Btw-Commentaar. Vrijstellingen bij gebruik van de regeling btw-entrepot (01.07.2021)
BOEKWERK II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief
Hoofdstuk 8: Vrijstellingen voor uitvoer, intracommunautaire leveringen en verwervingen, invoer en internationaal vervoer
Afdeling 4 - Vrijstellingen bij gebruik van de regeling btw-entrepot
Bijwerking 01.07.2021 – Vorige versies: [01.07.2018] [01.06.2020]
Inhoud · 45 onderdelen
B. Als btw-entrepot erkende plaatsen
* In België ingevoerde goederen
* Goederen afkomstig uit België of uit een andere lidstaat van de Gemeenschap
3. Goederen toegelaten tot de regeling btw-entrepot
b. Goederen afkomstig uit België of uit een andere lidstaat van de Gemeenschap
B. Criterium inzake bestemming
B. Handelingen tot plaatsing van goederen onder de regeling btw-entrepot
C. Leveringen van goederen met handhaving van de regeling btw-entrepot
D. Diensten verricht onder de regeling btw-entrepot
b. Diensten verricht aan goederen die zich in België onder de regeling btw-entrepot bevinden
6. Werking van de regeling btw-entrepot
a. Gevallen waarin de voorlopige vrijstelling definitief wordt
b. Gevallen waarin op de voorlopige vrijstelling moet worden teruggekomen
C. Aanzuivering van de regeling
D. Overbrenging van goederen van een btw-entrepot naar een ander btw-entrepot door de eigenaar
E. Schuldenaar van de belasting
a. Uitsluiting van tabaksfabrikaten
b. Dwingend karakter van de regeling btw-entrepot
c. Diensten verricht aan goederen vóór hun werkelijke opslag in het btw-entrepot
1. Algemeen
In de economische kringloop zijn alle productie- en distributiestadia in de regel aan de btw onderworpen. Dankzij het aftrekmechanisme dat inherent is aan het btw-stelsel, blijft de belastingdruk op de prijs van een goed evenwel steeds dezelfde, ongeacht het aantal handelingen die de levering van het goed aan de eindverbruiker voorafgaan.
Met het oog op het vereenvoudigen van de heffing van de belasting, biedt de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, elke lidstaat de mogelijkheid om onder duidelijk omschreven voorwaarden af te wijken van de verplichte belastingheffing in elk stadium van het economisch proces.
In die zin laten de artikelen 154 tot en met 163 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, de lidstaten toe een vrijstelling in te voeren voor de handelingen die op hun grondgebied worden verricht in het kader van de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot (hierna btw-entrepot genoemd). Die regeling strekt er in wezen toe de verplichtingen te vereenvoudigen van personen die actief zijn in de handel van grondstoffen en van andere goederen, welke het voorwerp uitmaken van kettingverkopen of op internationale termijnmarkten worden verhandeld.
De Belgische wetgever heeft gebruik gemaakt van die door de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, geboden mogelijkheid. Artikel 39quater van het Btw-Wetboek voorziet daartoe in een aantal vrijstellingen die aan de toepassing van de regeling btw-entrepot zijn verbonden.
Het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, bevat de voorwaarden en de beperkingen voor de toepassing van de vrijstellingen voorzien in artikel 39quater van het Btw-Wetboek. De in acht te nemen modaliteiten en formaliteiten zijn opgenomen in circulaire AOIF nr. 14/2003 (nr. E.T. 98.973) van 19.05.2003.
Hierna volgt een beknopte omschrijving van de regeling btw-entrepot. Voor een omstandige toelichting van genoemde regeling wordt verwezen naar circulaire AOIF nr. 14/2003 (nr. E.T. 98.973) van 19.05.2003.
[Top]
2. Het btw-entrepot
A. Het begrip btw-entrepot
Op grond van artikel 39quater van het Btw-Wetboek wordt vrijstelling van de belasting verleend voor handelingen met betrekking tot goederen die bestemd zijn om in België in een btw-entrepot te worden opgeslagen of die zich er reeds in bevinden.
Het Btw-Wetboek geeft geen definitie van het begrip btw-entrepot, maar duidt alleen de plaatsen aan die als btw-entrepot kunnen worden aangemerkt. Gelet op artikel 39quater, § 2, van het Btw-Wetboek en artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, kan een btw-entrepot evenwel worden omschreven als een in België gelegen plaats die door de bevoegde autoriteiten is erkend om er goederen met vrijstelling van de btw op te slaan. Het betreft steeds een duidelijk omschreven fysieke plaats (magazijn, deel van een gebouw, fabriek, silo, industriële site, tank, netwerk van pijpleidingen …).
B. Als btw-entrepot erkende plaatsen
De plaatsen die als btw-entrepot kunnen worden erkend, verschillen naargelang de aard en de herkomst van de op te slagen goederen.
a. Accijnsproducten en goederen die bestemd zijn voor de productie of de verwerking van accijnsproducten
Overeenkomstig artikel 39quater, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek, worden voor accijnsproducten uitsluitend als btw-entrepot aangemerkt, de in België gelegen plaatsen die aangemerkt worden als belastingentrepots in de zin van artikel 4, punt 11, van richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16.12.2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG.
Overeenkomstig artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, worden voor goederen die bestemd zijn voor de productie of de verwerking van accijnsproducten uitsluitend als btw-entrepot aangemerkt, de in België gelegen plaatsen die aangemerkt worden als belastingentrepots in de zin van artikel 4, punt 11, van de richtlijn 2008/118/EG, voornoemd, waar accijnsproducten worden geproduceerd of verwerkt onder schorsing van accijnsrechten.
Het is daarbij van geen belang of voornoemde goederen in België worden ingevoerd, afkomstig zijn uit België of afkomstig zijn uit een andere lidstaat van de Gemeenschap.
Onder accijnsproducten wordt overeenkomstig artikel 1, § 6, 4°, van het Btw-Wetboek verstaan: energieproducten, alcohol en alcoholhoudende dranken en tabaksfabrikaten, zoals omschreven in de vigerende communautaire bepalingen, met uitzondering van gas dat geleverd wordt via een op het grondgebied van de Gemeenschap gesitueerd aardgassysteem of eender welk op een dergelijk systeem aangesloten net. Het betreft met andere woorden de goederen die onderworpen zijn aan communautaire accijnsrechten. De goederen die in België aan autonome nationale accijnsrechten (koffie en alcoholvrije dranken) onderworpen zijn, worden voor de toepassing van de regeling btw-entrepot derhalve niet als accijnsproducten aangemerkt.
Onder belastingentrepot wordt overeenkomstig artikel 4, punt 11, van de richtlijn 2008/118/EG, voornoemd, verstaan: iedere plaats waar de erkende entrepothouder bij de bedrijfsuitoefening accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling produceert, verwerkt, voorhanden heeft, ontvangt of verzendt, zulks onder bepaalde voorwaarden die zijn vastgesteld door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar dit belastingentrepot gelegen is.
De erkenning van een plaats in België als belastingentrepot door de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen houdt, overeenkomstig de artikelen 4 en 10, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, tevens de ambtshalve erkenning in van die plaats als btw-entrepot voor de goederen die overeenkomstig titel 3, van deze Afdeling 4, hierna, tot de regeling btw-entrepot zijn toegelaten.
b. Andere goederen
Wat de goederen andere dan accijnsproducten en dan goederen bestemd voor de productie of de verwerking van accijnsproducten betreft, wordt een onderscheid gemaakt tussen enerzijds in België ingevoerde goederen en anderzijds goederen afkomstig uit België of uit een andere lidstaat van de Gemeenschap.
* In België ingevoerde goederen
Overeenkomstig artikel 39quater, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek en artikel 2, 2°, van het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, kunnen voor de andere goederen dan die bedoeld in subrubriek a, van deze rubriek B, hiervoor, die in België worden ingevoerd in de zin van artikel 23 van het Btw-Wetboek uitsluitend als btw-entrepot worden aangemerkt, de in België gelegen plaatsen die overeenkomstig de communautaire douanereglementering als douane-entrepot worden erkend.
De erkenning van een douane-entrepot als btw-entrepot is, voor de opslag van bedoelde in België ingevoerde goederen, afhankelijk van een bijzondere vergunning verleend door de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen.
* Goederen afkomstig uit België of uit een andere lidstaat van de Gemeenschap
Overeenkomstig artikel 39quater, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek en artikel 2, 3°, van het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, kunnen voor de andere goederen dan die bedoeld in subrubriek a en subrubriek b, ‘In België ingevoerde goederen’, van deze rubriek B, hiervoor, uitsluitend als btw-entrepot worden aangemerkt, de in België gelegen plaatsen die door de Algemene Administratie van de Fiscaliteit als zodanig worden erkend.
Die erkenning geschiedt op grond van een door de Algemene Administratie van de Fiscaliteit uitgereikte bijzondere vergunning.
[Top]
3. Goederen toegelaten tot de regeling btw-entrepot
Artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, voert twee criteria in die de plaatsing van goederen onder de regeling btw-entrepot beperken. Eén criterium houdt verband met de herkomst van de goederen en het andere criterium met de bestemming van de goederen.
A. Criterium inzake herkomst
Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds goederen die in België zijn ingevoerd in de zin van artikel 23 van het Btw-Wetboek en anderzijds goederen die afkomstig zijn uit België of uit een andere lidstaat van de Gemeenschap.
a. Ingevoerde goederen
De plaatsing onder de regeling btw-entrepot van goederen (zowel accijnsproducten als andere goederen) die in België worden ingevoerd in de zin van artikel 23 van het Btw-Wetboek, is beperkt tot dezelfde goederen als die welke overeenkomstig de geldende communautaire douanereglementering onder de regeling van douane-entrepot mogen worden geplaatst.
Voor opslag onder de regeling douane-entrepot komen in beginsel alle goederen, met inbegrip van accijnsproducten, in aanmerking. Niettemin kan de opslag aan bepaalde goederen worden ontzegd, om redenen van bijvoorbeeld de goede zeden, de openbare orde, de publieke veiligheid, de volksgezondheid en het milieu.
Hoewel tabaksfabrikaten onder de regeling douane-entrepot kunnen worden geplaatst, zijn ze evenwel van de regeling btw-entrepot uitgesloten (zie titel 6, rubriek F, subrubriek a, van deze Afdeling 4, hierna).
b. Goederen afkomstig uit België of uit een andere lidstaat van de Gemeenschap
Goederen afkomstig uit België of uit een andere lidstaat van de Gemeenschap, ongeacht of het accijnsproducten dan wel andere goederen betreft, kunnen slechts onder de regeling btw-entrepot worden geplaatst in de mate dat ze voorkomen op de lijst van goederen die in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, is opgenomen.
De in bedoelde bijlage opgenomen goederen zijn voornamelijk metalen en grondstoffen die het voorwerp uitmaken van kettingverkopen, zoals die op internationale grondstoffenmarkten plaatsvinden. De enige accijnsproducten die op de lijst voorkomen, zijn een aantal energieproducten.
B. Criterium inzake bestemming
Op grond van artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, zijn de goederen die bestemd zijn om in het kleinhandelsstadium te worden geleverd, ongeacht hun herkomst of hun aard, van de regeling btw-entrepot uitgesloten.
Plaatsen waar eindgebruikers toegang toe hebben, kunnen bijgevolg niet als btw-entrepot worden erkend (bijvoorbeeld warenhuizen, tankstations …).
[Top]
4. Vrijgestelde handelingen
A. Algemeen
Overeenkomstig artikel 39quater, § 1, van het Btw-Wetboek, zijn van de belasting vrijgesteld:
• de invoeren, de intracommunautaire verwervingen en de leveringen van goederen die onder de regeling btw-entrepot worden geplaatst
• de leveringen van goederen die onder de regeling btw-entrepot zijn geplaatst, met handhaving van die regeling
• de diensten, andere dan die vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 41 en 42 van het Btw-Wetboek, die betrekking hebben op:
- goederen die het voorwerp uitmaken van de in de eerste bullet point bedoelde handelingen tot plaatsing onder de regeling btw-entrepot
- goederen die zich in België onder de regeling btw-entrepot bevinden.
De vrijstelling wordt verleend onder de voorwaarden en binnen de beperkingen gesteld in het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd.
B. Handelingen tot plaatsing van goederen onder de regeling btw-entrepot
Artikel 39quater, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek verleent vrijstelling van de btw voor de volgende handelingen waarbij goederen in België onder de regeling btw-entrepot worden geplaatst:
• de binnenlandse levering
• de intracommunautaire verwerving
• de invoer.
De toepassing van de vrijstelling houdt de verplichting in om de goederen zonder uitstel in een btw-entrepot op te slaan, van zodra het belastbare feit met betrekking tot voornoemde handelingen heeft plaatsgevonden. Daarbij wordt rekening gehouden met de benodigde tijd om de goederen naar het entrepot te vervoeren (zie evenwel rubriek D, subrubriek a, van deze titel 4, hierna, ingeval een dienst wordt verricht die de opslag in het btw-entrepot voorafgaat).
C. Leveringen van goederen met handhaving van de regeling btw-entrepot
Artikel 39quater, § 1, 2°, van het Btw-Wetboek verleent vrijstelling van de btw voor de leveringen van goederen die in België reeds onder de regeling btw-entrepot zijn geplaatst, voor zover ze worden verricht met handhaving van die regeling.
D. Diensten verricht onder de regeling btw-entrepot
Artikel 39quater, § 1, 3°, van het Btw-Wetboek verleent vrijstelling van de btw voor de diensten, andere dan die vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 41 en 42 van het Btw-Wetboek, die betrekking hebben op:
• goederen die in België het voorwerp zijn van een handeling tot plaatsing onder de regeling btw-entrepot, die bij toepassing van artikel 39quater, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek is vrijgesteld (zie subrubriek a, van deze rubriek D, hierna)
• goederen die zich in België reeds onder de regeling btw-entrepot bevinden (zie subrubriek b, van deze rubriek D, hierna).
Onder bedoelde diensten moeten de materiële werken of expertises bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek worden verstaan. Bepaalde van die diensten zijn evenwel van de vrijstelling uitgesloten (zie subrubrieken a en b, van deze rubriek D, hierna).
Diensten die op grond van artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek in België plaatsvinden, maar betrekking hebben op goederen die zich in een andere lidstaat onder een gelijkaardige regeling als de regeling btw-entrepot bevinden, kunnen niet op grond van artikel 39quater, § 1, 3°, van het Btw-Wetboek worden vrijgesteld.
a. Diensten verricht aan goederen die in België het voorwerp zijn van een handeling tot plaatsing onder de regeling btw-entrepot
De beoogde diensten zijn die welke betrekking hebben op goederen die met vrijstelling van de btw worden ingevoerd, geleverd of intracommunautair verworven omwille van hun plaatsing in België onder de regeling btw-entrepot, maar die voorafgaand aan hun opslag in het btw-entrepot bedoelde diensten ondergaan.
Wanneer de diensten zijn verricht, in de zin van artikel 22 van het Btw-Wetboek, moeten de goederen zonder uitstel in het btw-entrepot worden opgeslagen. Daarbij wordt rekening gehouden met de benodigde tijd om de goederen naar het entrepot te vervoeren.
In beginsel kunnen alle materiële werken en expertises verricht aan de goederen vóór hun effectieve opslag in het entrepot van de belasting worden vrijgesteld op grond van artikel 39quater, § 1, 3°, van het Btw-Wetboek.
Er dient evenwel rekening te worden gehouden met de volgende beperkingen:
• de materiële werken en expertises kunnen slechts van de btw worden vrijgesteld op voorwaarde dat ze worden aangemerkt als diensten die, op grond van artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek, in België plaatsvinden.
• de materiële werken die vóór de effectieve opslag van de goederen worden verricht en die tot gevolg hebben dat de na die werken verkregen goederen ingevolge de beperkende criteria bedoeld in titel 3 van deze Afdeling 4, hiervoor, niet in het btw-entrepot mogen worden opgeslagen, zijn van de vrijstelling uitgesloten.
• krachtens de communautaire reglementering inzake accijnzen moeten de productie, de verwerking evenals elke andere behandeling van accijnsproducten steeds in een belastingentrepot worden verricht, met andere woorden na de inslag van de goederen. Vermits het belastingentrepot ambtshalve als btw-entrepot wordt aangemerkt voor de accijnsproducten die tot de regeling btw-entrepot zijn toegelaten, mogen die goederen vóór hun opslag in het btw-entrepot geen enkele dienst ondergaan. Hetzelfde geldt voor goederen die bestemd zijn voor de productie of de verwerking van accijnsproducten.
b. Diensten verricht aan goederen die zich in België onder de regeling btw-entrepot bevinden
De vrijstelling waarin artikel 39quater, § 1, 3°, van het Btw-Wetboek voorziet voor diensten verricht aan goederen die zich in België reeds onder de regeling btw-entrepot bevinden, wordt beperkt door de artikelen 5 en 6 van het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd.
Beperking van de vrijstelling tot de gebruikelijke behandelingen toegelaten onder de regeling douane-entrepot
Overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, wordt de vrijstelling voor diensten die betrekking hebben op goederen die zich onder de regeling btw-entrepot bevinden, beperkt tot de verrichtingen die door de communautaire douanereglementering zouden zijn toegelaten indien die goederen zich onder de regeling douane-entrepot zouden bevinden.
De vrijstelling is aldus beperkt tot de gebruikelijke behandelingen om de goederen in goede staat te bewaren, hun presentatie of handelskwaliteit te verbeteren of hun distributie of wederverkoop voor te bereiden. De lijst van toegestane gebruikelijke behandelingen is opgenomen in bijlage 71-03 van de gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446, voornoemd.
De vrijstelling is niet van toepassing indien de goederen, na hun inslag in het btw-entrepot, andere diensten ondergaan dan die voornoemd.
Beperking van de vrijstelling tot de diensten die betrekking hebben op goederen die niet het voorwerp zijn van een levering zonder handhaving van de regeling btw-entrepot
De hiervoor bedoelde gebruikelijke behandelingen die betrekking hebben op goederen die zich onder de regeling btw-entrepot bevinden, zijn slechts van de belasting vrijgesteld binnen de beperkingen gesteld in artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd.
Overeenkomstig laatstgenoemd artikel is de vrijstelling niet van toepassing op gebruikelijke behandelingen die betrekking hebben op goederen die, hoewel ze fysiek nog aanwezig zijn in het btw-entrepot, reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een levering zonder handhaving van de regeling btw-entrepot.
[Top]
5. Vergunning
A. Principe
De vrijstellingen waarin artikel 39quater, § 1, van het Btw-Wetboek voorziet, worden slechts verleend op voorwaarde dat de rechthebbende zich kan beroepen op een bijzondere vergunning uitgereikt door de bevoegde Algemene Administratie of op de algemene vergunning ingesteld door circulaire AOIF nr. 14/2003 (nr. E.T. 98.973) van 19.05.2003.
B. Bijzondere vergunning
De bijzondere vergunning is vereist voor:
• de plaatsing van goederen onder de regeling btw-entrepot
• het verrichten van diensten aan goederen vóór hun effectieve opslag in het btw-entrepot.
De bijzondere vergunning moet schriftelijk worden aangevraagd en geeft, naargelang de aard en/of de herkomst van de goederen, aanleiding tot het uitreiken van een titel door de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen of door de Algemene Administratie van de Fiscaliteit.
Voor accijnsproducten en goederen die bestemd zijn voor de productie of de verwerking van accijnsproducten moet evenwel geen afzonderlijke vergunning btw-entrepot worden aangevraagd. De vergunning erkend entrepothouder die de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen voor het (de) belastingentrepot(s) van de erkend entrepothouder heeft uitgereikt, geldt immers tevens als bijzondere vergunning btw-entrepot voor de accijnsproducten en de goederen die bestemd zijn voor de productie of de verwerking van accijnsproducten die tot de regeling btw-entrepot zijn toegelaten.
C. Algemene vergunning
Circulaire AOIF nr. 14/2003 (nr. E.T. 98.973) van 19.05.2003 verleent een algemene vergunning voor:
• de levering van goederen die geplaatst zijn onder de regeling btw-entrepot, met handhaving van de regeling
• het verrichten van diensten aan goederen die zich in België onder de regeling btw-entrepot bevinden.
De algemene vergunning moet niet worden aangevraagd. Ze vloeit voort uit de toepassing van de vrijstelling met inachtneming van de voorwaarden gesteld in voornoemde circulaire.
[Top]
6. Werking van de regeling btw-entrepot
A. Algemeen
De regeling btw-entrepot vloeit voort uit de omzetting in Belgisch recht van de artikelen 154 tot en met 163 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd.
Overeenkomstig die bepalingen, moeten de lidstaten die vrijstellingen van de btw verlenen in het kader van de regeling btw-entrepot, ervoor zorgen dat het bedrag van de btw dat is verschuldigd bij de onttrekking van de goederen aan de regeling overeenstemt met het bedrag dat verschuldigd zou zijn indien de vrijgestelde handelingen in het binnenland aan de belasting waren onderworpen.
Op de goederen die aan de regeling btw-entrepot worden onttrokken, moet met andere woorden dezelfde fiscale druk rusten als in de situatie waarin ze niet onder die regeling waren geplaatst, rekening houdend met het aftrekmechanisme ingeval van opeenvolgende handelingen.
Vermits dergelijke onttrekking geen belastbare handeling is, heeft België voornoemde doelstelling verwezenlijkt door de invoering van een voorlopige vrijstelling. De vrijstelling wordt pas definitief wanneer de rechthebbende de goederen levert. Indien de goederen aan de regeling worden onttrokken, moet de belasting in bepaalde situaties worden geregulariseerd om de juiste belastingdruk op die goederen te bereiken (zie rubriek B, van deze titel 6, hierna).
Gelet op het voorlopige karakter van de vrijstelling en het feit dat de verkoper niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor de bestemming die zijn koper na de levering aan de goederen geeft, wordt de afnemer van de goederen of de ontvanger van de diensten in het kader van de regeling btw-entrepot steeds aangewezen als schuldenaar van de belasting die moet worden voldaan in de gevallen waarin op de voorlopige vrijstelling moet worden teruggekomen.
B. Voorlopige vrijstelling
Overeenkomstig artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, wordt de vrijstelling voor de handelingen bedoeld in artikel 39quater, § 1, van het Btw-Wetboek voorlopig verleend.
De voorlopige vrijstelling wordt voor bepaalde handelingen definitief (zie subrubriek a, van deze rubriek B, hierna), terwijl andere handelingen moeten worden geregulariseerd (zie subrubriek b, van deze rubriek B, hierna).
a. Gevallen waarin de voorlopige vrijstelling definitief wordt
Artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, somt de gevallen op waarin de voorlopige vrijstelling van de btw, voor de handelingen die onder de regeling btw-entrepot zijn verricht, definitief wordt.
Meer bepaald, wordt de voorlopige vrijstelling definitief voor de handelingen die voorafgaan aan:
• een levering van goederen onder bezwarende titel met handhaving van de regeling btw-entrepot
• de onttrekking van de goederen aan de regeling btw-entrepot door de belastingplichtige die een levering van goederen onder bezwarende titel verricht, zoals bedoeld in artikel 10, § 1, van het Btw-Wetboek
• de onttrekking van de goederen aan de regeling btw-entrepot door hun eigenaar, los van elke handelstransactie, in het kader van hetzij een overbrenging van goederen zoals bedoeld in artikel 12bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek, hetzij een vervoer of een verzending van die goederen buiten de Gemeenschap verricht door die eigenaar of voor zijn rekening.
De voorlopige vrijstelling wordt derhalve definitief:
• voor de in artikel 39quater, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek bedoelde invoeren, intracommunautaire verwervingen en leveringen van goederen die onder de regeling btw-entrepot worden geplaatst evenals voor de in artikel 39quater, § 1, 3°, van het Btw-Wetboek bedoelde diensten die vóór de opslag in het btw-entrepot worden verricht aan goederen die het voorwerp zijn van één van voornoemde vrijgestelde handelingen tot plaatsing onder de regeling btw-entrepot:
•wanneer die goederen worden doorverkocht met handhaving van de regeling btw-entrepot. Die levering is op zijn beurt voorlopig vrijgesteld van de btw.
•wanneer de persoon die de goederen onder de regeling btw-entrepot heeft geplaatst, die goederen uitslaat ingevolge een door hem verrichte verkoop. Die levering vindt dan niet plaats met handhaving van de regeling btw-entrepot en kan derhalve niet van de voorlopige vrijstelling van de btw genieten.
•wanneer de persoon die de goederen onder de regeling btw-entrepot heeft geplaatst, die goederen uitslaat om ze, los van elke handelstransactie, naar een plaats buiten België te verzenden (zie echter subrubriek b, van deze rubriek B, hierna, voor goederen die naar een andere lidstaat worden verzonden in het kader van een handeling bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 4°, 5° en 6° van het Btw-Wetboek).
• voor de in artikel 39quater, § 1, 2°, van het Btw-Wetboek bedoelde leveringen van goederen met handhaving van de regeling btw-entrepot evenals voor de in artikel 39quater, § 1, 3°, van het Btw-Wetboek bedoelde diensten die worden verricht aan goederen die zich in België onder de regeling btw-entrepot bevinden:
•wanneer die goederen worden doorverkocht met handhaving van de regeling btw-entrepot. Die levering is op zijn beurt voorlopig vrijgesteld van de btw.
•wanneer die goederen uit het btw-entrepot worden uitgeslagen door de belastingplichtige die ze verkoopt. Die levering vindt dan niet plaats met handhaving van de regeling btw-entrepot en kan derhalve niet van de voorlopige vrijstelling van de btw genieten.
•wanneer die goederen uit het btw-entrepot worden uitgeslagen en door de eigenaar, los van elke handelstransactie, naar een plaats buiten België worden verzonden (zie echter subrubriek b, van deze rubriek B, hierna, voor goederen die naar een andere lidstaat worden verzonden in het kader van een handeling bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 4°, 5° en 6°, van het Btw-Wetboek).
Onder onttrekking van goederen aan de regeling btw-entrepot door hun eigenaar los van elke handelstransactie, in de zin van artikel 7, § 2, 3°, van het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, moet worden verstaan de situatie waarin goederen uit het btw-entrepot worden uitgeslagen zonder dat die goederen daarbij het voorwerp zijn van een levering van goederen onder bezwarende titel, te rekenen vanaf hun laatste levering met handhaving van de regeling aan de eigenaar of vanaf hun plaatsing onder de regeling door de eigenaar, wanneer ze gedurende hun verblijf onder de regeling btw-entrepot niet onder bezwarende titel zijn geleverd.
b. Gevallen waarin op de voorlopige vrijstelling moet worden teruggekomen
Artikel 7, § 3, van het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, somt de gevallen op waarin op de voorlopige vrijstelling van de btw, voor de handelingen die onder de regeling btw-entrepot zijn verricht, moet worden teruggekomen.
De voorlopige vrijstelling moet worden geregulariseerd wanneer de volgende twee voorwaarden samen zijn vervuld:
• de goederen worden door hun eigenaar, los van elke handelstransactie, aan de regeling btw-entrepot onttrokken
• de aan de regeling onttrokken goederen blijven in België of worden door of voor rekening van hun eigenaar naar een andere lidstaat van de Gemeenschap verzonden of vervoerd in het kader van een handeling bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 4°, 5° of 6°, van het Btw-Wetboek.
De verzending of het vervoer van goederen van België naar een andere lidstaat in het kader van een handeling bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 4°, 5° of 6°, van het Btw-Wetboek (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 2: Leveringen van goederen, Afdeling 7, titel 8, rubrieken D, E en F’) wordt niet met een levering van goederen onder bezwarende titel gelijkgesteld. Na het beëindigen van één van de in die bepalingen bedoelde verrichtingen kunnen de goederen terug naar België worden verzonden of vervoerd zonder dat er in België een belastbare handeling plaatsvindt. Bijgevolg dient die situatie op dezelfde manier te worden behandeld als die waarin de goederen in België blijven na aan de regeling btw-entrepot te zijn onttrokken.
Bij het bepalen van de handelingen die moeten worden geregulariseerd, dient een onderscheid te worden gemaakt naargelang de aan de regeling onttrokken goederen al dan niet het voorwerp hebben uitgemaakt van één of meerdere leveringen onder bezwarende titel tijdens hun verblijf onder de regeling btw-entrepot:
• indien de goederen niet het voorwerp hebben uitgemaakt van dergelijke levering, wordt de btw opeisbaar over de handeling (invoer, intracommunautaire verwerving of levering) waarbij de goederen door hun eigenaar onder de regeling werden geplaatst evenals over de aan die eigenaar verstrekte diensten met betrekking tot die goederen
• indien de goederen wel het voorwerp hebben uitgemaakt van één of meerdere dergelijke leveringen, wordt de btw opeisbaar over de levering van goederen aan de eigenaar die de goederen aan de regeling btw-entrepot onttrekt evenals over de aan die eigenaar verstrekte diensten met betrekking tot die goederen.
Overeenkomstig artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, wordt de btw die over de te regulariseren handelingen verschuldigd is, opeisbaar op het tijdstip dat de goederen aan de regeling btw-entrepot worden onttrokken tegen het tarief dat van toepassing zou zijn geweest op elk van die handelingen indien zij niet voorlopig waren vrijgesteld.
C. Aanzuivering van de regeling
De regeling btw-entrepot wordt beëindigd door enerzijds de levering van goederen onder bezwarende titel zonder handhaving van de regeling btw-entrepot en anderzijds de onttrekking van goederen aan de regeling btw-entrepot door hun eigenaar, los van elke handelstransactie. De btw-gevolgen van de aanzuivering van de regeling btw-entrepot zijn in beide gevallen verschillend.
a. De regeling wordt beëindigd ingevolge een levering van goederen onder bezwarende titel zonder handhaving van de regeling
Indien de onttrekking van de goederen aan de regeling btw-entrepot het gevolg is van een levering van die goederen onder bezwarende titel, zonder handhaving van de regeling, kan die levering niet worden vrijgesteld op grond van artikel 39quater, § 1, 2°, van het Btw-Wetboek.
De normale btw-regels (inzake tijdstip van opeisbaarheid, schuldenaar van de belasting …) voor een levering van goederen zijn derhalve van toepassing op bedoelde levering en dus ook de mogelijke toepassing van een vrijstelling (bijvoorbeeld de artikelen 39, 39bis, 39quater, § 1, 1°, en 42 van het Btw-Wetboek). De goederen zijn op die manier bezwaard met eenzelfde fiscale druk als wanneer de regeling btw-entrepot niet zou zijn toegepast. Er is bijgevolg geen regularisatie nodig.
Er wordt opgemerkt dat voor accijnsproducten en voor goederen die bestemd zijn voor de productie of de verwerking van accijnsproducten, die zich in een belastingentrepot bevinden en die tot de regeling btw-entrepot zijn toegelaten, evenwel rekening moet worden gehouden met het bepaalde in rubriek F, subrubriek b, van deze titel 6, hierna.
b. De regeling wordt beëindigd ingevolge de uitslag van de goederen uit het btw-entrepot los van elke handelstransactie
Wanneer de uitslag van de goederen uit het btw-entrepot los van elke handelstransactie plaatsvindt, moeten de goederen bij de beëindiging van de regeling een fiscale druk ondergaan. Vermits dergelijke uitslag uit het btw-entrepot op zich geen belastbare handeling is, kan de juiste fiscale druk enkel worden bereikt via een regularisatie van:
• ofwel de voorlopig vrijgestelde levering die onder de regeling werd verricht aan de persoon die de goederen aan de regeling btw-entrepot onttrekt
• ofwel de voorlopig vrijgestelde handeling (invoer, intracommunautaire verwerving of levering) met plaatsing van de goederen onder de regeling btw-entrepot door de persoon die de goederen aan de regeling onttrekt, ingeval de goederen tijdens hun verblijf in het btw-entrepot niet het voorwerp zijn geweest van een levering onder bezwarende titel.
Die regularisatie moet evenwel enkel worden verricht wanneer de goederen in België blijven of naar een andere lidstaat worden verzonden of vervoerd in het kader van een handeling bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 4°, 5° of 6°, van het Btw-Wetboek. Ingeval van een overbrenging in de zin van artikel 12bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek of van een uitvoer buiten de Gemeenschap, moeten de vervoerde of verzonden goederen immers geen fiscale druk ondergaan.
Opmerking:
Ook het belasten van:
• de diensten die ingevolge de beperkingen van de artikelen 5 en 6 van het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, niet van de belasting kunnen worden vrijgesteld op grond van artikel 39quater, § 1, 3°, van het Btw-Wetboek, hoewel ze worden verricht aan goederen die zich in een btw-entrepot bevinden,
• en de diensten waarvoor de voorlopige vrijstelling bedoeld in artikel 39quater, § 1, 3°, van het Btw-Wetboek, ingevolge artikel 7, § 3, van het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, niet kan worden gehandhaafd,
dragen bij tot het bereiken van de juiste fiscale druk op de goederen die aan de regeling btw-entrepot worden onttrokken.
D. Overbrenging van goederen van een btw-entrepot naar een ander btw-entrepot door de eigenaar
a. Principe
In geval van overbrenging van goederen van een btw-entrepot in België naar een andere locatie in België door de eigenaar van de goederen, los van elke handelstransactie, kunnen de goederen niet steeds opnieuw onder de regeling btw-entrepot worden geplaatst, rekening houdend met de beperkingen van toepassing op bepaalde goederen (zie titel 3, rubriek A, van deze Afdeling 4, hiervoor).
In tegenstelling tot de ingevoerde goederen waarvoor geen beperkingen inzake opslag zijn voorzien, zijn de goederen van communautaire oorsprong (België of een andere lidstaat) slechts tot de regeling btw-entrepot toegelaten indien zij in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, worden genoemd.
Indien goederen, die bij hun invoer onder de regeling btw-entrepot werden geplaatst, naar een andere locatie in België worden overgebracht, zijn ze van communautaire oorsprong en kunnen de meeste van die goederen, gelet op voornoemde beperking, niet meer onder de regeling btw-entrepot worden geplaatst.
Dergelijke overbrenging van goederen, los van elke handelstransactie, heeft voor de meeste goederen aldus tot gevolg dat de regeling btw-entrepot definitief verloren gaat, hoewel de goederen opgeslagen blijven. De voorlopig verleende vrijstelling dient in beginsel te worden geregulariseerd (zie rubriek B, subrubriek b, van deze titel 6, hiervoor).
b. Administratieve tolerantie
Teneinde de voordelen verbonden aan de regeling btw-entrepot niet verloren te laten gaan wanneer een eigenaar van goederen, bijvoorbeeld om economische redenen, beslist om goederen naar een andere locatie in België over te brengen (overbrenging die in beginsel de regeling beëindigd), staat de administratie in beslissing nr. E.T. 124.559 van 11.09.2014 toe dat, voor de toepassing van de bepalingen voorzien in de artikelen 3, § 1, en 7, § 3, van het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, de betrokken regeling niet wordt beëindigd maar blijft voortbestaan bij de uitslag van de goederen uit het btw-entrepot (E1), wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld:
• de eigenaar van de goederen blijft eigenaar tijdens de opslag van de goederen in het tweede btw-entrepot (E2). Het betreft een loutere overbrenging van de eigen goederen van een operator.
• E2 moet erkend zijn als btw-entrepot voor de opslag van de betrokken goederen, zoals indien de goederen er direct zouden zijn opgeslagen (zonder opslag in E1). Dit houdt in dat de status van de goederen bij hun inslag in E1 bepaalt voor welk type goederen E2 erkend moet zijn als btw-entrepot. Indien het ingevoerde goederen betreft, moet E2 erkend zijn als btw-entrepot voor de opslag van ingevoerde goederen, en analoog indien het goederen van communautaire oorsprong of accijnsproducten betreft.
• de vergunninghouder van E1 dient een bijzonder stuk op te maken waarvan hij een exemplaar bewaart en een tweede aan de vergunninghouder van E2 bezorgt. Dat bijzonder stuk dient de volgende gegevens te bevatten:
- de naam, het adres en het Belgisch btw-identificatienummer van de eigenaar van de goederen of, in voorkomend geval, het globaal btw-identificatienummer met beginkenmerk BE 0796.6 waaronder die eigenaar in E1 wordt vertegenwoordigd
- de naam, het adres en het Belgisch btw-identificatienummer van de vergunninghouder van E1
- het nummer van de vergunning van E2 waarin de goederen worden opgeslagen
- de status van het btw-entrepot E1 (invoer, goederen van communautaire oorsprong of accijnsproducten)
- een nauwkeurige omschrijving van de aard, de hoeveelheid en de waarde van de goederen
- de vermelding: ‘geen btw-regularisatie overeenkomstig de beslissing nr. E.T. 124.559 dd. 11.09.2014’.
• het uitslagdocument van E1, van waaruit de goederen vertrekken, dient naar het bijzonder stuk te verwijzen.
• het opslagdocument van E2, waar de goederen naartoe worden verplaatst, dient naar het bijzonder stuk te verwijzen.
Indien voormelde voorwaarden bij de overbrenging van goederen van een btw-entrepot naar een ander btw-entrepot zijn vervuld, heeft dat tot gevolg dat:
• er geen btw-regularisatie moet worden verricht
• de goederen onder de regeling btw-entrepot blijven, zoals ze dat in E1 waren.
Indien die voorwaarden daarentegen niet zijn vervuld, mag de administratieve tolerantie niet worden toegepast en dient de btw te worden geregulariseerd. De regeling btw-entrepot is dan definitief beëindigd.
E. Schuldenaar van de belasting
Krachtens de algemene regel vervat in artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek is de btw verschuldigd door de belastingplichtige die in België een belastbare levering van goederen of een belastbare dienst verricht.
Wanneer die handelingen onder de regeling btw-entrepot worden verricht, genieten zij een voorlopige vrijstelling die slechts definitief wordt op voorwaarde dat de goederen worden doorverkocht met handhaving van de regeling of aan de regeling worden onttrokken onder de voorwaarden beschreven in rubriek B, subrubriek a, van deze titel 6, hiervoor.
Mogelijks wordt die voorwaarde slechts vervuld lange tijd na de handeling die de voorlopige vrijstelling geniet. Bijgevolg heeft de gebruikelijke schuldenaar van de belasting geen enkele controle over de naleving van bedoelde voorwaarde.
Om die reden heeft de wetgever in een afwijking van de bepaling vervat in artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek voorzien. Overeenkomstig artikel 51, § 2, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek, wordt de medecontractant van de leverancier of van de dienstverrichter als schuldenaar van de belasting aangemerkt.
Die afwijking is uiteraard enkel van toepassing op de leveringen van goederen en de diensten die overeenkomstig artikel 39quater, § 1, van het Btw-Wetboek en artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, voorlopig van de belasting zijn vrijgesteld.
Om elke betwisting aangaande de schuldenaar van de belasting bij de aanzuivering van de regeling te vermijden, inzonderheid wanneer er goederen ontbreken in het entrepot, wordt de persoon die de goederen aan de regeling btw-entrepot onttrekt, op grond van artikel 51, § 2, eerste lid, 4°, van het Btw-Wetboek, aangewezen als schuldenaar van de belasting over de handelingen waarvoor de voorlopige vrijstelling moet worden geregulariseerd.
F. Bijzonderheden met betrekking tot accijnsproducten en goederen die bestemd zijn voor de productie of de verwerking van accijnsproducten
a. Uitsluiting van tabaksfabrikaten
Tabaksfabrikaten komen niet voor op de lijst van goederen opgenomen in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd. Tabaksfabrikaten van communautaire oorsprong zijn derhalve uitgesloten van de regeling btw-entrepot.
De regeling btw-entrepot is evenmin van toepassing op in België ingevoerde tabaksfabrikaten, vermits de heffing van de btw over die goederen nauw met de regeling inzake accijnsrechten is verbonden, overeenkomstig artikel 58, § 1, van het Btw-Wetboek.
b. Dwingend karakter van de regeling btw-entrepot
Overeenkomstig artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, moet de regeling btw-entrepot verplicht worden toegepast ten aanzien van accijnsproducten en van goederen die bestemd zijn voor de productie of de verwerking van accijnsproducten, die in een in België gelegen belastingentrepot worden opgeslagen of er zich in bevinden, voor zover die goederen tot de regeling btw-entrepot zijn toegelaten.
In het algemeen kan worden gesteld dat de verplichte toepassing van de regeling geldt voor:
• minerale oliën, ongeacht of ze zijn ingevoerd dan wel van communautaire oorsprong zijn
• andere energieproducten dan minerale oliën die in België zijn ingevoerd
• alcohol en alcoholhoudende dranken die in België zijn ingevoerd
• goederen die bestemd zijn voor de productie of de verwerking van accijnsproducten, die in België zijn ingevoerd of, indien de goederen van communautaire oorsprong zijn, die in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, zijn opgenomen.
Overeenkomstig artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, wordt de regeling slechts beëindigd bij de aangifte ten verbruik van de goederen voor de toepassing van de accijnsrechten of bij de daadwerkelijke uitslag van de goederen uit het belastingentrepot. Bijgevolg vinden alle leveringen van goederen die worden verricht vóór de aangifte ten verbruik van de goederen op het stuk van de accijnsrechten of vóór de daadwerkelijke uitslag van de goederen uit het belastingentrepot, plaats onder de regeling btw-entrepot en zijn ze aldus van de btw vrijgesteld.
c. Diensten verricht aan goederen vóór hun werkelijke opslag in het btw-entrepot
De productie, de verwerking of elke andere behandeling van accijnsproducten die zich onder schorsing van accijnsrechten bevinden, moet verplicht in een belastingentrepot plaatsvinden, met andere woorden na de plaatsing van de goederen in dat entrepot. Die goederen kunnen dan ook geen diensten ondergaan alvorens ze effectief in een btw-entrepot zijn opgeslagen, vermits het belastingentrepot voor die producten als een btw-entrepot wordt aangemerkt. Dezelfde regels gelden voor goederen die bestemd zijn voor de productie of de verwerking van accijnsproducten.
De diensten die in het btw-entrepot worden verricht, kunnen slechts van de btw worden vrijgesteld op grond van artikel 39quater, § 1, 3°, van het Btw-Wetboek, voor zover ze:
• betrekking hebben op accijnsproducten of op goederen die bestemd zijn voor de productie of de verwerking van accijnsproducten, die tot de regeling btw-entrepot zijn toegelaten (zie titel 3, rubriek A, van deze Afdeling 4, hiervoor)
• bestaan uit gebruikelijke behandelingen die in een douane-entrepot zijn toegelaten (zie titel 4, rubriek D, subrubriek b, van deze Afdeling 4, hiervoor).
d. Vergunning btw-entrepot
* Algemeen
De plaatsing onder de regeling btw-entrepot van accijnsproducten en van goederen die bestemd zijn voor de productie of de verwerking van accijnsproducten, impliceert dat die accijnsproducten en goederen in een belastingentrepot worden opgeslagen. Overeenkomstig artikel 39quater, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek en artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, worden voor accijnsproducten en goederen bestemd voor de productie of de verwerking van accijnsproducten immers als btw-entrepot beschouwd, de plaatsen die als belastingentrepot inzake accijnzen worden aangemerkt.
Daarbij bepaalt artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, dat de tot de regeling btw-entrepot toegelaten accijnsproducten of goederen die bestemd zijn voor de productie of de verwerking van accijnsproducten, die in een in België gelegen belastingentrepot worden opgeslagen, geacht worden zich onder de regeling btw-entrepot te bevinden.
Als gevolg daarvan stelt artikel 10, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, dat de vergunning erkend entrepothouder die de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen voor het (de) belastingentrepot(s) van de erkend entrepothouder heeft uitgereikt, tevens geldt als bijzondere vergunning inzake btw-entrepot voor accijnsproducten en goederen die overeenkomstig artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, geacht worden zich onder de regeling btw-entrepot te bevinden. Er moet bijgevolg geen onderscheiden vergunning inzake btw-entrepot worden aangevraagd en uitgereikt.
Merk op dat een belastingentrepot niet alleen kan gelden als een btw-entrepot voor goederen die onderworpen zijn aan de accijnsschorsingsregeling, maar eveneens voor goederen waarvoor de accijnsschorsingsregeling overeenkomstig richtlijn 2008/118/EG, voornoemd, niet van toepassing is. Hierna worden de twee specifieke gevallen met betrekking tot energieproducten en ruwe tabak toegelicht.
* Specifiek geval: energieproducten
Om logistieke of praktische redenen gebeurt het dat energieproducten waarvoor de accijnsschorsingsregeling niet van toepassing is, maar die overeenkomstig de btw-wetgeving wel tot de regeling btw-entrepot zijn toegelaten, in een belastingentrepot worden opgeslagen. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer er een vermenging plaatsvindt met energieproducten die onder de accijnsschorsingsregeling zijn geplaatst.
Omwille van de verwevenheid met de accijnswetgeving en met het oog op een vereenvoudiging op administratief vlak, werd in samenspraak met de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen beslist dat voor ingevoerde en communautaire energieproducten de regeling btw-entrepot van toepassing is van zodra die in een belastingentrepot worden opgeslagen, ongeacht of zij aan de accijnsschorsingsregeling zijn onderworpen. Voor energieproducten van communautaire oorsprong blijft uiteraard de voorwaarde gelden dat zij in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, zijn opgenomen.
De regeling btw-entrepot is dan van toepassing zonder dat er een afzonderlijke vergunning btw-entrepot dient te worden aangevraagd. De vergunning erkend entrepothouder geldt dan als vergunning btw-entrepot.
Het is dus niet vereist dat de goederen moeten dienen voor de productie of de verwerking van goederen die aan de accijnsschorsingsregeling zijn onderworpen. Echter, is het fysiek en administratief (inschrijven in de voorraadadministratie) opslaan van de goederen in het belastingentrepot wel een minimumvereiste.
Bovenvermelde energieproducten dienen overigens onder dezelfde voorwaarden in een belastingentrepot te worden opgeslagen als die van toepassing op energieproducten die onder de accijnsschorsingsregeling zijn opgeslagen in het kader van de vergunning erkend entrepothouder, inzonderheid wat de voorraadadministratie betreft. Daarbij moet worden voldaan aan de boekhoudkundige verplichtingen opgenomen in hoofdstuk 5 van de circulaire nr. AOIF 14/2003 (E.T.98.973) van 19.05.2003.
De volgende situaties kunnen zich voordoen:
• voor communautaire energieproducten die aan de accijnsschorsingsregeling zijn onderworpen en in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, zijn opgenomen, wordt de vergunning erkend entrepothouder automatisch beschouwd als een vergunning btw-entrepot. Er is geen afzonderlijke vergunning btw-entrepot vereist.
• voor communautaire energieproducten die niet aan de accijnsschorsingsregeling zijn onderworpen, in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, zijn opgenomen en zowel fysiek als administratief in een belastingentrepot worden opgeslagen, wordt de vergunning erkend entrepothouder automatisch beschouwd als een vergunning btw-entrepot.
• voor communautaire energieproducten die niet aan de accijnsschorsingsregeling zijn onderworpen en fysiek maar niet administratief in een belastingentrepot worden opgeslagen, wordt de vergunning erkend entrepothouder niet beschouwd als een vergunning btw-entrepot. Voor zover die energieproducten in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, zijn opgenomen, dient een afzonderlijke vergunning btw-entrepot te worden aangevraagd.
• voor ingevoerde energieproducten is de regeling btw-entrepot van toepassing wanneer die in een belastingentrepot worden opgeslagen.
* Specifiek geval: ruwe tabak
Ruwe tabak van de GN-code 2401 is geen accijnsgoed in de zin van de accijnswetgeving. Derhalve dient het niet verplicht in een belastingentrepot te worden opgeslagen. Er bestaat evenwel de mogelijkheid om het in een belastingentrepot op te slaan met het oog op zijn bewerking tot een accijnsgoed (tabaksfabrikaat). In dat geval wordt het aangemerkt als een goed dat bestemd is voor de productie of de verwerking van accijnsgoederen.
Omwille van de verwevenheid met de accijnswetgeving, met het oog op een vereenvoudiging op administratief vlak en vermits ruwe tabak van de GN-code 2401 opgenomen is in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 54, voornoemd, werd in samenspraak met de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen beslist dat dergelijk goed zich steeds onder de regeling btw-entrepot bevindt wanneer het in een belastingentrepot wordt opgeslagen, ongeacht zijn oorsprong (ingevoerd of van communautaire oorsprong).
De regeling btw-entrepot is dan van toepassing zonder dat er een afzonderlijke vergunning btw-entrepot dient te worden aangevraagd. De vergunning erkend entrepothouder geldt dan als vergunning btw-entrepot voor de opslag van ruwe tabak van de GN-code 2401.
De ruwe tabak dient evenwel in een belastingentrepot te worden opgeslagen onder dezelfde voorwaarden als die van toepassing op accijnsgoederen die onder de accijnsschorsingsregeling zijn opgeslagen in het kader van de vergunning erkend entrepothouder, inzonderheid wat de voorraadadministratie betreft. Het fysiek en administratief (inschrijving in de voorraadadministratie) opslaan in het belastingentrepot is een minimumvereiste indien men gebruik wenst te maken van deze vereenvoudigde procedure. De niet-naleving sluit de toepassing van deze vereenvoudiging uit.
Bij de opslag moet worden voldaan aan de boekhoudkundige verplichtingen opgenomen in hoofdstuk 5 van de circulaire nr. AOIF 14/2003 (E.T.98.973) van 19.05.2003.
[Top]
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.