AANSCHRIJVING 78-031/2
Aanschrijving nr. 31 dd. 17.10.1978
Bijzondere regeling
Forfaitaire regeling
Forfait
Normale regeling
Voorraad
Overgang van belastingregeling
Inventaris
Inventaris van de voorraad
Optie voor de normale regeling
Wijziging van belastingregeling
Teruggaaf
Recht op teruggaaf
Hoofdstuk 2 - Overgang van de forfaitaire regeling naar de normale regeling van de belasting.
Optiemogelijkheid.
23. Volgens artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 2, gewijzigd door artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 februari 1978 "kan de belastingplichtige die aan de forfaitaire regeling is onderworpen opteren voor de normale regeling van de belasting. In dat geval kan hij overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk besluit nr. 1, van 23 juli 1969, ontheffing genieten van de verplichting tot het voeren van een gedetailleerde boekhouding.
"De optie moet worden gedaan voor 15 maart bij aangetekende brief gericht aan het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarden waaronder de belastingplichtige ressorteert. Zij heeft uitwerking vanaf 1 april van hetzelfde jaar".
Verplichting om van regeling te veranderen.
24. Artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 2 voorziet dat "de belastingplichtige die de voorwaarden niet meer vervult om te worden belast volgens de forfaitaire regeling wordt onderworpen aan de normale regeling van de belasting te rekenen van 1 januari van het jaar na dat waarin zijn toestand werd gewijzigd."
Gevolgen van de overgang van de forfaitaire regeling naar de normale regeling van de belasting.
25. De goederen in voorraad op het tijdstip van de overgang hebben, in beginsel, naarmate van hun aankoop of hun invoer, een vervroegde taxatie ondergaan. Vermits die goederen in de normale regeling van de belasting komen, moeten zij ontheven worden van hun forfaitaire belasting, volgens de regels voorzien in artikel 10 van het koninklijk besluit nr. 2. Om deze ontheffing te bekomen, moet de belastingplichtige een inventaris van overgang opmaken, die toelaat de belasting die uit de toepassing van de forfaitaire regeling voortvloeit, te bepalen.
Eerste afdeling - Opmaken van een inventaris. Reglementaire bepalingen die het opmaken van een inventaris voorschrijven.
26. Artikel 10, § 1, derde lid, van het koninklijk besluitnr. 2, voorziet dat "de teruggaaf ondergeschikt is aan de indiening bij het controlekantoor waaronder de belastingplichtige ressorteert, van een inventaris van de voorraad, in twee exemplaren, binnen een maand na de datum waarop de inventaris werd afgesloten."
Vorm en bestemming van de inventaris.
27. De bepalingen vervat onder de nrs. 6 tot 10 hiervoor zijn van toepassing op onderhavig geval, onder dit voorbehoud nochtans dat de inventaris overeenkomstig hetgeen werd gezegd onder nr. 26 binnen een maand (en niet binnen drie maand) na de overgang bij het controlekantoor moet worden ingediend.
Afdeling 2 - Teruggaaf van het bedrag van de forfaitaire belasting.
Vaststelling van het bedrag van de forfaitaire belasting.
28. De terug te geven forfaitaire belasting wordt bepaald volgens het hiernavolgende onderscheid.
A. De belastingplichtige, onderworpen aan de forfaitaire regeling, maakte jaarlijks inventarissen op waarmede rekening werd gehouden voor de berekening van de BTW.
29. Wanneer de belastingplichtige onderworpen aan de forfaitaire regeling jaarlijks een inventaris van zijn voorraad opmaakt, wordt de forfaitaire taxatie van zijn aankopen elk jaar herzien om rekening te houden met het verschil in voorraad dat blijkt uit de vergelijking van twee opeenvolgende inventarissen (z. art. 91, 3de lid, van het kon. besl. nr. 2). Daaruit volgt dat:
1° de voorraad die uit de laatst opgemaakte jaarlijkse inventaris blijkt, ontheven is van elke belasting;
2° in de beoogde toestand, in geval van overgang van de forfaitaire naar de normale regeling, de teruggaaf beperkt wordt tot de voorraadvermeerdering in vergelijking met de laatst opgemaakte inventaris (z. art. 10, § 2, 2, van het kon. besl. nr. 2).
30. De overgang naar de normale regeling geeft dus, in het beoogde geval, slechts aanleiding tot teruggaaf, indien de vergelijking tussen de laatste jaarlijkse inventaris en de inventaris van overgang (z. nr. 27) voor één of meerdere welbepaalde koopwarengroepen, een voorraadvermeerdering doet uitschijnen. De terug te geven belasting wordt dan per koopwarengroep berekend op de vastgestelde waardevermeerdering volgens de forfaitaire coëfficiënt van het jaar van de overgang en tegen het voor dat jaar toepasselijke tarief.
Men mag niet uit het oog verliezen dat indien de vergelijking van de inventarissen een voorraadvermindering laat uitschijnen niet alleen elke teruggaaf moet worden geweigerd, maar dat de belastingplichtige dan aan de Staat een belastingsupplement moet storten, dat berekend wordt over de vastgestelde waardevermindering .
De te regulariseren sommen worden berekend op de manier voorzien onder nr. 19.
31. De regularisatie waarvan sprake in het voorgaande nr. moet door de belastingplichtige worden verricht in de periodieke aangifte met betrekking tot het tijdperk waarin de overgang plaatsvond (2de kwartaal van het burgerlijk jaar in het geval bedoeld onder nr. 23; 1ste kwartaal in het geval bedoeld onder nr. 24). De belastingplichtige voegt bij die aangifte een stuk waarin hij per koopwarengroep de elementen van de berekening samenvat en waarin hij het eindresultaat rechtvaardigt.
B. De belastingplichtige, onderworpen aan de forfaitaire regeling, maakt voor zijn overgang naar de normale regeling geen jaarlijkse inventarissen op.
32. In deze onderstelling, moet het hiernavolgend onderscheid worden gemaakt.
a) De belastingplichtige begon zijn werkzaamheid na 1 januari 1971.
33. De teruggaaf slaat op al de goederen in voorraad op het tijdstip van de overgang die, bij hun aankoop of hun invoer, de vervroegde taxatie onder de forfaitaire regeling hebben ondergaan.
34. Het bedrag van de teruggaaf moet overeenstemmen met de forfaitaire belasting die de bedoelde goederen werkelijk heeft getroffen. Voor de wedersamenstelling van die belasting, moet dus rekening worden gehouden:
•met de grondslag van de belasting (in principe de inkoopprijs) waarvan is uitgegaan om de forfaitaire taxatie te berekenen;
•met de forfaitaire coëfficiënten die van toepassing waren voor het jaar van de aankoop van vermelde goederen (definitieve coëfficiënten moeten slechts worden toegepast wanneer ze de jaaromzet met minstens 2 pct. hebben gewijzigd en dus aanleiding hebben gegeven tot herziening op grond van artikel 7, 3de lid, van het koninklijk besluit nr. 2);
•met het BTW-tarief dat van toepassing was bij de aankoop of de invoer van vermelde goederen.
Voorbeeld. De belastingplichtige was onderworpen aan de forfaitaire regeling toepasselijk op de detaillisten in ijzerwaren. Uit zijn inventaris blijkt dat, op het moment van de overgang, zijn voorraad bestond uit koopwaren behorende tot de koopwarengroep 31, aangekocht in 1978 voor een totaal bedrag exclusief BTW van 30.000 F, en aangekocht in 1977 voor een totaal bedrag exclusief BTW van 5.000 F.
Voor die koopwarengroep beloopt de terug te geven belasting:
1978: 30.000 x 1,33 x 16 % = 6.384 1977: 5.000 x 1,33 x 18 % = 1.197 ----- 7.581 F
b) De belastingplichtige begon zijn werkzaamheid voor 1 januari 1971 en heeft de ontheffing van de voorraad bedoeld in artikel 99 van hel Wetboek aangevraagd.
35. Krachtens artikel 10, § 2, van het koninklijk besluit nr. 2, wordt de teruggaaf beperkt tot de belasting die betrekking heeft op de vermeerdering van de voorraad ten opzichte van die welke blijkt uit de inventaris die, ter uitvoering van artikel 99 van het Wetboek, werd opgemaakt om de ontheffing te berekenen. Om de waarde te bepalen van de goederen in voorraad op 31 december 1970, neemt men de berekeningsgrondslag van de ontheffing, verminderd met het bedrag van die ontheffing .
36. Om in de praktijk het bedrag van de terug te geven belasting over de voorraadvermeerdering te bepalen, berekent men eerst, op de wijze vermeld onder de nrs. 33 en 34, het bedrag dat men zou teruggegeven hebben voor al de in de inventaris van overgang opgenomen goederen die de vervroegde for-faitaire taxatie hebben ondergaan en men vermenigvuldigt vervolgens het bekomen bedrag met een breuk waarvan de teller het verschil is tussen de voorraad op het ogenblik van de overgang en de voorraad op 31 december 1970 en de noemer de voorraad op het ogenblik van de overgang.
Voorbeeld. Op 31 december 1970 bedroeg de voorraad voor een bepaalde koopwarengroep 300.000 F en op het ogenblik van de overgang 400.000 F. Er wordt verondersteld dat het terug te geven bedrag 72.400 F beloopt voor de geheelheid van de voorraad op het tijdstip van de overgang. De terug te geven belasting over de voorraadvermeerdering bedraagt: 72.400 x (400.000 - 300.000)/400.000 = 18.100 F.
c) De belastingplichtige begon zijn werkzaamheid voor 1 januari 1971 en heeft de ontheffing van de voorraad bedoeld in artikel 99 van het Wetboek niet aangevraagd.
37. Krachtens artikel 10, § 2, 1, van het koninklijk besluit nr. 2, wordt de voorraad bestaande op het ogenblik van de overgang naar de normale regeling van de belasting geacht niet te zijn vermeerderd in vergelijking met die welke bestond op 31 december 1970 wanneer, bij gebrek aan een aanvraag voor ontheffing van de voorraden, de oorspronkelijke voorraad niet bekend werd gemaakt.
38. Die wettelijke fictie belet, in principe, elke teruggaaf in de beoogde toestand. De administratie wijkt evenwel billijkheidshalve van die regel af door de belastingplichtige toe te laten het bewijs te leveren van een vermeerdering van zijn voorraden in de klaarblijkende gevallen waarin het bedrag van deze laatste onvermijdelijk beïnvloed werd door een uitbreiding van de zaak (opening van een nieuwe winkel, uitbreiding van de winkel, toevoeging van een nieuwe sector van werkzaamheid, gevoelige toename van het bedrag der aankopen).
39. Wanneer de belastingplichtige het gevraagde bewijs levert ter voldoening van de administratie, stelt deze laatste vast in welke mate de voorraadvermeerdering aanvaardbaar is en bepaalt ze de voorraadvermeerdering op een percentage van de bij de overgang geïnventariseerde voorraad.
40. Om het bedrag van de terugbetaalbare belasting te bepalen, past men dit percentage toe op het bedrag dat men had teruggegeven voor al de in de inventaris van overgang opgenomen goederen die de vervroegde forfaitaire taxatie hebben ondergaan.
Voorbeeld. De voorraad voor een bepaalde koopwarengroep bedraagt 600.000 F op het ogenblik van de overgang en de administratie neemt aan dat de voorraad verdrievoudigd is sindshet in voege treden van de BTW. De voorraadvermeerderingbedraagt dus de twee derden van de voorraad die blijkt bij de overgang. Indien men een teruggaaf van 90.000 F veronderstelt voor de geheelheid van de goederen, wordt zij herleid tot de twee derden van dat bedrag, hetzij 60.000 F, voor de erkende voorraadvermeerdering.
C. Andere gevallen.
41. In de praktijk kunnen zich bijzondere gevallen voordoen die hiervoor niet beoogd werden, waarin de belastingplichtige onder de forfaitaire regeling een ontheffing van zijn voorraad heeft bekomen, waardoor er zich in zijn inventaris van overgang, in natura of bij gelijkwaardigheid, goederen bevinden die de vervroegde forfaitaire taxatie niet hebben ondergaan. Dat is onder meer het geval:
1° wanneer de belastingplichtige die eerst aan de normale BTW-regeling onderworpen was, overgegaan is naar de forfaitaire regeling zonder dat de regularisatie die thans bedoeld is in artikel 92 van het koninklijk besluit nr. 2, kan worden toepast op de goederen in voorraad bij de overgang;
2° wanneer de belastingplichtige, door het toevallig opmaken van een inventaris, bij veronderstelling, een belastingschone voorraad heeft bekomen en die ontheffing zonder latere regularisatie behouden is gebleven, zelfs wanneer nadien geen andere inventaris werd opgemaakt.
In dergelijke gevallen kan geen enkele teruggaaf worden toegestaan, tenware de belastingplichtige ter voldoening van de administratie de omvang en de waarde van de reeds belastingschoon gemaakte voorraad vaststelt. De teruggaaf wordt dan beperkt tot de voorraadvermeerdering die wordt vastgesteld bij de overgang naar de normale regeling van de belasting.
Uitoefening van het recht op teruggaaf.
42. Volgens artikel 10, § 1, laatste lid, van het koninklijk besluit nr. 2 "heeft de teruggaaf plaats overeenkomstig de regelen bepaald door of ter uitvoering van de artikelen 78 en 80 van het Wetboek."
De teruggaaf vindt plaats op de in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 4, van 29 december 1969, voorziene manier. Ze wordt verricht door toerekening van het voor teruggaaf vatbaar bedrag op het bedrag van de belasting die verschuldigd is in de kwartaalaangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de overgang uitwerking heeft (z. nr. 31).
Gelet op de bijzondere aard van die teruggaaf, is het aangewezen dat de belastingplichtige bij de aangifte waarin zij wordt uitgeoefend, een stuk voegt dat verwijst naar de inventaris die bij het controlekantoor werd ingediend en waarin de gegevens voor de berekening van de terugbetaalbare belasting zijn opgenomen (z. nrs. 26 en 27).
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.