BOEKWERK VI: Specifieke topics
Hoofdstuk 16. Specifieke topics
Afdeling 12 - De regeling inzake voorraad op afroep
Bijwerking 01.04.2023 – Vorige bijwerking: [01.06.2020] [01.04.2021] [01.07.2022]
Inhoud: · 69 onderdelen
A. Overzicht bepalingen Btw-Wetboek
B. Overzicht bepalingen koninklijke besluiten
3. Btw-behandeling zonder vereenvoudigingsregeling
A. Verzending van een voorraad op afroep van België naar een andere lidstaat
b. Gevolgen volgens de normale regels
B. Verzending van een voorraad op afroep vanuit een andere lidstaat naar België
b. Gevolgen volgens de normale regels
4. Bijzondere regeling inzake voorraad op afroep
A. De voorraad op afroep wordt verzonden of vervoerd vanuit België naar een andere lidstaat
a. Grondvoorwaarden voor de toepassing van de regeling inzake voorraad op afroep
i. Hoedanigheid van de consignant
ii. Hoedanigheid van de consignataris
iv. Bestemming van de goederen op het tijdstip waarop de verzending of het vervoer aanvangt
b. Werking van de regeling inzake voorraad op afroep
c. Termijn waarbinnen de levering moet plaatsvinden
ii. Berekening van 12-maandentermijn
d. Terugzending van de goederen
e. Vervanging van de consignataris
i. Algemene regel (artikel 12ter, § 7, eerste lid, van het Btw-Wetboek)
ii. Levering aan een andere persoon (artikel 12ter, § 7, tweede lid, van het Btw-Wetboek)
iii. Verzending of vervoer van de goederen naar ander land (artikel 12ter, § 7, derde lid, van het Btw-Wetboek)
iv. Vernietiging, verlies of diefstal van de goederen (artikel 12ter, § 7, vierde lid, van het Btw-Wetboek)
B. De voorraad op afroep wordt verzonden of vervoerd vanuit een andere lidstaat naar België
a. Grondvoorwaarden voor de toepassing van de regeling inzake voorraad op afroep
i. Hoedanigheid van de consignant
ii. Hoedanigheid van de consignataris
iv. Bestemming van de goederen op het tijdstip waarop de verzending of het vervoer aanvangt
b. Werking van de regeling inzake voorraad op afroep
c. Termijn waarbinnen de levering moet plaatsvinden
ii. Berekening van de 12-maanden termijn
d. Terugzending van de goederen
e. Vervanging van de consignataris
i. Algemene regel (artikelen 25quater, § 1, tweede lid, en 12ter, § 7, eerste lid, van het Btw-Wetboek)
ii. Levering aan een andere persoon (artikelen 25quater, § 1, tweede lid, en 12ter, § 7, tweede lid, van het Btw-Wetboek)
iii.Verzending of vervoer van de goederen naar een ander land (artikelen 25quater, § 1, tweede lid, en 12ter, § 7, derde lid, van het Btw-Wetboek)
iv. Vernietiging, verlies of diefstal van de goederen (artikelen 25quater, § 1, tweede lid en 12ter, § 7, vierde lid, van het Btw-Wetboek)
C. Verplichtingen betreffende de regeling inzake voorraad op afroep
c. Opname van de verzending in de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen
i. Verzending consignatievoorraad van België naar een andere lidstaat
d. Opmaken van het stuk van artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd
a. Het vervoer van de goederen van België naar een andere lidstaat vangt aan vóór 01.01.2020
i. De vereenvoudigingsregeling van hoofdstuk 3 van de aanschrijving nr. 16/1994 van 04.07.1994 werd niet toegepast
ii. De vereenvoudigingsregeling van hoofdstuk 3 van de aanschrijving nr. 16/1994 van 04.07.1994 werd wel toegepast
1. Wetgevend kader
A. Overzicht bepalingen Btw-Wetboek
Artikel 12ter
Artikel 25bis, § 3
B. Overzicht bepalingen koninklijke besluiten
Koninklijk besluit nr. 50 van 11.12.2019 met betrekking tot de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen
[Top]
2. Terminologie
A. Consignatievoorraad
Consignatievoorraad is de situatie waarbij een leverancier goederen overbrengt naar een andere lidstaat waar hij niet gevestigd is, met als doel ze daar te verkopen in een later stadium en na aankomst ervan in de lidstaat van bestemming.
B. Voorraad op afroep
Voorraad op afroep is een specifieke categorie binnen het algemene begrip consignatievoorraad dat verwijst naar de situatie waarbij de leverancier op het tijdstip van vervoer van de goederen naar een andere lidstaat reeds de identiteit kent van de afnemer aan wie de goederen in een later stadium en na aankomst ervan in de lidstaat van bestemming zullen worden geleverd.
In aanschrijving nr. 16/1994 van 04.07.1994 werd het begrip consignatiezending enger gedefinieerd dan het begrip consignatievoorraad nu. De consignatiezendingen en overbrengingen van voorraden uit hoofdstuk 1, afdeling 1, rubrieken A en C, van die aanschrijving maken nu deel uit van de categorie voorraad op afroep.
C. Consignant
De consignant is in deze commentaar de belastingplichtige die goederen naar een andere lidstaat verzendt of vervoert of voor zijn rekening laat verzenden of vervoeren in het kader van een verzending van een voorraad op afroep.
D. Consignataris
De consignataris is in deze commentaar de belastingplichtige aan wie goederen, die in het kader van een verzending van een voorraad op afroep werden verzonden of vervoerd vanuit een andere lidstaat, in een later stadium en na aankomst ervan in de lidstaat van bestemming zullen worden geleverd.
[Top]
3. Btw-behandeling zonder vereenvoudigingsregeling
A. Verzending van een voorraad op afroep van België naar een andere lidstaat
a. Situatie
Goederen worden door of voor rekening van een als zodanig handelende belastingplichtige (de consignant) vervoerd of verzonden vanuit België naar een andere lidstaat en zijn bestemd voor een afnemer (consignataris) wiens btw-nummer en identiteit reeds gekend zijn bij aanvang van de verzending. De levering van de goederen aan die afnemer vindt plaats op een later tijdstip in de lidstaat van bestemming, bijvoorbeeld op het moment dat de afnemer ze uit de voorraad haalt voor zijn eigen productie of wanneer hij er zelf een koper voor gevonden heeft.
De macht om als eigenaar te beschikken over de goederen gaat slechts over van de consignant naar de consignataris op een later tijdstip in de lidstaat van aankomst van de goederen, wanneer de goederen zich reeds in de lidstaat van bestemming bevinden. Anders gezegd doet de levering van de goederen door de consignant aan de consignataris zich voor op een later tijdstip (bijvoorbeeld op het tijdstip dat de consignataris op zijn beurt een koper voor de goederen vindt of op het tijdstip dat de consignataris de goederen uit de voorraad op afroep haalt naarmate hij ze nodig heeft in zijn productieproces).
b. Gevolgen volgens de normale regels
De initiële verzending van de goederen door de consignant van België naar de andere lidstaat wordt in principe gelijkgesteld met een levering van goederen onder bezwarende titel (zie artikel 12bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek) in België, met alle daaraan verbonden verplichtingen.
De aankomst van de goederen in de lidstaat van bestemming wordt in principe gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving van goederen (zie artikel 21 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd). Als de consignant geen btw-identificatienummer heeft in die lidstaat, is hij onder de normale regels verplicht om er zich voor btw-doeleinden te identificeren.
De latere 'binnenlandse' levering van de goederen door de consignant aan de consignataris vindt plaats in die lidstaat. Die levering is onderworpen aan de btw-regelgeving van die lidstaat.
B. Verzending van een voorraad op afroep vanuit een andere lidstaat naar België
a. Situatie
Goederen worden door of voor rekening van een als zodanig handelende belastingplichtige (de consignant) vervoerd of verzonden vanuit een andere lidstaat naar België en zijn bestemd voor een afnemer (consignataris) wiens btw-nummer en identiteit reeds gekend zijn bij aanvang van de verzending.
De levering van de goederen aan die afnemer vindt plaats op een later tijdstip in België, bijvoorbeeld op het moment dat de afnemer ze uit de voorraad haalt voor zijn eigen productie of wanneer hij er zelf een koper voor gevonden heeft.
De macht om als eigenaar te beschikken over de goederen gaat slechts over van de consignant naar de consignataris op een later tijdstip, wanneer de goederen zich reeds in België bevinden. De levering van de goederen door de consignant aan de consignataris doet zich met andere woorden op een later tijdstip voor (bijvoorbeeld op het tijdstip dat de consignataris op zijn beurt een koper voor de goederen vindt of op het tijdstip dat de consignataris de goederen uit de voorraad op afroep haalt naarmate hij ze nodig heeft in zijn productieproces).
b. Gevolgen volgens de normale regels
De initiële verzending door de consignant van de goederen vanuit een andere lidstaat naar België wordt in principe gelijkgesteld met een levering van goederen onder bezwarende titel (zie artikel 17, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd) in de lidstaat van aanvang van het vervoer en is onderworpen aan de btw-regelgeving van die lidstaat.
De aankomst van de goederen in België wordt in principe gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving van goederen (zie artikel 25quater, § 1, van het Btw-Wetboek), met alle daaraan verbonden verplichtingen van dien, zoals de verplichting in hoofde van de consignant om zich in België voor btw-doeleinden te identificeren als hij geen Belgisch btw-identificatienummer heeft.
De latere 'binnenlandse' levering van de goederen door de consignant aan de consignataris vindt plaats in België (artikel 14 van het Btw-Wetboek) met alle daaraan verbonden verplichtingen van dien.
[Top]
4. Bijzondere regeling inzake voorraad op afroep
Als de normale regels van de btw-overgangsregeling van toepassing zijn, wordt de consignant genoodzaakt om zich voor btw-doeleinden te identificeren in de lidstaat van aankomst van de goederen.
Om dit te vermijden pasten heel wat lidstaten in het verleden hun eigen vereenvoudigingsregeling toe. Het gebrek aan harmonisering van die verschillende regelingen bracht heel wat praktische moeilijkheden met zich mee voor de ondernemingen.
Daarom is er nu door middel van een aanpassing aan de btw-richtlijn één geharmoniseerde vereenvoudigingsregeling ingevoerd voor voorraden op afroep die in alle lidstaten onder dezelfde voorwaarden van toepassing is.
De bijzondere regeling inzake voorraad op afroep is geen verplichte regeling. De consignant kan ervoor kiezen om:
• de bijzondere regeling inzake voorraad op afroep toe te passen, door te voldoen aan de toepassingsvoorwaarden (zie hieronder) voor die regeling
• de gewone regels zoals omschreven onder titel 3 hierboven toe te passen.
A. De voorraad op afroep wordt verzonden of vervoerd vanuit België naar een andere lidstaat
a. Grondvoorwaarden voor de toepassing van de regeling inzake voorraad op afroep
De regeling inzake voorraad op afroep is slechts van toepassing wanneer voldaan is aan volgende grondvoorwaarden (zie artikel 12ter, § 2, van het Btw-Wetboek; vergelijk artikel 17bis, lid 2, van de richtlijn 2006/112/EG).
i. Hoedanigheid van de consignant
De consignant is een belastingplichtige die de zetel van zijn economische activiteit niet heeft gevestigd of geen vaste inrichting heeft in de lidstaat waarnaar de goederen worden verzonden of vervoerd.
Het feit dat de consignant in de lidstaat van aankomst is gevestigd, volstaat op zichzelf om buiten de regeling inzake voorraad op afroep te vallen. Het feit dat die vestiging (zetel van economische activiteit of vaste inrichting) (1) al dan niet tussenkomt in de handeling met betrekking tot de voorraad op afroep is zonder belang.
(1) Het valt onder de bevoegdheid van de lidstaat van aankomst van de goederen om te bepalen of er al dan niet sprake is van een vaste inrichting.
Het feit dat de consignant in de lidstaat van aankomst voor btw-doeleinden is geïdentificeerd (rechtstreekse identificatie of identificatie met erkenning van een aansprakelijk vertegenwoordiger), vormt op zichzelf geen bezwaar voor de toepassing van de regeling voorraad op afroep zolang hij er niet is gevestigd (en er dus ook geen vaste inrichting heeft).
Volgende categorieën van belastingplichtigen komen in aanmerking:
• belastingplichtigen die gehouden zijn om periodieke btw-maand- of kwartaalaangiften in te dienen
• belastingplichtigen die vallen onder de bijzondere regeling voor landbouwondernemers (artikel 57 van het Btw-Wetboek).
Komen niet in aanmerking, belastingplichtigen die vallen onder de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen van artikel 56bis van het Btw-Wetboek.
Het feit dat de consignant niet is gevestigd binnen de gemeenschap, vormt op zich geen bezwaar voor de toepassing van de regeling voorraad op afroep. Er wordt wel opgemerkt dat wanneer de goederen worden ingevoerd in België gevolgd door een vervoer onder de regeling voorraad op afroep, de vrijstelling voor invoer van artikel 40, § 1, 1°, d), van het Btw-Wetboek (regeling 42) niet van toepassing is. De consignant kan ervoor kiezen om de regeling voorraad op afroep niet toe te passen om de vrijstelling van artikel 40, § 1, 1°, d), van het Btw-Wetboek niet te verliezen bij de invoer van de goederen.
ii. Hoedanigheid van de consignataris
De consignataris is een belastingplichtige die voor btw-doeleinden is geïdentificeerd in de lidstaat waarnaar de goederen worden verzonden of vervoerd.
Er wordt niet expliciet geëist dat de consignataris is gevestigd in de lidstaat van aankomst.
Het moet gaan om een belastingplichtige die in de lidstaat van bestemming van de goederen ertoe gehouden is om zijn intracommunautaire verwervingen van goederen aan de btw te onderwerpen.
De regeling is niet van toepassing wanneer de consignataris een niet-belastingplichtige rechtspersoon is, zelfs niet wanneer die over een btw-identificatienummer beschikt omdat hij zijn intracommunautaire verwervingen van goederen in die lidstaat aan de btw moet onderwerpen.
Het is ook mogelijk dat de consignataris in de lidstaat van aankomst handelt als een commissionair, die overeenkomstig de commissionairsfictie optreedt als koper van de goederen die hij uit de voorraad neemt en vervolgens geacht wordt die goederen te leveren aan zijn afnemers.
iii. Verzending of vervoer van de goederen naar een andere lidstaat door of voor rekening van de consignant
De goederen worden verzonden of vervoerd vanuit België naar een andere lidstaat.
Er wordt niet expliciet geëist dat de goederen naar de inrichting van de consignataris worden verzonden of vervoerd. De goederen kunnen bijvoorbeeld naar een entrepothouder worden verzonden of vervoerd die niet de consignataris is.
De consignant kan de goederen in een eigen opslagplaats houden (of bij een derde entrepothouder die voor rekening van de consignant handelt) in de lidstaat van aankomst, voor zover alle andere voorwaarden voldaan zijn. In het bijzonder wordt erop gewezen dat:
• die opslagplaats geen vaste inrichting mag vormen in de lidstaat van aankomst
• punt iv voldaan moet zijn.
De verzending of het vervoer van de goederen moet worden verricht door de consignant of door een derde voor zijn rekening.
iv. Bestemming van de goederen op het tijdstip waarop de verzending of het vervoer aanvangt
Op het tijdstip waarop de verzending of het vervoer van de goederen aanvangt:
• zijn ze bestemd om in een later stadium en na aankomst het voorwerp uit te maken van een levering aan de consignataris die ertoe gerechtigd zal zijn om over deze goederen als eigenaar te beschikken krachtens een bestaande overeenkomst (2)
• zijn de volgende gegevens bekend bij de consignant:
o de identiteit van de consignataris
o het btw-identificatienummer van de consignataris dat aan hem is toegekend door de lidstaat van aankomst.
(2) Noch de btw-richtlijn, noch het Btw-Wetboek bepalen het type overeenkomst dat moet bestaan tussen de consignant en de consignataris. Redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de voorwaarde met betrekking tot de bestaande overeenkomst is vervuld, wanneer er een overeenkomst bestaat tussen de twee partijen volgens dewelke de consignataris welbepaalde goederen uit de voorraad kan nemen tegen de betaling van een bepaalde prijs (waardoor hij de eigendom verkrijgt van die goederen).
Rekening houdend met de werking van de regeling voorraad op afroep, worden leveringen van goederen onder de winstmargeregeling (artikel 58, § 4, van het Btw-Wetboek) uitgesloten van deze regeling.
Bij aanvang van de verzending of het vervoer van de goederen moet de consignataris (de latere koper) dus reeds gekend zijn. De goederen moeten dus geïdentificeerd en bestemd zijn voor een welbepaalde consignataris.
Op zich is het niet uitgesloten dat de consignant goederen verzendt of vervoert voor meerdere consignatarissen.
v. Opname van de verzending of het vervoer in het consignantenregister en in de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen
De consignant neemt het vervoer van de goederen op in:
• het consignantenregister (zie rubriek C, subrubriek a)
• deel 2 van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen die betrekking heeft op het tijdvak waarin de verzending aanvangt, door het vermelden van het btw-identificatienummer van de consignataris dat aan laatstgenoemde is toegekend door de lidstaat van aankomst (zie rubriek C, subrubriek c, punt i).
De consignataris moet ook een register bijhouden (zie rubriek C, subrubriek b), maar de invulling of verbetering van dit register vormt geen grondvoorwaarde voor de toepassing van de regeling inzake voorraad op afroep.
b. Werking van de regeling inzake voorraad op afroep
Wanneer voldaan is aan de voorwaarden van subrubriek a hierboven, is volgende regeling van toepassing:
• de overbrenging door de consignant van de goederen (die deel uitmaken van zijn bedrijfsvermogen) vanuit België naar de andere lidstaat wordt niet gelijkgesteld met een levering onder bezwarende titel (zie artikel 12ter, § 1, van het Btw-Wetboek).
Gelijklopend zal de bestemming van de goederen in de lidstaat van aankomst niet worden gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel (zie artikel 23 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd).
• op het tijdstip waarop de macht om als eigenaar over de goederen te beschikken overgaat van de consignant op de consignataris (tijdstip van de levering) in de lidstaat van aankomst, wordt de consignant geacht in België een vrijgestelde intracommunautaire levering van goederen in de zin van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek te verrichten (zie artikel 12ter, § 3, van het Btw-Wetboek).
Ondanks het feit dat de goederen in het kader van deze levering niet werden verzonden of vervoerd buiten België naar een andere lidstaat (de goederen werden namelijk reeds eerder vervoerd of verzonden door of voor rekening van de consignant los van deze levering), wordt de grondvoorwaarde inzake het vervoer dus geacht te zijn vervuld. Uiteraard moet de consignant dit eerdere vervoer kunnen bewijzen.
De regeling voorraad op afroep kan trouwens slechts van toepassing zijn als de consignataris een als zodanig handelende belastingplichtige is die aan de consignant zijn identiteit en zijn geldig btw-identificatienummer van de lidstaat van bestemming heeft meegedeeld vóór aanvang van het vervoer of de verzending. De consignant moet dit uiteraard kunnen aantonen.
Het wettelijke vermoeden van artikel 12ter, § 3, van het Btw-Wetboek strekt zich niet uit tot de grondvoorwaarde van de vrijstelling van artikel 39bis, tweede lid, van het Btw-Wetboek. De vrijstelling kan dus worden ingetrokken indien de intracommunautaire levering door de consignant niet wordt opgenomen in de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen conform de bepalingen van artikel 53sexies van het Btw-Wetboek en koninklijk besluit nr. 50, voornoemd.
Uiteraard moeten alle verplichtingen die voortvloeien uit de toepassing van de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek worden nageleefd. Bovendien dient de factuur een de vermeldingen te bevatten die worden opgelegd door artikel 5 van koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.
Gelijklopend zal de consignataris geacht worden een aan de btw onderworpen intracommunautaire verwerving van goederen te verrichten in de lidstaat waarnaar de goederen werden verzonden of vervoerd (artikel 17bis, lid 3, b), van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd).
Voorbeeld:
Een in België gevestigde belastingplichtige-maandindiener A verzendt goederen (datum aanvang vervoer 31.03.2020) vanuit zijn vestiging in België naar een in lidstaat 1 gelegen vestiging van een in België gevestigde belastingplichtige-indiener B. A is niet in lidstaat 1 gevestigd (en heeft er dus ook geen vaste inrichting).
B heeft op voorhand zijn identiteit en zijn geldig btw-identificatienummer van lidstaat 1 meegedeeld aan A.
De verzending gebeurt in het kader van een bestaande overeenkomst onder de regeling voorraad op afroep tussen A en B waarbij B de eigendom van de goederen zal verkrijgen naarmate hij ze onttrekt aan de voorraad om ze te gebruiken voor zijn productie.
A neemt de verzending van de goederen op in zijn consignantenregister en neemt het btw-identificatienummer van B op in deel 2 van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen van maart 2020.
De goederen komen aan op 01.04.2020. B neemt de aankomst van de goederen op zijn consignatarisregister.
Op 20.05.2020 onttrekt B een goed uit de voorraad om het te gebruiken in zijn productie. Op dat moment wordt de macht overgedragen om als een eigenaar over dat goed te beschikken.
Op dat tijdstip wordt A geacht een intracommunautaire levering van goederen te verrichten in België die vrijgesteld is overeenkomstig artikel 39bis, eerste lid, 1° van het Btw-Wetboek.
De factuur met betrekking tot die levering wordt uitgereikt op 25.05.2020.
Dit is het tijdstip van opeisbaarheid.
A neemt de handeling op in:
• vak 46 van de btw-aangifte van mei 2020
• onder code 'L' in de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen van mei 2020.
A neemt de levering op in zijn consignantenregister.
Op datzelfde tijdstip wordt B geacht een intracommunautaire verwerving te verrichten in Lidstaat 1 (zie artikel 17bis, lid 3, b), van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd). B moet de verwerving van de goederen in kwestie vermelden in zijn consignatarisregister.
c. Termijn waarbinnen de levering moet plaatsvinden
i. Algemeen
De levering van de goederen (in casu de overdracht van de macht om als een eigenaar over de goederen te beschikken) tussen consignant en consignataris moet plaatsvinden binnen de 12 maanden na aankomst (3) van de goederen in de lidstaat waarnaar ze werden verzonden of vervoerd (zie artikel 12ter, § 4, van het Btw-Wetboek).
(3) Met 'aankomst' wordt bedoeld de aankomst van de goederen in de opslagplaats waar ze worden opgeslagen.
Bij bulkgoederen moet geredeneerd worden volgens het FIFO-principe (first in first out).
De FIFO-methode mag ook worden gebruikt om de periode te bepalen waarbinnen niet-bulk goederen onder de regeling voorraad op afroep zijn opgeslagen, voor zover die goederen identiek zijn. Het feit dat de goederen kunnen worden geïndividualiseerd of geïdentificeerd (bijvoorbeeld door een serienummer) is daarbij van geen belang.
Het begrip 'identiek' moet in principe strikt worden toegepast.
Zo kunnen bijvoorbeeld verschillende modellen, types of kleuren van beeldschermen niet als 'identiek' worden beschouwd.
Het feit dat een consignant meerdere afzonderlijke 'categorieën' van identieke niet-bulk goederen verzendt naar dezelfde consignataris, verhindert de toepassing van de FIFO-methode niet, voor zover ze uiteraard afzonderlijk wordt toegepast op iedere categorie identieke goederen.
Voorbeeld:
A verzendt vanuit België twee categorieën identieke goederen naar het magazijn van B in een andere lidstaat onder de regeling voorraad op afroep, met name:
• identieke beeldschermen van model X in zwart en
• identieke beeldschermen van model Y in zwart.
De transacties gaan als volgt:
• 20.02: aankomst in het magazijn van B van 100 schermen model X
• 15.03: aankomst in het magazijn van B van 80 schermen model Y
• 07.04: aankomst in het magazijn van B van 50 schermen model X
• 18.05: aankomst in het magazijn van B van 60 schermen model Y.
Op 15.11 van dat jaar neemt B 120 eenheden van model X en 90 eenheden van model Y uit de voorraad.
Overeenkomstig de FIFO-methode worden:
• de 120 eenheden van model X die uit de voorraad worden genomen eerst toegerekend op de zending met aankomst 20.02 ten belope van 100 stuks en vervolgens op de zending met aankomst op 07.04 ten belope van 20 stuks. In de voorraad blijven nog 30 stuks over die toegewezen zijn aan de zending met aankomst 07.04
• de 90 eenheden van model Y die uit de voorraad worden genomen eerst toegerekend op de zending met aankomst 15.03 ten belope van 80 stuks en vervolgens op de zending met aankomst 18.05 ten belope van 10 stuks. In de voorraad blijven nog 50 stuks over die toegewezen zijn aan de zending met aankomst 18.05.
Het feit dat identieke niet-bulk goederen van verschillende consignanten zouden opgeslagen zijn in hetzelfde magazijn, verhindert de toepassing van de FIFO-methode evenmin, voor zover dat ze uiteraard afzonderlijk wordt toegepast op de voorraad van elke consignant.
Voorbeeld:
In een magazijn worden identieke beeldschermen van twee consignanten opgeslagen voor dezelfde consignataris. Het magazijn ontvangt op 10.01 500 beeldschermen van consignant A, op 10.03 500 beeldschermen van consignant B en op 07.04 nogmaals 500 schermen van consignant A. Op 15.11 van dat jaar neemt de consignataris 750 beeldschermen uit de voorraad van consignant A en 250 beeldschermen uit de voorraad van consignant B.
Overeenkomstig de FIFO-methode kan worden beschouwd dat:
• de 750 beeldschermen die uit de voorraad van consignant A worden genomen eerst worden toegerekend op de zending met aankomst op 10.01 ten belope van 500 stuks en dan op de zending met aankomst op 07.04 ten belope van 250 stuks. In de voorraad van consignant A blijven nog 250 stuks over die worden toegewezen aan de zending met aankomst 07.04
• de 250 beeldschermen die uit de voorraad van consignant B worden genomen worden toegerekend op de zending met aankomst 10.03. In de voorraad van consignant B blijven nog 250 stuks over die worden toegewezen aan de zending met aankomst 10.03.
De administratie aanvaardt dat het hierboven vermelde standpunt aangaande de FIFO-methode voor identieke niet-bulkgoederen met terugwerkende kracht mag worden toegepast met ingang van de nieuwe regeling inzake voorraad op afroep (zie in dit verband rubriek D). Evenwel dient de belastingplichtige zich te informeren bij de andere betrokken lidstaat vanaf wanneer die de toepassing aanvaardt van het derde richtsnoer van document A – taxud.c.1(2021) 8178888 – 1015 REV van het 118de btw-comité (zie circulaire 2022/C/49 van 13.05.2022 betreffende de richtsnoeren van het 118de btw-comité inzake de regeling voorraad op afroep, punt 2).
ii. Berekening van 12-maandentermijn
Voor de berekening van de 12-maanden termijn werden geen bijzondere regels bepaald. Daarom gelden de regels van verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de raad van 03.06.1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden.
Bijgevolg start de 12-maanden termijn op het eerste uur van de eerste dag van de termijn en loopt hij af bij het einde van het laatste uur van dezelfde datum (van het volgende jaar).
De 'eerste dag van de termijn' is de dag volgend op de dag waarin de aankomst van de goederen plaatsvond.
iii. Gevolgen
Als de levering niet binnen deze periode plaatsvindt, wordt de consignant geacht een overbrenging in de zin van artikel 12bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek te hebben verricht vanuit België naar de lidstaat van aankomst.
Die overbrenging, die in de lidstaat van vertrek wordt gelijkgesteld met een intracommunautaire levering onder bezwarende titel, wordt geacht plaats te vinden op de dag na het verstrijken van de periode van 12 maanden (dit is het tijdstip van het belastbaar feit).
In dit verband wordt verwezen naar ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 2: Leveringen van goederen, Afdeling 7, titel 9, rubriek C’.
Natuurlijk vindt die overbrenging slechts plaats voor zover er binnen de periode van 12 maanden nog geen overbrenging heeft plaatsgevonden vanwege het schenden van (één van) de voorwaarden van de regeling voorraad op afroep (zie subrubriek f).
De gelijktijdige bestemming van die goederen in de lidstaat van aankomst wordt op zijn beurt gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel (zie artikel 21 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd).
iv. Voorbeelden
Voorbeeld 1:
Een in België gevestigde belastingplichtige-maandindiener A verzendt op 14.03.2020 100 machineonderdelen vanuit zijn vestiging in België naar de vestiging in Lidstaat 1 van een daar gevestigde belastingplichtige-indiener B. A is niet in Lidstaat 1 gevestigd (en heeft er geen vaste inrichting).
B deelt op voorhand zijn identiteit en btw-identificatienummer toegekend door Lidstaat 1 mee aan A.
De verzending gebeurt in het kader van een bestaande overeenkomst onder de regeling voorraad op afroep tussen A en B waarbij B de eigendom van de goederen zal verkrijgen op het moment dat hij de goederen onttrekt uit de voorraad. A neemt de verzending op in zijn consignantenregister en in deel 2 van zijn btw-opgave voor de intracommunautaire handelingen met betrekking tot het tijdvak waarin de verzending aanvangt.
De goederen komen aan in de opslagruimte van B in Lidstaat 1 op 15.03.2020. B vermeldt dit in zijn consignatarisregister. De 12-maanden termijn vangt aan op 16.03.2020 (de dag volgend op de dag waarin de aankomst heeft plaatsgevonden).
De 12-maanden termijn loopt af op het einde van 16.03.2021 (24:00).
30 machineonderdelen worden niet door A aan B geleverd binnen de periode van 12 maanden. Op 17.03.2021 (de dag na het verstrijken van de periode van 12 maanden) wordt A geacht een overbrenging te verrichten van deze goederen van België naar Lidstaat 1 (zie artikelen 12ter, § 4 en 12bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek).
De bestemming van die goederen in lidstaat 1 wordt in hoofde van A gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel (zie artikelen 17bis, lid 4 en 21 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd). A is gehouden om zich in Lidstaat 1 voor btw-doeleinden te identificeren indien hij er nog niet over een btw-identificatienummer beschikt. Rekening houdend met de duurtijd voor het bekomen van een btw-identificatienummer, is het aan te raden dat A tijdig een aanvraag indient tot het bekomen van een btw-identificatienummer wanneer blijkt dat de 12-maandenperiode zal worden overschreden.
Het belastbaar feit doet zich voor op 17.03.2021. Op 22.03.2021 stelt A het overbrengingsdocument en een kopie daarvan op zoals bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd. Het tijdstip van opeisbaarheid van de overbrenging vindt plaats op 22.03.2021.
De overbrenging kan de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 4°, van het Btw-Wetboek genieten voor zover alle voorwaarden voldaan zijn, en moet in dat geval door A worden opgenomen in rooster 46 van de btw-aangifte van maart 2021 en in deel 1 van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen van maart 2021, onder code 'L'.
Voorbeeld 2:
Olie die door consignant A werd verzonden van uit België naar Lidstaat 1 is geplaatst onder de regeling voorraad op afroep in een opslagtank in Lidstaat 1 voor twee consignatarissen B en C (er wordt verondersteld dat alle voorwaarden voor de regeling voorraad op afroep zijn vervuld). De tabel hieronder geeft weer hoe de 12-maandenperiode moet worden berekend.
| Datum | Bestemd voor B | Bestemd voor C | Afroep door B | Afroep door C | Volumeopslag tank | 12 m |
| 10.01.20 | 5.000 l | 5.000 l | ||||
| 15.03.20 | 3.000 l | 8.000 l | ||||
| 16.05.20 | 3.000 l | 5.000 l | ||||
| 18.08.20 | 2.000 l | 3.000 l | ||||
| 11.01.21 (24:00) | 3.000 l | Einde B | ||||
| 16.03.21(24:00) | 3.000 l | Einde C |
Voorraad op afroep voor B: de 12-maandenperiode start op 11.01.2020 en loopt af op 11.01.2021 om 24:00. Vanaf dan moet A in principe voor btw-doeleinden geïdentificeerd zijn in lidstaat 1. Rekening houdend met de duurtijd voor het bekomen van een btw-identificatienummer, is het aan te raden dat A tijdig een aanvraag indient tot het bekomen van een btw-identificatienummer wanneer blijkt dat de 12-maandenperiode zal worden overschreden.
Op 12.01.2020 wordt A geacht een overbrenging in de zin van artikel 12bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek te hebben verricht voor de overblijvende 2.000 l bestemd voor B.
Voorraad op afroep voor C: de 12-maandenperiode start op 16.03.2020 en loopt af op 16.03.2021 om 24:00. Normaal gezien heeft A dan reeds een btw-nummer omwille van het overschrijden van de 12-maandenperiode voor B. Op 17.03.2020 wordt A geacht een overbrenging in de zin van artikel 12bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek te hebben verricht voor de overblijvende 1.000 l bestemd voor C.
d. Terugzending van de goederen
Er wordt door de consignant geen overbrenging in de zin van artikel 12bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek geacht te zijn verricht wanneer de macht om als eigenaar over de goederen te beschikken niet is overgedragen en de goederen binnen de 12-maandentermijn worden teruggezonden naar België (zie artikel 12ter, § 5, van het Btw-Wetboek).
Dit geldt evenwel slechts op voorwaarde dat de consignant de terugzending opneemt in het consignantenregister (zie rubriek C, subrubriek a).
Mits bovenstaande voorwaarden vervuld zijn, kan de terugzending ook betrekking hebben op een deel van de overeenkomst inzake voorraad op afroep tussen de consignant en de consignataris. Het kan dus gebeuren dat de consignant en de consignataris de overeenkomst inzake voorraad op afroep behouden voor andere goederen dan de goederen die worden teruggezonden.
Om na te gaan of de terugzending binnen de 12-maanden periode (zie artikel 12ter, § 4, van het Btw-Wetboek) heeft plaats gevonden, moet als tijdstip van terugkeer van de goederen onder de regeling voorraad op afroep worden genomen het tijdstip waarop de goederen het territorium terug binnenkomen van de lidstaat van waaruit zij initieel waren verzonden of vervoerd.
Evenwel mag de consignant ervan uitgaan dat terugkeer geacht wordt plaats te vinden op het tijdstip dat de goederen aankomen in zijn magazijn in die lidstaat van waaruit de goederen initieel waren verzonden of vervoerd (dit tijdstip is immers gemakkelijker te bepalen voor de consignant).
Wanneer goederen vanuit België werden verzonden of vervoerd onder de regeling voorraad op afroep en binnen de 12-maandenperiode terugkeren naar België, heeft dit in hoofde van de consignant de volgende gevolgen voor deel 2 van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen en het consignantenregister:
• Naar aanleiding van de terugzending neemt de consignant de volgende gegevens op in deel 2 van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen die betrekking heeft op het tijdvak waarin de goederen het Belgische territorium terug zijn binnengekomen of het tijdvak waarin de goederen zijn aangekomen in zijn magazijn in België, en dus niet het tijdvak waarin de terugzending aanvangt (4):
o het Belgische btw-identificatienummer van de consignant;
o het btw-identificatienummer van de consignataris voor wie de goederen voorheen bestemd waren.
• Voor wat betreft het consignantenregister wordt de datum van terugzending, zoals bedoeld in punt h van rubriek C, subrubriek a, bepaald zoals hierboven vermeld (zie circulaire 2022/C/49 van 13.05.2022 betreffende de richtsnoeren van het 118de btw-comité inzake de regeling voorraad op afroep, punt 1).
(4) Deze verplichting is evenwel geen grondvoorwaarde voor de toepassing van artikel 12ter, § 5, van het Btw-Wetboek. Ingeval van meerdere terugzendingen van delen van de voorraad met betrekking tot dezelfde consignataris binnen dezelfde aangifteperiode voor de btw-opgave, moeten de in de vorige alinea bedoelde gegevens slechts éénmaal worden vermeld.
Voorbeeld:
Een in België gevestigde belastingplichtige-indiener A verzendt goederen vanuit zijn vestiging in België naar de vestiging in Lidstaat 1 van een in Lidstaat 1 gevestigde belastingplichtige-indiener B. A is niet in Lidstaat 1 gevestigd (en heeft er geen vaste inrichting).
B deelt op voorhand zijn identiteit en zijn btw-identificatienummer van Lidstaat 1 mee aan A.
De verzending gebeurt in het kader van een bestaande overeenkomst onder de regeling voorraad op afroep tussen A en B waarbij B de eigendom van de goederen zal verkrijgen op het moment dat hij er zelf een koper voor vindt.
A neemt de verzending van de goederen op in zijn consignantenregister en neemt het btw-identificatienummer van B op in deel 2 van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen met betrekking tot het tijdvak waarin de verzending aanvangt.
De goederen komen aan op 01.03.2022. Op 02.03.2022 begint de 12-maandentermijn te lopen.
Op 17.09.2022 laat A de goederen terug vervoeren naar zijn vestiging in België zonder dat het recht om te beschikken over de goederen is overgedragen. De goederen komen aan in zijn vestiging in België op 20.09.2022. Hij neemt die terugzending op in zijn consignantenregister en in deel 2 van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen.
Ook B dient de verwijdering van de goederen uit zijn vestiging te vermelden in zijn consignatarisregister.
Hoewel de goederen uiteindelijk niet geleverd worden aan B, maar teruggezonden worden naar België, wordt A niet geacht een overbrenging in de zin van artikel 12bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek te hebben verricht van de goederen van België naar lidstaat 1.
In het kader van de terugzending van de goederen naar België wordt A evenmin geacht in België een bestemming van de goederen te hebben verricht die wordt gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel in de zin van artikel 25quater, § 1, van het Btw-Wetboek.
e. Vervanging van de consignataris
Indien de consignataris binnen de 12-maandentermijn (zie subrubriek c) wordt vervangen door een andere belastingplichtige, is er geen sprake van een overbrenging in de zin van artikel 12bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek op het tijdstip van de vervanging (zie artikel 12ter, § 6, van het Btw-Wetboek), voor zover:
• alle andere voorwaarden van de regeling (zie subrubriek a) zijn vervuld. Binnen de specifieke situatie van de vervanging houdt dit onder meer in dat:
o op het tijdstip waarop de overeenkomst inzake voorraad op afroep met de initiële consignataris afloopt:
§ de overeenkomst betreffende voorraad op afroep met de vervanger uitwerking moet hebben
§ de identiteit en het btw-identificatienummer van de vervanger moeten bekend zijn bij de consignant
o de consignant de volgende gegevens opneemt in deel 2 van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen die betrekking heeft op het tijdvak waarin de vervanging plaatsvindt (5):
§ btw-identificatienummer van de initiële consignataris
§ btw-identificatienummer van de vervanger (de nieuwe consignataris)
(5) Dit geldt ook wanneer de initiële verzending naar de consignataris heeft plaatsgevonden in hetzelfde aangiftetijdvak van deel 2 van de btw-opgave als de terugzending.
• de consignant de vervanging opneemt in het consignantenregister (zie rubriek C, subrubriek a) (6).
(6) Ook de initiële consignataris en de vervanger moeten in dit verband hun verplichtingen met betrekking tot het consignatarisregister vervullen, maar dit betreft geen grondvoorwaarde voor de vervanging.
Bij opeenvolgende vervangingen moet voor iedere vervanging in de btw-opgave worden vermeld:
• het btw-identificatienummer van de vervangen consignataris
• het btw-identificatienummer van de vervanger (nieuwe consignataris).
Zo niet stopt de regeling voorraad op afroep en is artikel 12ter, § 7, van het Btw-Wetboek van toepassing (zie subrubriek f).
Op het tijdstip van de vervanging blijft de initiële 12-maandentermijn bedoeld in subrubriek c gewoon doorlopen. Er start dus geen nieuwe 12-maandentermijn.
Mits bovenstaande voorwaarden zijn vervuld, kan de vervanging ook betrekking hebben op een deel van de overeenkomst inzake voorraad op afroep tussen de consignant en de initiële consignataris. Het kan dus gebeuren dat de consignant en de initiële consignataris de overeenkomst inzake voorraad op afroep behouden voor andere goederen dan de goederen waarvoor de initiële consignataris werd vervangen door een andere consignataris.
In principe is het ook mogelijk dat de vervanger van de oorspronkelijke consignataris op zijn beurt ook vervangen wordt door nog een andere consignataris (onder de hierboven gestelde voorwaarden). Ook deze vervanging moet dan aangegeven worden in deel 2 van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen (7).
(7) Bij opeenvolgende vervangingen moet voor iedere vervanging in de btw-opgave worden vermeld:
• het btw-identificatienummer van de vervangen consignataris
• het btw-identificatienummer van de vervanger (nieuwe consignataris).
Er wordt benadrukt dat bij de vervanging van de consignataris de goederen in dezelfde lidstaat (van aankomst) moeten blijven om daar later te worden geleverd aan de nieuwe consignataris (die ook moet voldoen aan de voorwaarden).
In het kader van deze vervanging kunnen de goederen desgevallend opgeslagen blijven op dezelfde plaats dan wel worden vervoerd naar een andere plaats binnen dezelfde lidstaat (waarnaar de goederen aanvankelijk werd verzonden).
Goederen die in het kader van de regeling inzake voorraad op afroep van België naar Lidstaat 1 worden verzonden, mogen niet naar een andere Lidstaat 2 worden verzonden of vervoerd in het kader de vervanging van de consignataris met behoud van de regeling voorraad op afroep voor eerste verzending. In dat geval wordt de initiële verzending van België naar Lidstaat 1 omgezet in een overbrenging (zie artikel 12ter, § 7, derde lid, van het Btw-Wetboek en subrubriek f, punt iii). De verzending vanuit Lidstaat 1 naar Lidstaat 2 kan op zijn beurt wel gebeuren met toepassing van de regeling voorraad op afroep voor zover alle voorwaarden vervuld zijn.
Voorbeeld:
Een in België gevestigde belastingplichtige-indiener A verzendt goederen vanuit zijn vestiging in België naar de vestiging in Lidstaat 1 van een in Lidstaat 1 gevestigde belastingplichtige-indiener B. A is niet in Lidstaat 1 gevestigd (en heeft er geen vaste inrichting).
B deelt op voorhand zijn identiteit en zijn btw-identificatienummer van lidstaat 1 mee aan A.
De verzending gebeurt in het kader van een bestaande overeenkomst onder de regeling voorraad op afroep tussen A en B waarbij B de eigendom van de goederen zal verkrijgen naarmate hij ze onttrekt aan de voorraad om ze te gebruiken voor zijn productie.
A neemt de verzending van de goederen op in zijn consignantenregister en neemt het btw-identificatienummer van B op in deel 2 van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen met betrekking tot het tijdvak waarin de verzending aanvangt.
De goederen komen aan op 04.05.2020, hetgeen B vermeldt in zijn consignatarisregister. De 12-maandentermijn begint te lopen op 05.05.2020.
Op 06.08.2020 wordt B vervangen door de in Lidstaat 1 gevestigde belastingplichtige-indiener C en wordt de voorraad voor rekening van A verzonden van bij B naar de vestiging van C in Lidstaat 1. De overeenkomst tussen A en C heeft uitwerking op het moment dat de overeenkomst tussen A en B afloopt. C zal de eigendom van de goederen verkrijgen naarmate hij ze onttrekt aan de voorraad om ze te gebruiken voor zijn productie. Op het moment van de vervanging is de identiteit en het btw-nummer van C bekend bij A.
A vermeldt de vervanging in het consignantenregister en neemt deze wijziging ook op in deel 2 van de Belgische btw-opgave van de intracommunautaire handelingen die betrekking heeft op het tijdvak waarin de vervanging heeft plaatsgevonden.
Voor wat de goederen betreft waarop de vervanging betrekking heeft, wordt A niet geacht een overbrenging in de zin van artikel 12bis, eerste lid van het Btw-Wetboek te hebben verricht van België naar Lidstaat 1.
f. Gevolgen wanneer één van de voorwaarden onder subrubriek a en subrubriek e niet langer zijn vervuld
i. Algemene regel (artikel 12ter, § 7, eerste lid, van het Btw-Wetboek)
Wanneer één van de voorwaarden onder subrubriek a of subrubriek e binnen de periode van 12 maanden (zie subrubriek c) niet langer is vervuld, worden de goederen in kwestie in België geacht het voorwerp uit te maken van een overbrenging in de zin van artikel 12bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek op het tijdstip waarop desbetreffende voorwaarde niet langer is vervuld.
Gelijktijdig worden die goederen in de lidstaat waar ze zich op dat moment bevinden (waarnaar ze initieel werden verzonden of vervoerd), geacht het voorwerp uit te maken van een bestemming die gelijkgesteld wordt met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel in de zin van artikel 21 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd.
In dit verband wordt verwezen naar ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 2: Leveringen van goederen, Afdeling 7, titel 9, rubriek C’.
In onderstaande specifieke situaties waarbij één van de voorwaarden binnen de periode van 12 maanden niet langer is vervuld, bepaalt artikel 12ter, § 7, tweede lid en verder, van het Btw-Wetboek op welk tijdstip de voorwaarden niet langer geacht worden te zijn vervuld.
ii. Levering aan een andere persoon (artikel 12ter, § 7, tweede lid, van het Btw-Wetboek)
Wanneer de goederen worden geleverd aan een andere persoon dan de consignataris of zijn vervanger (zie subrubriek e) worden de voorwaarden onder subrubriek a of subrubriek e geacht niet langer te zijn vervuld onmiddellijk vóór dergelijke levering.
Met onmiddellijk vóór de levering wordt dezelfde dag bedoeld als de dag waarop de levering tussen de consignant en de andere persoon plaatsvindt.
Het kan bijvoorbeeld gaan om volgende types leveringen aan een andere persoon dan de consignataris of zijn vervanger:
• een lokale levering waarbij de goederen de lidstaat (waarnaar ze in het kader van de regeling voorraad op afroep werden verzonden of vervoerd) niet verlaten
• een intracommunautaire levering
• een uitvoer in het kader van een levering
• een verkoop op afstand
• …
Voorbeeld:
Een in België gevestigde belastingplichtige-indiener A verzendt goederen vanuit zijn vestiging in België naar Lidstaat 1. De goederen zijn bestemd voor belastingplichtige indiener B die gevestigd is in Lidstaat 1. A is niet in Lidstaat 1 gevestigd (en heeft er geen vaste inrichting).
B deelt op voorhand zijn identiteit en zijn btw-identificatienummer van Lidstaat 1 mee aan A.
De verzending gebeurt in het kader van een bestaande overeenkomst onder de regeling voorraad op afroep tussen A en B waarbij B de eigendom van de goederen zal verkrijgen naarmate hij ze onttrekt aan de voorraad om ze te gebruiken voor zijn productie.
A neemt de verzending van de goederen op in zijn consignantenregister en neemt het btw-identificatienummer van B op in deel 2 van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen met betrekking tot het tijdvak waarin de verzending aanvangt.
De goederen komen aan op 11.03.2020, hetgeen B vermeldt in zijn consignatarisregister. De 12-maandentermijn begint te lopen op 12.03.2020.
Op 12.04.2020 levert A een deel van de goederen aan C in lidstaat 2 en vervoert de goederen naar C. Voor de overige goederen blijft de overeenkomst tussen A en B behouden. Er is geen sprake van een vervanging volgens de voorwaarden van artikel 12ter, § 6, van het Btw-Wetboek.
Voor wat betreft het gedeelte goederen dat aan C wordt geleverd, is op 12.04.2020 niet langer voldaan aan de voorwaarden voor de regeling voorraad op afroep. Op die dag wordt A geacht in België een overbrenging te verrichten van dat gedeelte goederen in de zin van artikel 12bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek. Hij reikt een overbrengingsdocument uit op 13.04.2020.
Hij neemt het bedrag van de overbrenging op in rooster 46 van de btw-aangifte van april (of het tweede kwartaal van) 2020 en hij neemt de overbrenging op onder code 'L' in deel 1 van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen van april (of het tweede kwartaal van) 2020. In lidstaat 1 wordt A geacht een bestemming te verrichten die gelijkgesteld wordt met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel (artikel 21 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd).
iii. Verzending of vervoer van de goederen naar ander land (artikel 12ter, § 7, derde lid, van het Btw-Wetboek)
Wanneer de goederen worden verzonden of vervoerd naar een ander land dan België, worden de voorwaarden onder subrubriek a of subrubriek e geacht niet langer te zijn vervuld onmiddellijk vóór de aanvang van een dergelijke verzending of vervoer.
Met onmiddellijk vóór de levering wordt dezelfde dag bedoeld als de dag waarop de verzending of het vervoer aanvangt.
Hier wordt niet de situatie bedoeld waarbij de consignant de goederen:
• levert aan de consignataris (in het kader van de regeling voorraad op afroep)
• levert aan een andere persoon
• terugstuurt naar België
maar ze verzendt of vervoert naar een ander land (een andere lidstaat, een derde land of derdelandsgebied), bijvoorbeeld om ze daar op te slaan en later te verkopen.
Wanneer de goederen worden verzonden naar een ander land in het kader van een levering van goederen aan een andere persoon dan de consignataris of zijn vervanger, is subrubriek f, punt ii van toepassing.
Als de initiële verzending onder de regeling voorraad op afroep werd omgezet naar een overbrenging in de lidstaat van verzending (België) en een bestemming die gelijkgesteld wordt met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel in de lidstaat van aankomst (Lidstaat 2) omdat de goederen worden verzonden naar een andere lidstaat (Lidstaat 3), dan kan de verzending vanuit Lidstaat 2 naar Lidstaat 3 op haar beurt het voorwerp uitmaken van de regeling voorraad op afroep als alle voorwaarden voldaan zijn.
Wanneer vervolgens de macht om als eigenaar over de goederen te beschikken niet is overgedragen aan de consignataris in Lidstaat 3 en de goederen binnen de 12-maandentermijn worden teruggezonden, dan kan een overbrenging vanuit Lidstaat 2 naar Lidstaat 3 enkel worden vermeden wanneer de goederen terugkeren naar de lidstaat waaruit ze werden verzonden, zijnde Lidstaat 2. Als de goederen worden 'teruggezonden' naar België, vindt er een overbrenging plaats van Lidstaat 2 naar Lidstaat 3 (beëindiging regeling voorraad op afroep) en van Lidstaat 3 naar België.
Voorbeeld:
Een in België gevestigde belastingplichtige-indiener A verzendt goederen vanuit zijn vestiging in België naar Lidstaat 1. De goederen zijn bestemd voor belastingplichtige indiener B die gevestigd is in Lidstaat 1. A is niet in lidstaat 1 gevestigd (en heeft er geen vaste inrichting).
B deelt op voorhand zijn identiteit en zijn btw-identificatienummer van Lidstaat 1 mee aan A.
De verzending gebeurt in het kader van een bestaande overeenkomst onder de regeling voorraad op afroep tussen A en B waarbij B de eigendom van de goederen zal verkrijgen naarmate hij ze onttrekt aan de voorraad om ze te gebruiken voor zijn productie.
A neemt de verzending van de goederen op in zijn consignantenregister en neemt het btw-identificatienummer van B op in deel 2 van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen met betrekking tot het tijdvak waarin de verzending aanvangt.
De goederen komen aan op 11.03.2020, hetgeen B vermeldt in zijn consignatarisregister. De 12-maandentermijn begint te lopen op 12.03.2020.
Op 12.04.2020 vervoert A een deel van de goederen naar de opslagplaats in Lidstaat 2 voor opslag en stopt de overeenkomst tussen A en B voor die goederen. Voor de overige goederen blijft de overeenkomst tussen A en B wel behouden.
Voor wat betreft het gedeelte goederen dat naar Lidstaat 2 wordt vervoerd, is op 12.04.2020 (datum aanvang vervoer) niet langer voldaan aan de voorwaarden voor regeling voorraad op afroep. Op die dag wordt A geacht in België een overbrenging van dat gedeelte van de goederen te verrichten in de zin van artikel 12bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek. Hij reikt een overbrengingsdocument uit op 13.04.2020.
Hij neemt het bedrag van de overbrenging op in rooster 46 van de btw-aangifte van april (of het tweede kwartaal van) 2020 en hij neemt de overbrenging op onder code 'L' in deel 1 van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen van april (of het tweede kwartaal van) 2020. In lidstaat 1 wordt A geacht een bestemming te verrichten die gelijkgesteld wordt met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel (artikel 21 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd).
iv. Vernietiging, verlies of diefstal van de goederen (artikel 12ter, § 7, vierde lid, van het Btw-Wetboek)
Ingeval van vernietiging, verlies of diefstal van de goederen worden de voorwaarden voor de regeling inzake voorraad op afroep (zie subrubriek a en subrubriek e) geacht niet langer te zijn vervuld op de datum waarop de goederen daadwerkelijk zijn verdwenen of vernietigd.
Indien het onmogelijk is om deze datum te bepalen, geldt de datum waarop werd vastgesteld dat de goederen waren vernietigd of verdwenen.
Het btw-comité gaat quasi unaniem akkoord (inclusief België) dat kleine verliezen van goederen onder de regeling voorraad op afroep die het gevolg zijn van de aard van de goederen, van onvoorzienbare omstandigheden of van een instructie of toelating van de bevoegde autoriteiten, geen aanleiding geven tot een overbrenging in de zin van artikel 17 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd.
Het btw-comité gaat met een grote meerderheid akkoord (inclusief België) dat voor de regeling voorraad op afroep 'kleine verliezen' betekenen: verliezen die maximaal 5 % bedragen van de waarde of de hoeveelheid van de totale voorraad op de datum, na aankomst in de opslagruimte, dat de goederen effectief zijn verwijderd of vernietigd, of als het onmogelijk is om die datum te bepalen, de datum waarop wordt vastgesteld dat de goederen zijn vernietigd of vermist.
De consignant dient zich te informeren bij de lidstaat van aankomst van de goederen of bovenvermeld richtsnoer van het btw-comité daar van toepassing is.
De Belgische administratie zal bij de toepassing van artikel 12ter, § 7, vierde lid, van het Btw-Wetboek rekening houden met de btw-behandeling door de fiscale autoriteiten in de lidstaat van aankomst van de goederen (hetgeen de consignant uiteraard moet kunnen staven).
B. De voorraad op afroep wordt verzonden of vervoerd vanuit een andere lidstaat naar België
a. Grondvoorwaarden voor de toepassing van de regeling inzake voorraad op afroep
De regeling inzake voorraad op afroep is slechts van toepassing wanneer voldaan is aan volgende grondvoorwaarden (zie artikelen 12ter, § 2 en 25quater, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek; vergelijk artikel 17bis, lid 2, van de richtlijn 2006/112/EG).
i. Hoedanigheid van de consignant
De consignant is een belastingplichtige die zijn zetel van zijn economische activiteit niet heeft gevestigd of geen vaste inrichting heeft in België.
Het feit dat de consignant in België is gevestigd of een vaste inrichting heeft is op zich voldoende om buiten de regeling inzake voorraad op afroep te vallen, ongeacht of die vaste inrichting al dan niet tussenkomt in de handeling met betrekking tot de voorraad op afroep.
Met vaste inrichting wordt in dit verband bedoeld de vaste inrichting in de zin van artikelen 50, 51 en 55 van het Btw-Wetboek, maar niet de inrichting die enkel een vaste inrichting is in de zin van artikel 11, lid 1, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15.03.2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van richtlijn 2006/112/EG.
Het feit dat de consignant in België voor btw-doeleinden is geïdentificeerd (rechtstreekse identificatie of identificatie met erkenning van een aansprakelijk vertegenwoordiger), vormt op zichzelf geen bezwaar voor de toepassing van de regeling voorraad op afroep zolang hij hier niet is gevestigd (en er dus ook geen vaste inrichting heeft).
Komen niet in aanmerking, belastingplichtigen die vallen onder de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen van artikelen 282 tot 292 van het de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd.
Het feit dat de consignant niet gevestigd is binnen de gemeenschap, vormt op zich geen bezwaar voor de toepassing van de regeling voorraad op afroep.
ii. Hoedanigheid van de consignataris
De consignataris is een belastingplichtige die voor btw-doeleinden is geïdentificeerd in België.
Er wordt niet expliciet geëist dat de consignataris gevestigd is in België.
De regeling is niet van toepassing wanneer de consignataris een niet-belastingplichtige rechtspersoon is, zelfs niet wanneer die over een btw-identificatienummer beschikt omdat hij zijn intracommunautaire verwervingen van goederen in België aan de btw moet onderwerpen.
Volgende categorieën van belastingplichtigen in aanmerking:
1. Belastingplichtigen die gehouden zijn om periodieke btw-maand- of kwartaalaangiften in te dienen.
2. Belastingplichtigen die geen recht op aftrek hebben omdat zij een bijzondere regeling genieten waardoor zij geen periodieke btw-aangiften bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek moeten indienen zoals onder meer:
• de bijzondere regeling voor recuperatiestoffen en -producten van aanschrijving nr. 88/1970 van 15.12.1970
• de bijzondere regeling voor wasserij, ververij, stomerij of stoppageondernemingen van aanschrijving nr. 28/1975 van 19.11.1975
• de bijzondere regeling voor schippers die niet meer dan 5 boten exploiteren van aanschrijving nr. 109/1970 d.d. 31.12.1970.
3. Belastingplichtigen die vallen onder de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen (artikel 56bis van het Btw-Wetboek) die gehouden zijn om al hun intracommunautaire verwervingen aan de btw te onderwerpen.
4. Belastingplichtigen die vallen onder de bijzondere regeling voor landbouwondernemingen vallen (artikel 57 van het Btw-Wetboek) die gehouden zijn om al hun intracommunautaire verwervingen aan de btw te onderwerpen.
5. Belastingplichtigen die uitsluitend handelingen verrichten die worden vrijgesteld door artikel 44 van het Btw-Wetboek waarvoor zij geen recht op aftrek hebben en die voor btw-doeleinden geïdentificeerd zijn en die gehouden zijn om al hun intracommunautaire verwervingen aan de btw te onderwerpen.
Categorieën 3, 4 en 5 zijn leden van de groep van vier. Wanneer deze categorieën beschikken over een btw-identificatienummer, maar niet gehouden zijn om al hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de btw te onderwerpen omdat zij:
• hun drempel aan intracommunautaire verwervingen van 11.200 euro niet hebben overschreden tijdens het lopende of vorige kalenderjaar
• nog niet geopteerd hebben om al hun intracommunautaire verwervingen aan de btw te onderwerpen
en toch hun btw-identificatienummer willen meedelen aan de consignant in het kader van de regeling inzake voorraad op afroep, betekent dit dat zij opteren om hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de btw te onderwerpen (uitoefening van de optie van artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid, van het Btw-Wetboek).
Zij moeten dan voorafgaandelijk de keuzeverklaring van artikel 4, § 2, van het Koninklijk besluit nr. 10 van 29.12.1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 5, derde lid, en 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde, indienen bij het controlecentrum waaronder zij ressorteren. Die keuze gaat in op de datum van indiening van de keuzeverklaring en geldt tot 31 december van het tweede jaar volgend op die datum.
Indien zij niet voorafgaandelijk de keuzeverklaring indienen en toch hun btw-identificatienummer meedelen aan de consignant in het kader van de regeling inzake voorraad op afroep, is het wettelijk vermoeden van artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, vierde lid, van het Btw-Wetboek van toepassing en worden zij bijgevolg op dat moment geacht te hebben geopteerd om al hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de btw te onderwerpen.
Tot slot wordt opgemerkt dat het ook mogelijk is dat de consignataris in België handelt als een commissionair in de zin van artikel 13 van het Btw-Wetboek, die overeenkomstig de commissionairsfictie optreedt als koper van de goederen die hij uit de voorraad neemt en vervolgens geacht wordt de goederen te leveren aan zijn afnemers.
iii. Verzending of vervoer van de goederen vanuit een andere lidstaat naar België door of voor rekening van de consignant
De goederen worden verzonden of vervoerd vanuit een andere lidstaat naar België.
Er wordt niet expliciet geëist dat de goederen naar de inrichting van de consignataris worden verzonden of vervoerd. De goederen kunnen bijvoorbeeld naar een entrepothouder worden verzonden of vervoerd die niet de consignataris is.
De consignant kan de goederen in een eigen opslagplaats houden (of bij een derde entrepothouder die voor rekening van de consignant handelt) in België, voor zover alle andere voorwaarden voldaan zijn. In het bijzonder wordt erop gewezen dat:
• die opslagplaats geen vaste inrichting mag vormen in de zin van artikel 50, 51 en 55 van het Btw-Wetboek
• subrubriek a, punt iv voldaan moet zijn.
De verzending of het vervoer van de goederen moet worden verricht door de consignant of door een derde voor zijn rekening.
iv. Bestemming van de goederen op het tijdstip waarop de verzending of het vervoer aanvangt
Op het tijdstip waarop de verzending of het vervoer van de goederen naar België aanvangt:
• zijn ze bestemd om in een later stadium en na aankomst het voorwerp uit te maken van een levering aan de consignataris die ertoe gerechtigd zal zijn om over deze goederen als eigenaar te beschikken krachtens een bestaande overeenkomst (8)
• zijn de volgende gegevens bekend bij de consignant:
o de identiteit van de consignataris
o het Belgisch btw-identificatienummer van de consignataris.
(8) Noch de btw-richtlijn, noch het Btw-Wetboek bepalen het type overeenkomst dat moet bestaan tussen de consignant en de consignataris. Redelijkerwijs kan worden aangenomen dat wanneer er een overeenkomst bestaat tussen de twee partijen volgens dewelke de consignataris welbepaalde goederen kan nemen uit de voorraad tegen de betaling van een bepaalde prijs (waardoor hij de eigendom verkrijgt van die goederen), de voorwaarde met betrekking tot de bestaande overeenkomst is vervuld.
Rekening houdend met de werking van de regeling voorraad op afroep, worden leveringen van goederen onder de winstmargeregeling uitgesloten van deze regeling.
Bij aanvang van de verzending of het vervoer van de goederen moet de consignataris (de latere koper) dus reeds gekend zijn. De goederen moeten dus geïdentificeerd en bestemd zijn voor een welbepaalde consignataris.
Op zich is het niet uitgesloten dat de consignant goederen verzendt of vervoert voor meerdere consignatarissen.
v. Opname van de verzending of het vervoer in het consignantenregister en in de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen
De consignant neemt het vervoer van de goederen op in:
• het consignantenregister (zie rubriek C, subrubriek a)
• de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen in de lidstaat van vertrek door het vermelden van het Belgisch btw-identificatienummer van de consignataris.
De consignataris moet ook een register bijhouden (zie rubriek C, subrubriek b), maar de invulling of verbetering van dit register vormt geen grondvoorwaarde voor de regeling inzake voorraad op afroep. Het verzaken aan deze verplichting wordt evenwel bestraft door middel van een geldboete.
b. Werking van de regeling inzake voorraad op afroep
Wanneer voldaan is aan de voorwaarden van punt subrubriek a, is volgende regeling van toepassing:
• De bestemming van de goederen in België (initiële verzending van de goederen naar België) door de consignant wordt niet gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel (zie artikelen 25quater, § 1, tweede lid en 12ter, § 3, van het Btw-Wetboek).
Gelijklopend wordt de overbrenging door de consignant van de goederen (die deel uitmaken van zijn bedrijfsvermogen) vanuit de andere lidstaat naar België niet gelijkgesteld met een levering onder bezwarende titel in die lidstaat (zie artikel 17bis, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd).
• Op het tijdstip waarop de macht om als eigenaar over de goederen te beschikken in België overgaat van de consignant op de consignataris (tijdstip van de levering), wordt de consignant geacht een vrijgestelde intracommunautaire levering in de zin van artikel 138, lid 1, van de richtlijn van 2006/112/EG, voornoemd te verrichten in de lidstaat waaruit de goederen eerder door hem of voor zijn rekening werden vervoerd of verzonden in het kader van de regeling inzake voorraad op afroep.
Gelijklopend wordt de consignataris geacht in België een intracommunautaire verwerving van goederen te verrichten (zie artikel 25bis, § 3, van het Btw-Wetboek). Met alle gevolgen en verplichtingen van dien.
Voorbeeld:
Een in Lidstaat 1 gevestigde belastingplichtige-indiener A verzendt goederen (aanvang vervoer op 31.03.2020) vanuit zijn vestiging in Lidstaat 1 naar de in België gelegen vestiging van een in België gevestigde belastingplichtige-indiener B. A is niet in België gevestigd (en heeft er geen vaste inrichting).
B heeft op voorhand zijn identiteit en zijn geldig Belgisch btw-identificatienummer meegedeeld aan A.
De verzending gebeurt in het kader van een bestaande overeenkomst onder de regeling voorraad op afroep tussen A en B waarbij B de eigendom van de goederen zal verkrijgen naarmate hij ze onttrekt aan de voorraad om ze te gebruiken voor zijn productie.
A neemt de verzending van de goederen op in zijn consignantenregister en neemt het Belgisch btw-identificatienummer van B op in zijn btw-opgave van de intracommunautaire handelingen in Lidstaat 1.
De goederen komen aan op 01.04.2020. B neemt de aankomst van de goederen op in zijn consignatarisregister.
Op 20.05.2020 onttrekt B een goed uit de voorraad om het te gebruiken in zijn productie. Op dat moment wordt de macht overgedragen om als een eigenaar over het goed te beschikken.
Op dat tijdstip wordt A geacht een intracommunautaire levering van goederen te verrichten in Lidstaat 1 die vrijgesteld is overeenkomstig artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd en komt de daaruit volgende aangifteverplichtingen na.
De factuur met betrekking tot die levering wordt uitgereikt op 25.05.2020.
A neemt de levering op in zijn consignantenregister.
Op datzelfde tijdstip wordt B geacht een intracommunautaire verwerving in de zin van artikel 25bis, § 3, van het Btw-Wetboek te verrichten in België die overeenkomstig artikel 25ter, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek aan de btw is onderworpen. Het tijdstip van opeisbaarheid doet zich voor op 25.05.2020.
B die maandaangiften indient, moet de handeling opnemen in roosters 81 en 86, de verschuldigde btw in rooster 55 en de aftrekbare btw in rooster 59 van zijn periodieke btw-aangifte met betrekking tot de maand mei, in te dienen uiterlijk op 20.06.2020. Hij moet de verwerving opnemen in zijn consignatarisregister.
c. Termijn waarbinnen de levering moet plaatsvinden
i. Algemeen
De levering van de goederen (in casu de overdracht van de macht om als een eigenaar over de goederen te beschikken) tussen consignant en consignataris moet plaatsvinden binnen de 12 maanden na aankomst (9) van de goederen in België.
(9) Met ‘aankomst’ wordt bedoeld de aankomst van de goederen in de opslagplaats waar ze worden opgeslagen.
Bij bulkgoederen moet geredeneerd worden volgens het FIFO-principe (first in first out).
De FIFO-methode mag ook worden gebruikt om de periode te bepalen waarbinnen niet-bulk goederen onder de regeling voorraad op afroep zijn opgeslagen, voor zover die goederen identiek zijn. Het feit dat de goederen kunnen worden geïndividualiseerd of geïdentificeerd (bijvoorbeeld door een serienummer) is daarbij van geen belang.
Het begrip 'identiek' moet in principe strikt worden toegepast.
Zo kunnen bijvoorbeeld verschillende modellen, types of kleuren van beeldschermen niet als 'identiek' worden beschouwd.
Het feit dat een consignant meerdere afzonderlijke 'categorieën' van identieke niet-bulk goederen verzendt naar dezelfde consignataris, verhindert de toepassing van de FIFO-methode niet, voor zover ze uiteraard afzonderlijk wordt toegepast op iedere categorie identieke goederen.
Voorbeeld:
A verzendt vanuit een lidstaat twee categorieën identieke goederen naar het magazijn van B in België onder de regeling voorraad op afroep, met name:
• identieke beeldschermen van model X in zwart en
• identieke beeldschermen van model Y in zwart.
De transacties gaan als volgt:
• 20.02: aankomst in het magazijn van B van 100 schermen model X
• 15.03: aankomst in het magazijn van B van 80 schermen model Y
• 07.04: aankomst in het magazijn van B van 50 schermen model X
• 18.05: aankomst in het magazijn van B van 60 schermen model Y.
Op 15.11 van dat jaar neemt B 120 eenheden van model X en 90 eenheden van model Y uit de voorraad.
Overeenkomstig de FIFO-methode worden:
• de 120 eenheden van model X die uit de voorraad worden genomen eerst toegerekend op de zending met aankomst 20.02 ten belope van 100 stuks en vervolgens op de zending met aankomst op 07.04 ten belope van 20 stuks. In de voorraad blijven nog 30 stuks over die toegewezen zijn aan de zending met aankomst 07.04
• de 90 eenheden van model Y die uit de voorraad worden genomen eerst toegerekend op de zending met aankomst 15.03 ten belope van 80 stuks en vervolgens op de zending met aankomst 18.05 ten belope van 10 stuks. In de voorraad blijven nog 50 stuks over die toegewezen zijn aan de zending met aankomst 18.05.
Het feit dat identieke niet-bulk goederen van verschillende consignanten zouden opgeslagen zijn in hetzelfde magazijn, verhindert de toepassing van de FIFO-methode evenmin, voor zover dat ze uiteraard afzonderlijk wordt toegepast op de voorraad van elke consignant.
Voorbeeld:
In een magazijn worden identieke beeldschermen van twee consignanten opgeslagen voor dezelfde consignataris. Het magazijn ontvangt op 10.01 500 beeldschermen van consignant A, op 10.03 500 beeldschermen van consignant B en op 07.04 nogmaals 500 schermen van consignant A. Op 15.11 van dat jaar neemt de consignataris 750 beeldschermen uit de voorraad van consignant A en 250 beeldschermen uit de voorraad van consignant B.
Overeenkomstig de FIFO-methode kan worden beschouwd dat:
• de 750 beeldschermen die uit de voorraad van consignant A worden genomen eerst worden toegerekend op de zending met aankomst op 10.01 ten belope van 500 stuks en dan op de zending met aankomst op 07.04 ten belope van 250 stuks. In de voorraad van consignant A blijven nog 250 stuks over die worden toegewezen aan de zending met aankomst 07.04
• de 250 beeldschermen die uit de voorraad van consignant B worden genomen worden toegerekend op de zending met aankomst 10.03. In de voorraad van consignant B blijven nog 250 stuks over die worden toegewezen aan de zending met aankomst 10.03.
De administratie aanvaardt dat het hierboven vermelde standpunt aangaande de FIFO-methode voor identieke niet-bulkgoederen met terugwerkende kracht mag worden toegepast met ingang van de nieuwe regeling inzake voorraad op afroep (zie in dit verband rubriek D). Evenwel dient de belastingplichtige zich te informeren bij de andere betrokken lidstaat vanaf wanneer die de toepassing aanvaardt van het derde richtsnoer van document A – taxud.c.1(2021) 8178888 – 1015 REV van het 118de btw-comité (zie circulaire 2022/C/49 van 13.05.2022 betreffende de richtsnoeren van het 118de btw-comité inzake de regeling voorraad op afroep, punt 2).
ii. Berekening van de 12-maanden termijn
Zie rubriek A, subrubriek c, punt ii.
iii. Gevolgen
Als de levering niet binnen deze periode plaatsvindt, wordt de consignant geacht een overbrenging te hebben verricht vanuit de lidstaat van vertrek van de goederen naar België.
Die overbrenging wordt in de lidstaat van vertrek gelijkgesteld met een intracommunautaire levering onder bezwarende titel (zie artikel 17 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd) en wordt geacht plaats te vinden op de dag na het verstrijken van de termijn van 12 maanden (dit is het tijdstip van het belastbaar feit).
Natuurlijk vindt die overbrenging slechts plaats voor zover er binnen de periode van 12 maanden nog geen overbrenging heeft plaats gevonden vanwege het schenden van (één van) de voorwaarden van de regeling voorraad op afroep (zie subrubriek f).
De gelijktijdige bestemming van die goederen in België wordt op zijn beurt gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel (zie artikel 25quater, § 1, van het Btw-Wetboek).
iv. Voorbeelden
Voorbeeld 1:
Een in Lidstaat 1 gevestigde belastingplichtige-indiener A verzendt op 10.05.2020 100 espressomachines vanuit zijn vestiging in Lidstaat 1 naar de vestiging in Brussel van een in België gevestigde belastingplichtige-indiener B. A is niet in België gevestigd (en heeft er geen vaste inrichting).
B deelt op voorhand zijn identiteit en Belgisch btw-identificatienummer mee aan A.
De verzending gebeurt in het kader van een bestaande overeenkomst onder de regeling voorraad op afroep tussen A en B waarbij B de eigendom van de goederen zal verkrijgen op het moment dat hij er zelf een koper voor vindt. A neemt de verzending op in zijn consignantenregister en in zijn btw-opgave voor de intracommunautaire handelingen.
De goederen komen aan in de opslagplaats van B in België op 11.05.2020. B vermeldt dit in zijn consignatarisregister. Op 12.05.2020 begint de 12-maandentermijn te lopen (de dag volgend op de dag van de aankomst van de goederen).
De 12-maandentermijn loopt af op 12.05.2021 (24:00).
30 machines worden niet door A aan B geleverd binnen de periode van 12 maanden. Op 13.05.2021 (de dag na het verstrijken van de periode van 12 maanden) wordt A geacht een overbrenging van deze goederen te verrichten van Lidstaat 1 naar België (zie artikel 17 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, vergelijk artikel 12bis van het Btw-Wetboek).
De bestemming van die goederen in België wordt in hoofde van A gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel (zie artikel 25quater, § 1, van het Btw-Wetboek).
Het belastbaar feit doet zich voor op 13.05.2021. Op 20.05.2021 reikt hij het overbrengingsdocument uit dat opgesteld is overeenkomstig de wettelijke bepalingen die van kracht zijn in Lidstaat 1, of, bij gebrek, een wachtdocument, overeenkomstig de wettelijke bepalingen die in België van kracht zijn. De btw over de bestemming wordt bijgevolg opeisbaar op 20.05.2021.
A is gehouden om zich in België voor btw-doeleinden te identificeren (zie artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek), deze bestemming op te nemen in zijn Belgische periodieke btw-aangifte en via die aangifte de verschuldigde btw te voldoen (die hij desgevallend kan aftrekken in dezelfde aangifte). Rekening houdend met de duurtijd voor het bekomen van een btw-identificatienummer, is het aan te raden dat A tijdig een aanvraag indient tot het bekomen van een btw-identificatienummer wanneer blijkt dat de 12-maandenperiode zal worden overschreden.
Voorbeeld 2:
Olie die door consignant A werd verzonden van uit Lidstaat 1 naar België is geplaatst onder de regeling voorraad op afroep in een opslagtank in België voor twee consignatarissen B en C (er wordt verondersteld dat alle voorwaarden voor de regeling voorraad op afroep zijn vervuld). De tabel hieronder geeft weer hoe de 12-maandenperiode moet worden berekend.
| Datum | Bestemd voor B | Bestemd voor C | Afroep door B | Afroep door C | Volume opslag tank | 12 m |
| 10.01.20 | 5.000 l | 5.000 l | ||||
| 15.03.20 | 3.000 l | 8.000 l | ||||
| 16.05.20 | 3.000 l | 5.000 l | ||||
| 18.08.20 | 2.000 l | 3.000 l | ||||
| 11.01.21 (24:00) | 3.000 l | Einde B | ||||
| 16.03.21(24:00) | 3.000 l | Einde C |
Voorraad op afroep voor B: de 12-maandenperiode start op 11.01.2020 en loopt af op 11.01.2021 om 24:00. In principe moet A vanaf dan voor btw-doeleinden zijn geïdentificeerd in België (Rekening houdend met de duurtijd voor het bekomen van een btw-identificatienummer, is het aan te raden dat A tijdig een aanvraag indient tot het bekomen van een btw-identificatienummer wanneer blijkt dat de 12-maandenperiode zal worden overschreden).
Op 12.01.2020 wordt A voor de overblijvende 2.000 l (bestemd voor B) geacht een bestemming te hebben verricht die in België wordt gelijkgesteld met intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel (artikel 25quater, § 1, van het Btw-Wetboek).
Voorraad op afroep voor C: de 12-maandenperiode start op 16.03.2020 en loopt af op 16.03.2021 om 24:00. Normaal gezien heeft A dan reeds een Belgisch btw-identificatienummer omwille van het overschrijden van de 12-maandenperiode voor B. Op 17.03.2020 wordt A voor de overblijvende 1000 l (bestemd voor C) geacht een bestemming te hebben verricht die in België wordt gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel (artikel 25quater, § 1, van het Btw-Wetboek).
d. Terugzending van de goederen
Er vindt in België geen bestemming van goederen plaats in de zin van artikel 25quater, § 1, van het Btw-Wetboek (in combinatie met artikel 12ter, § 5, van het Btw-Wetboek), wanneer de macht om als eigenaar over de goederen te beschikken niet is overgedragen en de goederen binnen de periode van 12 maanden (zie subrubriek c) worden teruggezonden naar de lidstaat waaruit zij zijn vervoerd of verzonden.
Dit geldt evenwel slechts op voorwaarde dat de consignant de terugzending opneemt in het consignantenregister in zijn lidstaat (artikel 54bis, lid 1, van de uitvoeringsverordening (EU) nr.282/2011, voornoemd).
Om na te gaan of de terugzending binnen de 12-maanden periode (zie artikel 12ter, § 4, van het Btw-Wetboek) heeft plaats gevonden, moet als tijdstip van terugkeer van de goederen onder de regeling voorraad op afroep worden genomen het tijdstip waarop de goederen het territorium terug binnenkomen van de lidstaat van waaruit zij initieel waren verzonden of vervoerd.
Evenwel mag de consignant ervan uitgaan dat terugkeer geacht wordt plaats te vinden op het tijdstip dat de goederen aankomen in zijn magazijn in die lidstaat van waaruit de goederen initieel waren verzonden of vervoerd (dit tijdstip is immers gemakkelijker te bepalen voor de consignant) (zie circulaire 2022/C/49 van 13.05.2022 betreffende de richtsnoeren van het 118de btw-comité inzake de regeling voorraad op afroep, punt 1).
De consignataris moet de terugzending van de goederen opnemen in het consigantarisregister (zie rubriek C, subrubriek b). Deze verplichting vormt evenwel geen voorwaarde voor de gecombineerde toepassing van artikelen 25quater, § 1, tweede lid, en 12ter, § 5, van het Btw-Wetboek.
Mits bovenstaande voorwaarden vervuld zijn, kan de terugzending ook betrekking hebben op een deel van de overeenkomst inzake voorraad op afroep tussen de consignant en de consignataris. Het kan dus gebeuren dat de consignant en de consignataris de overeenkomst inzake voorraad op afroep behouden voor de overige goederen die niet worden teruggezonden.
Voorbeeld:
Een in lidstaat 1 gevestigde belastingplichtige-indiener A verzendt goederen vanuit zijn vestiging in Lidstaat 1 naar de vestiging in Brussel van een in België gevestigde belastingplichtige-indiener B. A is niet in België gevestigd (en heeft er geen vaste inrichting).
B deelt op voorhand zijn identiteit en Belgisch btw-identificatienummer mee aan A.
De verzending gebeurt in het kader van een bestaande overeenkomst onder de regeling voorraad op afroep tussen A en B waarbij B de eigendom van de goederen zal verkrijgen op het moment dat hij er zelf een koper voor vindt.
De goederen komen aan op 01.03.2022. De 12-maandentermijn begint op 02.03.2022 te lopen.
Op 17.09.2022 laat A de goederen terug vervoeren naar zijn vestiging in Lidstaat 1 zonder dat het recht om te beschikken over de goederen is overgedragen. De goederen komen aan in zijn vestiging in Lidstaat 1 op 20.09.2022. Hij neemt die terugkeer op in zijn consignantenregister en in zijn btw-opgave van de intracommunautaire handelingen in die lidstaat.
Ook B dient de verwijdering van de goederen uit het entrepot te vermelden in zijn consignatarisregister.
Hoewel de goederen uiteindelijk niet geleverd worden aan B, maar teruggezonden worden naar Lidstaat 1, wordt A niet geacht een overbrenging in de zin van artikel 17 richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, te hebben verricht van de goederen van Lidstaat 1 naar België. In België vindt bijgevolg geen bestemming van de goederen plaats in de zin van artikel 25quater, § 1, van het Btw-Wetboek.
Uiteraard wordt A evenmin geacht een overbrenging in de zin van artikel 12bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek te verrichten van België naar Lidstaat 1 in het kader van de terugzending van de goederen.
e. Vervanging van de consignataris
Indien de consignataris binnen de 12-maandentermijn (zie subrubriek c) wordt vervangen door een andere belastingplichtige, is er in België geen sprake van een bestemming van goederen in de zin van artikel 25quater, § 1, van het Btw-Wetboek op het tijdstip van de vervanging, voor zover:
• alle andere voorwaarden van de regeling (zie subrubriek a) zijn vervuld. Binnen de specifieke situatie van de vervanging houdt dit onder meer in dat:
o op het tijdstip waarop de overeenkomst inzake voorraad op afroep met de initiële consignataris afloopt:
§ de overeenkomst betreffende voorraad op afroep met de vervanger uitwerking moet hebben
§ de identiteit en het btw-identificatienummer van de vervanger moeten bekend zijn bij de consignant
o de consignant het btw-identificatienummer van de vervanger zal moeten opnemen in btw-opgave van de intracommunautaire handelingen overeenkomstig de regels die van toepassing zijn in de lidstaat van waaruit de goederen initieel werden vervoerd
• de consignant de vervanging opneemt in het register bedoeld in artikel 54bis, lid 1, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd (10).
(10) Ook de initiële consignataris en de vervanger moeten in dit verband hun verplichtingen met betrekking tot het consignatarisregister vervullen, maar dit betreft geen grondvoorwaarde voor de vervanging.
Zo niet stopt de regeling voorraad op afroep en maken de goederen in kwestie in België het voorwerp uit van een bestemming van goederen in de zin van artikel 25quater, § 1, van het Btw-Wetboek (in combinatie met artikel 12ter, § 7, van het Btw-Wetboek van toepassing, zie rubriek A, subrubriek f).
Op het tijdstip van de vervanging blijft de initiële 12-maandentermijn bedoeld in subrubriek c gewoon doorlopen. Er start dus geen nieuwe 12-maandentermijn.
Mits bovenstaande voorwaarden zijn vervuld, kan de vervanging ook betrekking hebben op een deel van de overeenkomst inzake voorraad op afroep tussen de consignant en de initiële consignataris. Het kan dus gebeuren dat de consignant en de initiële consignataris de overeenkomst inzake voorraad op afroep behouden voor andere goederen dan de goederen waarvoor de initiële consignataris werd vervangen door een andere consignataris.
In principe is het ook mogelijk dat de vervanger van de oorspronkelijke consignataris op zijn beurt vervangen wordt door nog een andere consignataris (onder de hierboven gestelde voorwaarden).
Er wordt benadrukt dat bij de vervanging van de consignataris de goederen in België moeten blijven om daar later te worden geleverd aan de nieuwe consignataris (die ook moet voldoen aan de voorwaarden).
In het kader van deze vervanging kunnen de goederen desgevallend opgeslagen blijven op dezelfde plaats dan wel worden vervoerd naar een andere plaats binnen België.
Goederen die in het kader van de regeling inzake voorraad op afroep van Lidstaat 1 naar België worden verzonden, mogen vervolgens niet naar nog een andere Lidstaat 2 worden verzonden of vervoerd in het kader de vervanging van de consignataris, met behoud van de regeling voorraad op afroep voor de eerste verzending. In dat geval wordt de initiële verzending van Lidstaat 1 naar België omgezet in een overbrenging die in België aanleiding geeft tot een bestemming die met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld (zie artikelen 25quater, § 1, en 12ter, § 7, derde lid, van het Btw-Wetboek en subrubriek f, punt iii). De verzending vanuit België naar Lidstaat 2 kan op zijn beurt wel gebeuren met toepassing van de regeling voorraad op afroep voor zover alle voorwaarden zijn vervuld.
Voorbeeld:
Een in Lidstaat 1 gevestigde belastingplichtige-indiener A verzendt goederen vanuit zijn vestiging in Lidstaat 1 naar de vestiging in Antwerpen van een in België gevestigde belastingplichtige-indiener B. A is niet in België gevestigd en heeft er geen vaste inrichting.
De verzending gebeurt in het kader van een bestaande overeenkomst onder de regeling voorraad op afroep tussen A en B waarbij B de eigendom van de goederen zal verkrijgen naarmate hij ze onttrekt aan de voorraad om ze te gebruiken voor zijn productie.
A neemt de verzending op in zijn consignantenregister en in zijn btw-opgave van de intracommunautaire handelingen overeenkomstig de regels van Lidstaat 1.
De goederen komen aan op 04.05.2020, hetgeen B vermeldt in zijn consignatarisregister. De 12-maandentermijn begint te lopen op 05.05.2020.
Op 06.08.2020 wordt B vervangen door de in België gevestigde belastingplichtige-indiener C en wordt de voorraad voor rekening van A verzonden van bij B naar de vestiging van C in Mechelen. De overeenkomst tussen A en C heeft uitwerking op het moment dat de overeenkomst tussen A en B afloopt.
C zal de eigendom van de goederen verkrijgen naarmate zij ze onttrekt aan de voorraad om ze te gebruiken voor zijn productie. Op het moment van de vervanging is de identiteit en het btw-nummer van C bekend bij A.
A vermeldt de vervanging in het consignantenregister en neemt de wijziging op in de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen die hij in Lidstaat 1 moet indienen.
Voor wat de goederen betreft waarop de vervanging betrekking heeft, wordt A niet geacht een overbrenging in de zin van artikel 17 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, te hebben verricht van Lidstaat 1 naar België. Die goederen maken in België dus niet het voorwerp uit van een bestemming van goederen in de zin van artikel 25quater, § 1, van het Btw-Wetboek.
In dit geval zal B de verwijdering van de goederen in opdracht van A moeten vermelden in zijn consignatarisregister.
f. Gevolgen wanneer één van de voorwaarden onder subrubriek a en subrubriek e niet langer vervuld zijn
i. Algemene regel (artikelen 25quater, § 1, tweede lid, en 12ter, § 7, eerste lid, van het Btw-Wetboek)
Wanneer één van de voorwaarden onder subrubriek a of subrubriek e binnen de 12-maandentermijn (zie subrubriek c) niet langer is vervuld, worden de goederen in kwestie in de lidstaat van waaruit ze werden verzonden geacht het voorwerp uit te maken van een overbrenging in de zin van artikel 17 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, op het tijdstip waarop desbetreffende voorwaarde niet langer is vervuld.
Gelijktijdig worden die goederen in België, geacht het voorwerp uit te maken van een bestemming die gelijkgesteld wordt met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel in de zin van artikel 25quater, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek.
In onderstaande specifieke situaties waarbij één van de voorwaarden binnen de 12-maandentermijn niet langer is vervuld, bepalen artikelen 25quater, § 1, tweede lid in combinatie met artikel 12ter, § 7, tweede lid en verder, van het Btw-Wetboek op welk tijdstip de voorwaarden niet langer geacht te zijn vervuld.
ii. Levering aan een andere persoon (artikelen 25quater, § 1, tweede lid, en 12ter, § 7, tweede lid, van het Btw-Wetboek)
Wanneer de goederen worden geleverd aan een andere persoon dan de consignataris of zijn vervanger (zie subrubriek e) worden de voorwaarden onder subrubriek a of subrubriek e geacht niet langer te zijn vervuld onmiddellijk vóór dergelijke levering.
Met onmiddellijk vóór de levering wordt dezelfde dag bedoeld als de dag waarop de levering tussen de consignant en de andere persoon plaatsvindt.
Het kan bijvoorbeeld gaan om volgende types leveringen aan een andere persoon dan de consignataris of zijn vervanger:
• een lokale levering waarbij de goederen de lidstaat (waarnaar ze in het kader van de regeling voorraad op afroep werden verzonden of vervoerd) niet verlaten
• een intracommunautaire levering
• een uitvoer in het kader van een levering
• een verkoop op afstand.
Voorbeeld:
Een in Lidstaat 1 gevestigde belastingplichtige-indiener A verzendt goederen vanuit zijn vestiging in Lidstaat 1 naar België. De goederen zijn bestemd voor belastingplichtige-indiener B die gevestigd is in België. A is niet in België gevestigd (en heeft er geen vaste inrichting).
B deelt op voorhand zijn identiteit en zijn Belgisch btw-identificatienummer mee aan A.
De verzending gebeurt in het kader van een bestaande overeenkomst onder de regeling voorraad op afroep tussen A en B waarbij B de eigendom van de goederen zal verkrijgen naarmate hij ze onttrekt aan de voorraad om ze te gebruiken voor zijn productie.
A neemt de verzending van de goederen op in zijn consignantenregister en neemt het btw-identificatienummer van B op in de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen overeenkomstig de regels die gelden in Lidstaat 1.
De goederen komen aan op 11.03.2020, hetgeen B vermeldt in zijn consignatarisregister. De 12-maandentermijn begint te lopen op 12.03.2020.
Op 12.04.2020 levert A een deel van de goederen aan C in Lidstaat 2 en vervoert de goederen naar C. Voor de overige goederen blijft de overeenkomst tussen A en B behouden. Er is geen sprake van een vervanging volgens de voorwaarden van artikel 17bis, lid 6, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd (vergelijk artikel 12ter, § 6, van het Btw-Wetboek).
Voor wat betreft het gedeelte goederen dat aan C wordt geleverd, is op 12.04.2020 niet langer voldaan aan de voorwaarden voor de regeling voorraad op afroep. Op die dag wordt A geacht in Lidstaat 1 een overbrenging te verrichten in de zin van artikel 17 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd (vergelijk 12bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek). In België wordt A op dezelfde dag geacht een bestemming te verrichten die gelijkgesteld wordt met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel (artikel 25quater, § 1, van het Btw-Wetboek).
A is gehouden om zich in België voor btw-doeleinden te identificeren (zie artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek), deze bestemming op te nemen in roosters 81 en 86 van zijn Belgische periodieke btw-aangifte en via die aangifte de verschuldigde btw te voldoen door deze op te nemen in rooster 55 (die hij desgevallend kan aftrekken in rooster 59 van dezelfde aangifte).
iii. Verzending of vervoer van de goederen naar een ander land (artikelen 25quater, § 1, tweede lid, en 12ter, § 7, derde lid, van het Btw-Wetboek)
Wanneer de goederen worden verzonden of vervoerd naar een ander land dan de lidstaat waaruit zij oorspronkelijk werden verplaatst, worden de voorwaarden onder subrubriek a of subrubriek e geacht niet langer te zijn vervuld onmiddellijk vóór de aanvang van een dergelijke verzending of vervoer.
Met onmiddellijk vóór de levering wordt dezelfde dag bedoeld als de dag waarop de verzending of het vervoer aanvangt.
Hier wordt de situatie bedoeld waarbij de consignant de goederen niet levert aan de consignataris (in het kader van de regeling voorraad op afroep), niet levert aan een andere persoon (zie subrubriek f, punt ii) en ze ook niet terugstuurt naar de lidstaat van waaruit ze initieel werden verzonden (zie subrubriek d), maar ze verzendt of vervoert naar een ander land (een andere lidstaat, een derde land of derdelands gebied), bijvoorbeeld om ze daar op te slaan en later te verkopen.
Wanneer de goederen worden verzonden naar een ander land in het kader van een levering van goederen aan een andere persoon dan de consignataris of zijn vervanger, is de situatie bedoeld onder subrubriek f, punt ii, van toepassing.
Als de eerste verzending of het eerste vervoer onder de regeling voorraad op afroep werd omgezet naar een overbrenging in de lidstaat van verzending (Lidstaat 1) en een bestemming die gelijkgesteld wordt met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel in België omdat de goederen worden verzonden naar een andere lidstaat (Lidstaat 3), dan kan de verzending vanuit België naar Lidstaat 3 op haar beurt het voorwerp uitmaken van de regeling voorraad op afroep als alle voorwaarden voldaan zijn.
Wanneer vervolgens de macht om als eigenaar over de goederen te beschikken niet is overgedragen aan de nieuwe consignataris in Lidstaat 3 en de goederen binnen de 12-maandentermijn worden teruggezonden, dan kan een overbrenging in België enkel worden vermeden wanneer de goederen terugkeren naar de lidstaat waaruit ze werden verzonden, zijnde België. Als de goederen worden 'teruggezonden' naar Lidstaat 1, vindt er een overbrenging plaats van België naar Lidstaat 3 (beëindiging regeling voorraad op afroep) en van Lidstaat 3 naar Lidstaat 1.
Voorbeeld:
Een in Lidstaat 1 gevestigde belastingplichtige-indiener A verzendt goederen vanuit zijn vestiging in Lidstaat 1 naar België. De goederen zijn bestemd voor belastingplichtige-indiener B die gevestigd is in België. A is niet in België gevestigd (en heeft er geen vaste inrichting).
B deelt op voorhand zijn identiteit en zijn Belgisch btw-identificatienummer mee aan A.
De verzending gebeurt in het kader van een bestaande overeenkomst tussen A en B waarbij B de eigendom van de goederen zal verkrijgen naarmate hij ze onttrekt aan de voorraad om ze te gebruiken voor zijn productie.
A neemt de verzending van de goederen op in zijn consignantenregister en neemt het btw-identificatienummer van B op in de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen overeenkomstig de regels die gelden in Lidstaat 1.
De goederen komen aan op 11.03.2020, hetgeen B vermeldt in zijn consignatarisregister. De 12-maandentermijn begint te lopen op 12.03.2020.
Op 12.04.2020 vervoert A een deel van de goederen naar een opslagplaats in Lidstaat 2 voor opslag en stopt de overeenkomst tussen A en B voor die goederen. Voor de overige goederen blijft de overeenkomst tussen A en B wel behouden.
Voor wat betreft het gedeelte goederen dat naar Lidstaat 2 wordt vervoerd, is op 12.04.2020 (datum aanvang vervoer) niet langer voldaan aan de voorwaarden voor de regeling voorraad op afroep. Op die dag wordt A geacht in lidstaat 1 een overbrenging te verrichten in de zin van artikel 17 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd. In België wordt A op datzelfde tijdstip geacht een bestemming te verrichten die gelijkgesteld wordt met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel (artikel 25quater, § 1, van het Btw-Wetboek).
A is gehouden om zich in België voor btw-doeleinden te identificeren (zie artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek), deze bestemming op te nemen in roosters 81 en 86 van zijn Belgische periodieke btw-aangifte en via die aangifte de verschuldigde btw te voldoen door deze op te nemen in rooster 55 (die hij desgevallend kan aftrekken in rooster 59 van dezelfde aangifte).
A verricht in België bovendien een overbrenging van die goederen naar Lidstaat 2 (artikel 12bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek) met alle gevolgen van dien.
iv. Vernietiging, verlies of diefstal van de goederen (artikelen 25quater, § 1, tweede lid en 12ter, § 7, vierde lid, van het Btw-Wetboek)
Ingeval van vernietiging, verlies of diefstal van de goederen worden de voorwaarden voor de regeling inzake voorraad op afroep (zie subrubriek a en subrubriek e) geacht niet langer te zijn vervuld op de datum waarop de goederen daadwerkelijk werden verwijderd of vernietigd.
Indien het onmogelijk is om deze datum te bepalen, geldt de datum waarop werd vastgesteld dat de goederen waren vernietigd of verdwenen.
De consignant kan zijn recht op aftrek uitoefenen (binnen de voorwaarden van artikel 45 van het Btw-Wetboek) van de btw geheven over de bestemming die in België wordt gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving van goederen, voor zover de vernietiging, het verlies of de diefstal van de goederen kan worden bewezen (11).
(11) Dit bewijs is ook van belang voor de consignant om de toepassing van het vermoeden van artikel 64, § 1, van het Btw-Wetboek te vermijden. Er wordt bovendien opgemerkt dat in hoofde van de consignataris het weerlegbaar wettelijk vermoeden bestaat dat in consignatie gegeven goederen (inclusief de verzending van een voorraad op afroep) worden geacht door de consignataris te zijn gekocht, indien deze niet kan bewijzen dat hij ze onder zich houdt of ze aan de afzender of de consignant heeft teruggestuurd (artikel 65 van het Btw-Wetboek).
Het btw-comité gaat quasi unaniem akkoord (inclusief België) dat kleine verliezen van goederen onder de regeling voorraad op afroep die het gevolg zijn van de aard van de goederen, van onvoorzienbare omstandigheden of van een instructie of toelating van de bevoegde autoriteiten, geen aanleiding geven tot een overbrenging in de zin van artikel 17 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd.
Het btw-comité gaat met een grote meerderheid akkoord (inclusief België) dat voor de regeling voorraad op afroep 'kleine verliezen' betekenen: verliezen die maximaal 5 % bedragen van de waarde of de hoeveelheid van de totale voorraad op de datum, na aankomst in de opslagruimte, dat de goederen effectief zijn verwijderd of vernietigd, of als het onmogelijk is om die datum te bepalen, de datum waarop wordt vastgesteld dat de goederen zijn vernietigd of vermist.
Met het oog op een werkbare toepassing van deze bepaling aanvaardt de Belgische administratie evenwel dat de consignant niet geacht wordt een bestemming te verrichten in België die gelijkgesteld wordt met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel, ingeval van (zelfs volledig(e)) verlies, vernietiging of diefstal van de goederen onder de volgende cumulatieve voorwaarden:
• dit wordt opgenomen in het register van de consignant (zie rubriek C, subrubriek a en rubriek C, subrubriek b)
• het verlies, de vernietiging of de diefstal van de goederen kan tot tevredenheid van de administratie worden bewezen (12).
(12) Dit bewijs moet slaan op het bestaan van de bijzondere omstandigheden die de goederen hebben doen verdwijnen en op de juiste omvang van het verlies dat er het gevolg van was. Wanneer de belastingplichtige vrijwillig onverkoopbare goederen wil vernietigen, dan moet hij er overigens voor zorgen dat hij deze vernietiging door de controlediensten laat vaststellen of dat hij er zich op andere wijze een bewijs van aanschaft.
Het voormelde bewijs kan bijvoorbeeld worden geleverd door een aangifte van diefstal bij de politie, een interventieverslag van de brandweer, door de betaling van een vergoeding door een verzekeringsmaatschappij of door een proces-verbaal opgemaakt door een ambtenaar van de FOD Financiën, vaststellende dat de goederen door overmacht of door vrijwillige vernietiging verloren zijn gegaan.
Het verlies dat ontstaat tijdens vervoer of bewerking en het normale verlies dat in sommige handelstakken voorkomt (verse vruchten of groenten, groenten in het algemeen, bloemen, de normale verdamping van bepaalde vloeistoffen, enzovoort) zal evenwel steeds worden aanvaard zonder dat er daarvoor bijzondere bewijsstukken moeten worden voorgelegd.
Kunnen bijvoorbeeld niet dienen als tegenbewijs:
• loutere beweringen, zonder dat het bewijs ervan wordt geleverd aan de controleambtenaar (voorbeelden: gemis aan bewijs van diefstal of vernietiging, of van vrijwillige vernietiging van goederen wegens onverkoopbaarheid)
• de aangifte die door de betrokkene voor de heffing van de directe belastingen werd onderschreven
• de gegevens van een boekhouding die niet voldoende bewijskrachtig is.
De consignant is niet verplicht om deze tolerantie toe te passen.
In dit verband wordt benadrukt dat de lidstaat van vertrek van de goederen soeverein de bepalingen inzake overbrengingen en de regeling voorraad op afroep toepast (zie artikel 17 en 17bis van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd). Deze tolerantie geldt dus enkel voor de gevolgen van de aankomst van de goederen op het Belgische grondgebied en doet geen afbreuk aan de regels die worden opgelegd in de lidstaat van vertrek van de goederen naar aanleiding van de verzending.
C. Verplichtingen betreffende de regeling inzake voorraad op afroep
a. Het consignantenregister
De consignant die in het kader van de regeling inzake voorraad op afroep goederen verzendt vanuit België naar een andere lidstaat is verplicht om een register bij te houden dat de administratie in staat stelt om de correcte toepassing van de regeling te controleren (artikel 54bis, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek en artikel 24bis van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).
Dit register moet voor elke handeling de volgende informatie bevatten (zie artikel 54bis, lid 1, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd):
a. de lidstaat waaruit de goederen zijn verzonden of vervoerd en de datum van verzending of vervoer van de goederen
b. het btw-identificatienummer van de consignataris, toegekend door de lidstaat waarnaar de goederen worden verzonden of vervoerd
c. de lidstaat waarnaar de goederen worden verzonden of vervoerd, het btw-identificatienummer van de entrepothouder, het adres van het entrepot waarde goederen bij aankomst worden opgeslagen en de datum van aankomst van de goederen in het entrepot
d. de waarde, de beschrijving en de hoeveelheid van de in het entrepot aangekomen goederen
e. het btw-identificatienummer van de belastingplichtige die de consignataris vervangt onder de in rubriek A, subrubriek e, bedoelde omstandigheden
f. de maatstaf van heffing, de beschrijving en de hoeveelheid van de geleverde goederen en de datum waarop de levering van de goederen plaatsvindt, en het btw-identificatienummer van de koper
g. de maatstaf van heffing, de beschrijving en de hoeveelheid van de goederen, de datum waarop één van de onder rubriek A, subrubriek f, bedoelde omstandigheden zich voordoet en de respectieve grond overeenkomstig artikel 12ter, § 7, van het Btw-Wetboek
h. de waarde, de beschrijving en de hoeveelheid van de teruggezonden goederen en de datum van terugzending van de goederen als bedoeld in rubriek A, subrubriek d.
De waarde zoals bedoeld in punt d en h moet worden bepaald op dezelfde manier waarop:
• de maatstaf van heffing wordt bepaald van een overbrenging (zie artikel 33bis van het Btw-Wetboek)
• de waarde wordt bepaald van verzonden goederen die in het register van niet-overbrengingen moeten worden opgenomen (zie artikel 54bis, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek en artikelen 23 en 24, 7° van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd)
en is dus: de aankoopprijs van de goederen of soortgelijke goederen of, indien er geen aankoopprijs is, de kostprijs, in voorkomend geval rekening houdend met artikel 26, § 1, tweede en derde lid, en met artikel 28 van het Btw-Wetboek bepaald op het tijdstip waarop die handelingen worden verricht.
Elk lid van een btw-eenheid houdt het consignantenregister voor de handelingen die hem betreffen (zie artikel 24bis, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).
De inschrijvingen in het register worden zonder enig wit vlak noch leemte verricht. Ingeval van verbeteringen moet de oorspronkelijke inschrijving leesbaar blijven.
Artikel 29, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, bepaalt dat vóór elk gebruik het register moet worden voorgelegd om geviseerd en geparafeerd te worden op het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingplichtige ressorteert. Deze verplichting is opgeheven op het gebied van boekhouding (zie artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 25.01.2005 tot wijziging van het koninklijk besluit van 12.09.1983 tot uitvoering van de wet van 17.07.1975 op de boekhouding van de ondernemingen, het koninklijk besluit van 12.09.1983 tot bepaling van de minimumindeling van een algemeen rekeningstelsel en het koninklijk besluit van 16.06.1994 tot vaststelling van de bijdrage van de ondernemingen in de werkingskosten van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen). Bij administratieve tolerantie is deze verplichting van visa en paraaf opgeschort.
Het register kan op geïnformatiseerde wijze worden gehouden (zie artikel 29, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).
Overeenkomstig artikel 64, § 1, van het Btw-Wetboek bestaat het weerlegbaar wettelijk vermoeden dat hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen behoudens tegenbewijs wordt geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt. De consignant heeft er dus alle belang bij om het consignantenregister nauwgezet bij te houden aangezien het een belangrijk element is om het vermoeden te weerleggen.
b. Het consignatarisregister
De consignataris aan wie goederen in het kader van de regeling inzake voorraad op afroep worden geleverd in België, houdt een register van deze goederen bij dat de administratie in staat stelt om de correcte toepassing van de regeling te controleren (zie artikel 54bis, § 1, vierde lid, van het Btw-Wetboek en artikel 24ter van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).
Dit register moet voor elke handeling de volgende informatie bevatten (zie artikel 54bis, lid 2, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd):
a. het btw-identificatienummer van de consignant
b. de beschrijving en de hoeveelheid van de voor hem bestemde goederen
c. de datum van aankomst in het entrepot van de voor hem bestemde goederen
d. de maatstaf van heffing, de beschrijving en de hoeveelheid van de aan hem geleverde goederen en de datum waarop de intracommunautaire verwerving van de goederen (zie rubriek B, subrubriek b) geacht werd plaats te vinden
e. de beschrijving en de hoeveelheid van de goederen en de datum waarop de goederen in opdracht van de consignant uit het entrepot worden verwijderd
f. de beschrijving en de hoeveelheid van de vernietigde of verdwenen goederen en de datum van vernietiging, verlies of diefstal van de voordien in het entrepot aangekomen goederen of de datum waarop de vernietiging of verdwijning van de goederen is vastgesteld.
De informatie bedoeld onder punten c, e en f moet niet in het consignatarisregister worden opgenomen, wanneer de goederen in het kader van de regeling inzake voorraad op afroep worden verzonden of vervoerd naar een entrepothouder die niet de consignataris is (zie artikel 54bis, lid 2, tweede alinea, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd).
Elke lid van een btw-eenheid houdt het consignatarisregister voor de handelingen die hem betreffen (artikel 24ter, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).
De inschrijvingen in het register worden zonder enig wit vlak noch leemte verricht. Ingeval van verbeteringen moet de oorspronkelijke inschrijving leesbaar blijven.
Artikel 29, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, bepaalt dat vóór elk gebruik het register moet worden voorgelegd om geviseerd en geparafeerd te worden op het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingplichtige ressorteert. Deze verplichting is opgeheven op het gebied van boekhouding (zie artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 25.01.2005 tot wijziging van het koninklijk besluit van 12.09.1983 tot uitvoering van de wet van 17.07.1975 op de boekhouding van de ondernemingen, het koninklijk besluit van 12.09.1983 tot bepaling van de minimumindeling van een algemeen rekeningstelsel en het koninklijk besluit van 16.06.1994 tot vaststelling van de bijdrage van de ondernemingen in de werkingskosten van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen). Bij administratieve tolerantie is deze verplichting van visa en paraaf opgeschort.
Het register kan op geïnformatiseerde wijze worden gehouden (zie artikel 29, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).
Overeenkomstig artikel 65 van het Btw-Wetboek bestaat het weerlegbaar wettelijk vermoeden dat in consignatie gegeven goederen worden geacht door de consignataris te zijn gekocht, indien deze niet kan bewijzen dat hij ze onder zich houdt of ze aan de afzender of de consignant heeft teruggestuurd. In die situatie heeft de consignataris er alle belang bij om het consignatarisregister nauwgezet bij te houden aangezien het een belangrijk element is om het vermoeden te weerleggen.
c. Opname van de verzending in de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen
i. Verzending consignatievoorraad van België naar een andere lidstaat
De consignant neemt de verzending van goederen in het kader van de regeling voorraad op afroep van België naar een andere lidstaat, op in deel 2 van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen die betrekking heeft op het tijdvak waarin de verzending aanvangt (artikel 53sexies, § 1, 4°, van het Btw-Wetboek en artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 50, voornoemd).
De consignant doet dit door het btw-identificatienummer te vermelden van de consignataris dat aan laatstgenoemde werd toegekend door de lidstaat van aankomst van de goederen.
Indien hij meerdere voorraden naar dezelfde consignataris in dezelfde lidstaat verzendt, binnen hetzelfde aangiftetijdvak van deel 2 van de btw-opgave, moet het btw-identificatienummer van de consignataris slechts eenmaal worden vermeld.
Hij dient ook kennis te geven van iedere wijziging in de ingediende informatie. Hiermee worden wijzigingen aan het btw-identificatienummer van de consignataris bedoeld, met name:
• de (gedeeltelijke) vervanging van de consignataris overeenkomstig artikel 12ter, § 6, van het Btw-Wetboek (zie rubriek A, subrubriek e) De consignant neemt de volgende gegevens op in deel 2 van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen die betrekking heeft op het tijdvak waarin de vervanging plaatsvindt (13):
o btw-identificatienummer van de initiële consignataris
o btw-identificatienummer van de vervanger (de nieuwe consignataris)
• de (gedeeltelijke) terugzending van de goederen naar België overeenkomstig artikel 12ter, § 5, van het Btw-Wetboek. De consignant neemt de volgende gegevens op in deel 2 van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen die betrekking heeft op het tijdvak waarin de goederen het Belgische territorium terug zijn binnengekomen of het tijdvak waarin de goederen zijn aangekomen in zijn magazijn in België, en dus niet het tijdvak waarin de terugzending aanvangt (14):
o het Belgische btw-identificatienummer van de consignant
o het btw-identificatienummer op van de consignataris voor wie de goederen voorheen bestemd waren.
(13) Dit geldt ook wanneer de initiële verzending naar de consignataris heeft plaatsgevonden in hetzelfde aangifte tijdvak van deel 2 van de btw-opgave als dat van de vervanging.
(14) Dit geldt ook wanneer de initiële verzending naar de consignataris heeft plaatsgevonden in hetzelfde aangiftetijdvak van deel 2 van de btw-opgave als dat van aankomst ingeval van terugzending
ii. Levering van het goed aan de consignataris wanneer goederen werden verzonden vanuit België naar een andere lidstaat
Op het moment dat de levering van een goed uit de voorraad op afroep plaatsvindt door de consignant aan de consignataris, wordt de consignant geacht een intracommunautaire levering in de zin van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek te verrichten (zie rubriek A, subrubriek b).
Deze levering moet worden opgenomen in deel 1 van de btw-opgave van het tijdvak waarin het tijdstip van opeisbaarheid met betrekking tot die levering zich heeft voorgedaan.
Deze handelingen worden opgenomen met vermelding van de code 'L'.
d. Opmaken van het stuk van artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd
Het stuk bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd dat onder meer moeten worden opgesteld ingeval van zendingen in consignatie moet niet worden opgesteld door:
• de consignant wanneer hij het consignantenregister (zie subrubriek a en artikel 24bis van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd) moet aanvullen
• de consignataris wanneer hij het consignatarisregister (zie subrubriek b en artikel 24ter van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd) moet aanvullen.
D. Overgangsregeling
Vóór 01.01.2020 bestond er reeds een facultatieve vereenvoudigingsregeling voor consignatiezendingen en overbrengingen van voorraden die naar België werden vervoerd of verzonden.
Deze regeling wordt uitvoerig besproken in aanschrijving nr. 16/1994 van 04.07.1994. Consignatiezendingen en overbrengingen zoals bedoeld in die aanschrijving vallen nu onder de categorie voorraad op afroep.
Veel lidstaten hadden vóór 01.01.2020 een eigen vereenvoudigingsregeling inzake voorraad op afroep.
De nieuwe regeling voorraad op afroep is slechts van toepassing op goederen die onder die regeling worden verzonden of vervoerd vanuit België naar een andere lidstaat of omgekeerd vanaf 01.01.2020 (zie artikel 11 van de wet van 03.11.2019 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde ter omzetting van de richtlijn (EU) 2019/475 en richtlijn (EU) 2018/1910).
Wanneer de verzending of het vervoer van de goederen van België naar een andere lidstaat of omgekeerd aanvangt vóór 01.01.2020, kan de nieuwe regeling voorraad op afroep niet van toepassing zijn, zelfs indien de aankomst van de goederen in de lidstaat van bestemming plaatsvindt na 01.01.2020.
a. Het vervoer van de goederen van België naar een andere lidstaat vangt aan vóór 01.01.2020
Indien een vereenvoudigingsregeling van toepassing is in de lidstaat van aankomst van de goederen, zal daarmee rekening worden gehouden (zie hoofdstuk 4 van de aanschrijving nr. 16/1994 van 04.07.1994).
b. Het vervoer van de goederen van een andere lidstaat naar België vangt aan vóór 01.01.2020 verzonden
i. De vereenvoudigingsregeling van hoofdstuk 3 van de aanschrijving nr. 16/1994 van 04.07.1994 werd niet toegepast
Het vervoer of de verzending van goederen in het kader van een consignatiezending of overbrenging van voorraad (zoals bedoeld in de aanschrijving nr. 16/1994 van 04.07.1994) vóór 01.01.2020 vanuit een andere lidstaat naar België heeft in hoofde van de consignant aanleiding gegeven tot:
• een overbrenging door de consignant in de lidstaat waaruit de goederen werden verzonden of vervoerd door of voor zijn rekening
• een bestemming door de consignant in België die gelijkgesteld wordt met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel.
In het kader van die overbrenging heeft de consignant zich in België voor btw-doeleinden laten identificeren.
De nieuwe regeling inzake voorraden op afroep is niet van toepassing op die goederen.
Wanneer na 01.01.2020 de macht om als eigenaar over de goederen te beschikken wordt overgedragen door de consignant aan de consignataris, verricht de consignant een lokale levering in België aan de consignataris (artikel 14, § 1, van het Btw-Wetboek). In voorkomend geval wordt de btw verlegd naar de consignataris in toepassing van artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek.
ii. De vereenvoudigingsregeling van hoofdstuk 3 van de aanschrijving nr. 16/1994 van 04.07.1994 werd wel toegepast
Het vervoer of de verzending van goederen in het kader van een consignatiezending of overbrenging van voorraad (zoals bedoeld in de aanschrijving nr. 16/1994 van 04.07.1994) vóór 01.01.2020 vanuit een andere lidstaat naar België heeft aanleiding gegeven tot:
• een overbrenging door de consignant in de lidstaat waaruit de goederen werden verzonden of vervoerd door of voor zijn rekening (met vermelding van het btw-nummer van de consignataris in de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen)
• een bestemming door de consignant in België die wordt gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel, waarvoor de consignataris werd aangeduid als schuldenaar van de btw en die de consignataris heeft opgenomen als een inkomende handeling in zijn periodieke btw-aangifte (rooster 86 en de verschuldigde en aftrekbare btw respectievelijk in rooster 55 en 59).
De nieuwe regeling voorraad op afroep is niet van toepassing zijn op die goederen.
Wanneer na 01.01.2020 de macht om als eigenaar over de goederen te beschikken wordt overgedragen door de consignant aan de consignataris, blijven de randnummers 47 tot en met 51 van de aanschrijving nr. 16/1994 van 04.07.1994 van toepassing. In dit verband wordt opgemerkt dat de verlegging van heffing van artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek nog niet bestond op datum van die aanschrijving. Het spreekt voor zich dat die verlegging van heffing bij voorrang van toepassing is op de verlegging zoals bedoeld in randnummer 47 van die aanschrijving wanneer de voorwaarden van artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek zijn voldaan.
Vervanging van de consignataris:
Wanneer een in een andere lidstaat gevestigde consignant die goederen verzonden heeft naar een in België gevestigde consignataris onder de vereenvoudigingsregeling van aanschrijving nr. 16/1994 van 04.07.1994, het geheel van de verzonden of de resterende consignatiegoederen wil verzenden naar een andere in België gevestigde consignataris, dient de consignant een verbeterend stuk op te maken zoals bedoeld in beslissing nr. E.T. 87.461 van 22.10.1996 om het stuk dat de oorspronkelijke overbrenging van de consignatiegoederen naar de eerste consignataris vaststelde te corrigeren.
De eerste consignataris verwerkt dit stuk als een negatieve verbetering van de met een intracommunautaire verwerving gelijkgestelde bestemming door opname van dit stuk in het inkomend factuurboek van de afzonderlijke boekhouding die hij voor elke consignant moet voeren (zie aanschrijving nr. 16/1994 van 04.07.1994, randnummers 42, 4° en 55). Vervolgens neemt hij het bedrag van deze verbetering op in het rooster 84 van zijn periodieke btw-aangifte.
Een nieuw stuk zoals voorgeschreven in punt 42, 7° van bovengenoemde aanschrijving nr. 16/1994 van 04.07.1994, dient te worden opgemaakt en overgemaakt aan de nieuwe consignataris.
Laatstgenoemde verwerkt dit document in de afzonderlijke boekhouding die hij voor elke consignant moet voeren, bij toepassing van de vereenvoudigingsmaatregelen voor consignatiezendingen zoals beschreven in de aanschrijving nr. 16/1994 van 04.07.1994.
Bovendien wordt de in België met een intracommunautaire verwerving van goederen gelijkgestelde bestemming door hem opgenomen in het rooster 86 van zijn periodieke btw-aangifte (de tussen consignant en consignataris overeengekomen prijs) en in het rooster 55 van deze aangifte (de verschuldigde btw). De nieuwe consignataris oefent zijn recht op aftrek uit via opname van de in zijn hoofde aftrekbare btw in het rooster 59 van zijn periodieke btw-aangifte.
Terugzending onverkochte goederen naar consignant:
Bovenstaande procedure mag eveneens worden toegepast bij terugname door de consignant van goederen die naar een consignataris werden toegezonden, maar onverkocht naar hem terugkeren.
Vanzelfsprekend bestaat in dergelijk geval alleen de noodzaak om een verbeterend stuk op te maken (zie beslissing nr. E.T. 87.461 van 22.10.1996).
Verkoop aan een derde door de consignant (buiten vervanging):
Ten slotte wordt er nog op gewezen dat de rechtstreekse verkoop door een consignant aan een derde van door hem toegezonden voorraad op afroep van goederen buiten de toepassing van de vereenvoudigingsregeling van aanschrijving nr. 16/1994 van 04.07.1994 blijft (beslissing nr. E.T. 87.461 van 22.10.1996).
[Top]
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.