit in de zin van artikel 50, § 4, 2°, van het Btw-Wetboek is bijgevolg een autonoom begrip met een eigen betekenis dat geenszins op dezelfde wijze wordt uitgelegd als het begrip economische activiteit bedoeld in artikel 4 van het Btw-Wetboek.
3. Hoewel het een levering betreft als bedoeld is in artikel 10, § 1, van het Btw-Wetboek wordt door de administratie aanvaard, uitsluitend met het oog op de toepassing van de regeling deeleconomie, dat de handeling die bestaat uit het bereiden van maaltijden die vervolgens aan huis worden geleverd of bij de bereider thuis worden afgehaald, op het vlak van btw toch onder de toepassing van die regeling valt.
De particulier die daarentegen de maaltijden niet bereidt en slechts pakketten voedingswaren aanbiedt die aan huis worden geleverd of worden afgehaald wordt daarentegen niet beoogd door die regeling.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.