Commanditaire vennootschappen. Onroerend-goedverrichtingen · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

1003 17 mei 2002

Zoeken

Commanditaire vennootschappen. Onroerend-goedverrichtingen

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1003-commanditaire-vennootschappen-onroerend-goedverrichtingen-anthuenis-551f

Nummer
1003
Datum
17 mei 2002

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

13 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 2001-2002, nr. 138, blz. 17391-17393

Commanditaire vennootschappen - Onroerend-goedverrichtingen

VRAAG

Nogal wat families hebben, volkomen wettelijk, commanditaire vennootschappen opgericht voor het beheer, bouwen, aanschaffen, verkopen, verhuren, enzovoort van hun onroerende goederen. De statuten van een dergelijke vennootschap luiden meestal als volgt:

"Zowel voor haar eigen rekening als voor derden, in België en/of in het buitenland, alleen of in samenwerking met derden om het even welke industriële, handels, financiële, roerende of onroerende handelingen stellen die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op het oordeelkundig beheer van roerend of onroerend patrimonium. Zij mag onder meer onroerende goederen aankopen, laten bouwen, laten uitrusten, ombouwen, verkopen en vervreemden; zij mag tevens beschikbare middelen beleggen in onroerende en roerende goederen en waarden. Tevens kan zij optreden als bouwpromotor, waarbij zij de coördinatie waarneemt van alle aannemingen en onderaannemingen van alle bouwwerken in de ruimste zin. Zij mag voor derden onroerende goederen beheren." Deze activiteit komt volledig overeen met de geregelde economische activiteit die het BTW-Wetboek in artikel 4, §§ 1 en 2, omschrijft als beroepsactiviteit en waardoor deze juridische personen behoren tot groep 1.

Dat deze economische activiteit ook geregeld wordt uitgeoefend is evident, zoniet zou het zinloos zijn een CVA op te richten.

Niettemin passen sommige controleurs een restrictieve interpretatie van de wet toe en verwijzen zij dergelijke CVA's naar de categorie toevallige oprichters. Dit heeft voor gevolg dat de BTW bij de oprichting moet worden betaald en bij de eventuele verkoop wordt terugbetaald. In het eerste geval wordt de BTW betaald bij de verkoop door de kopers of na het verstrijken van de termijn bij niet-verkoop. Het sterke vermoeden bestaat dat de negatieve interpretatie berust op doctrinaire opstellingen van personen die het eigendomsrecht niet zo gunstig gezind zijn.

1. Wat is uw standpunt met betrekking tot deze aangelegenheid?

2. Welke maatregelen stelt u in het vooruitzicht teneinde de rechtszekerheid voor de belastingplichtige te waarborgen?

ANTWOORD

1. De personen die geregeld de gebouwen die zij hebben opgericht of laten oprichten of met voldoening van de belasting hebben verkregen, uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van die gebouwen, onder bezwarende titel vervreemden, of ze met een zakelijk recht bedoeld in artikel 9, tweede lid, 2° van het BTW-Wetboek bezwaren of die het met voldoening van de BTW te hunnen bate gevestigde of aan hun overgedragen bedoelde zakelijk recht binnen dezelfde termijn overdragen of wederoverdragen, worden algemeen als beroepsoprichter of bouwpromotor bedoeld in artikel 12, § 2, van het BTWWetboek aangeduid en hebben de hoedanigheid van belastingplichtige in de zin van artikel 4 van voornoemd wetboek.

De door het geachte lid beoogde commanditaire vennootschappen die geregeld gebouwen die ze hebben opgericht, hebben laten oprichten of met voldoening van de belasting hebben verkregen, binnen de in voorgaand lid bedoelde termijn onder bezwarende titel vervreemden, worden aangemerkt als beroepsoprichter en verrichten een economische activiteit in de zin van artikel 4 van voornoemd wetboek. In feite verkrijgen bedoelde personen de hoedanigheid van belastingplichtige van zodra ze door ondubbelzinnige daden de wil uiten geregeld nieuwe gebouwen te leveren, zonder dat het ontstaan van die belastingplicht nog afhangt van de daadwerkelijke uitvoering. De BTW geheven van de aan deze commanditaire vennootschappen geleverde goederen en verleende diensten met betrekking tot bedoelde activiteit kan ingevolge artikel 45, § 1 onder voorbehoud van de uitsluitingen en beperkingen van het recht op aftrek bepaald in artikel 45, §§ 2, 3 en 4 van het BTWWetboek in aftrek gebracht worden van zodra de in voorgaand lid bedoelde daden worden gesteld. De BTW geheven van goederen en diensten met betrekking tot gebouwen die bestemd zijn om te worden verhuurd mag in geen geval in aftrek gebracht worden, vermits de verhuur van een uit zijn aard onroerend goed een krachtens artikel 44, § 3, 2°, van voormeld wetboek vrijgestelde handeling is, waarvoor, overeenkomstig artikel 45, § 1, van voornoemd wetboek geen recht op aftrek bestaat. Aangezien het geachte lid blijkbaar een concreet geval beoogt, ben ik steeds bereid een onderzoek te laten instellen, indien mij de identiteit van bedoelde belastingplichtige en de gegevens eigen aan de zaak worden meegedeeld.

2. Met het oog op de gelijke behandeling van alle belastingplichtigen, zal ik niet nalaten de BTWcontrolekantoren attent te maken op het hiervoor uiteengezette standpunt.

Aangehaalde teksten

4
WBTW art. 121 voorkomen
WBTW art. 441 voorkomen
WBTW art. 451 voorkomen
WBTW art. 91 voorkomen