Beslissing Btw nr. E.T.77.277 dd. 25.03.1993
BTW-Revue nr. 105, blz. 777 - 778, nr. 965
Arbitrage en scheidslieden.
De arbitrage is een door de artikelen 1676 tot 1723 van het Gerechtelijk Wetboek buiten de rechterlijke macht ingestelde procedure waarbij bij overeenkomst tussen partijen, ter afdoening van een tussen laatstgenoemden uit een bepaalde rechtsbetrekking ontstane geschil, door één of een oneven aantal scheidslieden (arbiters) naar billijkheid en recht uitspraak (arbitrage) wordt gedaan.
De inrichting, de organisatie en de begeleiding van de arbitrage binnen het kader van bovengenoemde wettelijke bepalingen, wordt toevertrouwd aan een instelling, met of zonder rechtspersoonlijkheid, die meestal arbitragekamer wordt genoemd.
De door de arbitragekamer aldus verrichte diensten van intellectuele aard zijn bedoeld in artikel 18, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek zodat zij de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige heeft. De door de arbitragekamer aan de partijen aangerekende vergoeding is dan ook aan de BTW onderworpen tegen het normale tarief dat thans 19,5 pct. bedraagt wanneer bedoelde diensten bij toepassing van de artikelen 21, § 2 en 21, § 3, 7°, d, van de genoemd Wetboek in België plaatsvinden.
Wat de prestaties van de scheidslieden zelf betreft, deze zijn, vermits ze worden verricht buiten de rechterlijke macht en inzonderheid omwille van de algemene draagwijdte van het nieuwe artikel 18 van het BTW-Wetboek, eveneens in dat artikel beoogd. De scheidslieden die betreffende diensten geregeld verrichten of slechts toevallig maar in het kader van een activiteit waarvoor zij reeds belastingplichtige zijn met recht op aftrek, hebben ten aanzien van bedoelde diensten de hoedanigheid van belastingplichtige en dienen bijgevolg, behoudens ingeval van vrijstelling, de BTW aan te rekenen over de ontvangen vergoeding. De hiervoor beoogde vrijstelling is die welke geldt ten aanzien van de door artikel 44 van het BTW-Wetboek beoogde diensten (bv. diensten als advocaat) en die waarvan de toepassing wordt bepaald door artikel 56, § 2, van hetzelfde Wetboek en het koninklijk besluit nr. 19 van 29 december 1992, met betrekking tot de vrijstellingsregeling bepaald door artikel 56, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde in het voordeel van kleine ondernemingen. Anderzijds wordt erop gewezen dat de prestaties van scheidslieden inzake verzekeringen de vrijstelling bedoeld in artikel 44, § 3, 4°, van het BTW-Wetboek niet genieten.
Aangezien de aanwijzing van de scheidslieden in de regel geschiedt door de partijen of door een door hen aangewezen persoon (z. Ger.W., art. 1682), kan de door eerstgenoemde aangerekende vergoeding in hoofde van de arbitragekamer als een voorschot in de zin van artikel 28, 5°, van het BTW-Wetboek worden aangemerkt indien betreffende vergoeding door de scheidslieden op naam van de betrokken partij(en) wordt gefactureerd en door de arbitragekamer als zodanig afzonderlijk en voor het juiste bedrag wordt doorgerekend.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.