Plaats van de levering, grensoverschrijdende distributienetwerken, aardgas, elektriciteit · Administratieve beslissingen

Naar de tekst
Juriel

25 januari 2011

Zoeken

Plaats van de levering, grensoverschrijdende distributienetwerken, aardgas, elektriciteitplaats van de levering – grensoverschrijdende distributienetwerken – aardgas – elektriciteit – warmte en koude – invoer - belastingfraude

https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/plaats-levering-grensoverschrijdende-distributienetwerken-aardgas-86dc

Datum
25 januari 2011

Over het document

Verzameling
Administratieve beslissingen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

47 paragrafen

25.01.2011 - Informaties en mededelingen (A.O.I.F.-BTW)

EERSTE COMMENTAAR VAN DE WET VAN 29 DECEMBER 2010 TOT WIJZIGING VAN HET BTW-WETBOEK

Plaats van de levering - Grensoverschrijdende distributienetwerken - Aardgas - Elektriciteit - Warmte en koude - Invoer - Belastingfraude

Bepaalde aspecten van de BTW-reglementering werden gewijzigd ingevolge de implementatie in Belgisch recht van Richtlijn 2009/162/EU van de Raad van 22 december 2009 tot wijziging van enkele bepalingen van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde enerzijds, en van Richtlijn 2009/69/EG van de Raad van 25 juni 2009 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de belastingfraude bij invoer anderzijds.

Richtlijn 2009/162/EU werd in intern recht omgezet bij de wet van 29 december 2010 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (BS van 31 december 2010). Die wet past ook diverse bepalingen van dat wetboek aan om ze beter in overeenstemming te brengen met Richtlijn 2006/112/EG.

Daarnaast past het koninklijk besluit van 22 december 2010 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (BS van 31 december 2010), laatstgenoemd besluit aan om het te conformeren aan Richtlijn 2009/69/EG.

Wat de BTW-regelgeving bij invoer betreft hebben voornoemde wijzigingen uitsluitend betrekking op de vrijstellingen bedoeld in artikel 40, § 1, 1°, d, van het BTW-Wetboek (invoer van goederen bestemd om naar een andere lidstaat van de Gemeenschap te worden overgebracht) en in artikel 40, § 1, 3°, van het BTW-Wetboek (invoer van gas en elektriciteit).

De nieuwe bepalingen, waarvan de tekst in bijlage gaat, zijn in voege getreden op 1 januari 2011.

1. Vrijstelling bedoeld in artikel 40, § 1, 1°, d, van het BTW-Wetboek

Artikel 40, § 1, 1°, d, van het BTW-Wetboek verleent vrijstelling van BTW voor de invoer in België van goederen die vanuit een derde land of een derdelandsgebied naar een andere lidstaat dan België worden verzonden of vervoerd indien de levering van deze goederen door de geadresseerde, d.w.z. de persoon op wiens naam de ter zake van invoer verschuldigde BTW moet worden voldaan, vrijgesteld is overeenkomstig artikel 39bis van datzelfde wetboek.

1.1. Dat artikel werd geherformuleerd bij artikel 10, a), van voornoemde wet van 29 december 2010. Die wijziging heeft louter tot doel voornoemd artikel 40, § 1, 1°, d, tekstueel nauwer te laten aansluiten bij artikel 143, lid 1, d), van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en heeft derhalve geen invloed op de draagwijdte van de vrijstelling.

1.2. Zoals dat reeds in het verleden het geval was, is de vrijstelling niet alleen toepasselijk op de invoer van goederen die bij het binnenkomen in België onmiddellijk voor het verbruik worden aangegeven, maar ook op de invoeren die plaatsvinden ingevolge de onttrekking hier te lande van goederen aan één van de opschortende regelingen bedoeld in artikel 23, §§ 4 en 5 van het BTW-Wetboek (bvb de regeling douane-entrepot).

1.3. Artikel 39 van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 bevat de toepassingsmodaliteiten van de vrijstelling. Het werd gewijzigd bij artikel 1 van voornoemd koninklijk besluit van 22 december 2010 onder meer om het in overeenstemming te brengen met Richtlijn 2009/69/EG. Die richtlijn legt op communautair niveau een aantal minimumvoorwaarden vast die door de lidstaten moeten worden nageleefd om de vrijstelling toe te staan.

Het nieuwe artikel 39 van het koninklijk besluit nr. 7 stelt dan ook de voorwaarden vast waaronder de vrijstelling van artikel 40, § 1, 1°, d, van het BTW-Wetboek voortaan van toepassing is:

a) Het nieuwe artikel 39, § 1, eerste lid, van het K.B. nr. 7 stelt expliciet dat de vrijstelling van artikel 40, § 1, 1°, d, slechts toepasselijk is voor zover de verplichtingen die zijn opgelegd bij de artikelen 1 tot 3 van datzelfde besluit worden nageleefd. Daaruit volgt dat de vrijstelling geen toepassing vindt wanneer de douaneverplichtingen inzake aangifte van de goederen niet worden nageleefd. Het recht op vrijstelling vervalt daardoor niet alleen in de gevallen waarin goederen worden ingevoerd zonder aangifte of bij poging daartoe, maar ook wanneer goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken na hun aangifte voor het verbruik maar vóór hun vrijgave door de douane.

b) Het nieuwe artikel 39, § 1, tweede lid, van het K.B. nr. 7 bepaalt dat de vrijstelling slechts toepassing vindt voor zover de aangifte voor het verbruik, naast de gebruikelijke vermeldingen bedoeld in artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 7 (waaronder het Belgisch BTW-identificatienummer van de geadresseerde), ook het BTW-identificatienummer vermeldt dat in een andere lidstaat werd toegekend aan de klant van de geadresseerde aan wie de goederen intracommunautair worden geleverd of het BTW-identificatienummer, toegekend aan de geadresseerde in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen, indien deze het voorwerp uitmaken van een overbrenging door die geadresseerde. Wanneer de aangifte voor het verbruik geen melding maakt van een geldig BTW-identificatienummer dat door een andere lidstaat is uitgereikt aan de geadresseerde of zijn klant, kan de vrijstelling derhalve geen toepassing vinden.

c) De geadresseerde moet, overeenkomstig het bepaalde in § 1, derde lid van het nieuwe artikel 39, op het tijdstip van de aangifte voor het verbruik het bewijs kunnen leveren dat de ingevoerde goederen bestemd zijn om vanuit België te worden vervoerd of verzonden naar een andere lidstaat van de Gemeenschap indien hij daartoe door de betrokken douanediensten worden verzocht.

Dat bewijs kan worden geleverd door een geheel van overeenstemmende handelsstukken zoals bestelbons, vervoerfacturen, vervoercontracten en betalingsstukken. Wanneer het vervoer wordt verricht met de eigen vervoermiddelen van de verkoper of de koper, is het bij de ontstentenis van een derde/vervoerder evenwel moeilijker om het bestaan van het vervoer aan te tonen. In dat geval kunnen een geschreven opdracht (telex, bestelbon) die uitgaat van de koper en waarin uitdrukkelijk wordt vermeld dat de goederen bestemd zijn om te worden vervoerd naar een andere lidstaat, evenals betalingsstukken m.b.t. tot eventuele voorschotten die reeds door de koper werden voldaan, elementen van bewijs vormen.

De geadresseerde heeft er dus alle belang bij om voldoende bewijskrachtige stukken te bezitten m.b.t. tot het vervoer of de verzending van de goederen en ze, in voorkomend geval, te overhandigen aan de grensexpediteur die de ingevoerde goederen voor het verbruik aangeeft in naam en voor rekening van die geadresseerde .

2. Vrijstelling bedoeld in artikel 40, § 1, 3°, van het BTW-Wetboek

Het oude artikel 40, § 1, 3°, van het BTW-Wetboek voorziet in een vrijstelling voor de invoer van gas via het aardgasdistributiesysteem en de invoer van elektriciteit.

De draagwijdte van dat artikel werd verruimd bij artikel 10, c) van de wet van 29 december 2010 die de omzetting vormt in nationaal recht van artikel 1, 10), c), van Richtlijn 2009/162/EU van de Raad van 22 december 2009.

Voor wat de invoer van gas betreft werd artikel 40, § 1, 3°, van het BTW-Wetboek in ruimere bewoordingen opgesteld zodat de vrijstelling voortaan geldt voor:

- de invoer van gas via gelijk welk aardgassysteem of via gelijk welk net aangesloten op dergelijk systeem;

- gas dat per gastransportschip wordt ingevoerd, mits dat gas van op dat schip in een aardgassysteem of een upstreampijpleidingnet wordt ingebracht.

Bovendien werd de vrijstelling waarin artikel 40, § 1, 3°, van het BTW-Wetboek voorziet ook toepasselijk gemaakt op de invoer van koude en warmte via warmte- of koudenetten. De problematiek inzake de levering en de invoer van koude of warmte is immers dezelfde als die in verband met de levering en de invoer van gas of elektriciteit. Het is dan ook op neutraliteitsgronden passend die goederen aan dezelfde fiscale regeling te onderwerpen.

Met betrekking tot de vrijstelling voor de invoer van elektriciteit bedoeld in laatstgenoemd artikel werd niets gewijzigd.

Zoals dat in het verleden reeds het geval was wordt de vrijstelling van het nieuw artikel 40, § 1, 3°, van het BTW-Wetboek verleend onder de voorwaarde dat de geadresseerde, dat is de persoon op wiens naam de ter zake van invoer verschuldigde BTW mag of moet worden voldaan, de goederen heeft verworven onder de voorwaarden bepaald in artikel 15, §2, tweede lid, 4°, van datzelfde wetboek. In die optiek wordt opgemerkt dat de levering van gas, dat zich buiten de Gemeenschap bevindt en per gastransportschip in België wordt ingevoerd om er in een aardgassysteem of gelijk welk net aangesloten op dergelijk systeem te worden ingebracht, geacht wordt onder de toepassing van laatstgenoemd artikel te vallen.

BTW-WETBOEK

Artikel 40

§ 1. Van de belasting zijn vrijgesteld:

1° de invoer en de intracommunautaire verwerving:

a) (…)

b) (…)

c) (…)

d) van goederen verzonden of vervoerd vanuit een derdelandsgebied of een derde land in een andere lidstaat dan België, indien de levering van deze goederen verricht door de persoon op wiens naam de ter zake van invoer verschuldigde belasting mag of moet worden voldaan uit hoofde van artikel 52, § 1, tweede lid, vrijgesteld is overeenkomstig artikel 39bis;

2°. (…)

3° de invoer van gas via een aardgassysteem of een op een dergelijk systeem aangesloten net, van gas dat van op een gastransportship in een aardgassysteem of een upstreampijpleidingnet wordt ingebracht, van elektriciteit of van warmte of koude via warmte- of koudenetten wanneer de persoon op wiens naam de verschuldigde belasting mag of moet worden betaald, deze goederen heeft verworven onder de in artikel 15, § 2, tweede lid, 4° bepaalde voorwaarden.

§ 2. (…)

§ 3. (…)

§ 4. (…)

KONINKLIJK BESLUIT NR. 7 VAN 29 DECEMBER 1992

Artikel 39

§ 1. De invoer van goederen bedoeld in artikel 40, § 1, 1°, d, van het Wetboek is van de belasting vrijgesteld mits naleving van de voorwaarden bedoeld onder de artikelen 1 tot en met 3 en de volgende voorwaarden.

In de gevallen waar de invoer van goederen gevolgd wordt door een levering van die goederen die is vrijgesteld bij toepassing van artikel 39bis, eerste lid, 1° en 4°, van het Wetboek, moet de aangifte voor het verbruik, benevens de vermeldingen bedoeld in artikel 9, het BTW-identificatienummer vermelden dat in een andere lidstaat werd toegekend aan de klant aan wie de goederen overeenkomstig artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Wetboek worden geleverd door de geadresseerde of het BTW-identificatienummer, toegekend aan de geadresseerde in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen, indien deze het voorwerp uitmaken van een overbrenging overeenkomstig artikel 39bis, eerste lid, 4°, van het Wetboek.

Bovendien is de geadresseerde op het ogenblik van de aangifte voor het verbruik gehouden, op vraag van de bevoegde autoriteiten, het bewijs te leveren dat de ingevoerde goederen bestemd zijn om vanuit België te worden vervoerd of verzonden naar een andere lidstaat.

§ 2. Door de Minister van Financiën of zijn gemachtigde worden de modaliteiten bepaald voor de toepassing van dit artikel.

Aangehaalde teksten

6
WBTW art. 406 voorkomens
KB nr. 7 art. 394 voorkomens
WBTW art. 39bis3 voorkomens
KB nr. 7 art. 91 voorkomen
WBTW art. 231 voorkomen