Beslissing Btw nr. E.T.41.147 dd. 28.07.1982
BTW-Revue, nr. 55, blz. 463
Vijf- of tienjarige herziening van het recht op aftrek.
1. Wanneer, bij wege van inbreng of anderszins, een algemeenheid van goederen of een bedrijfsafdeling, krachtens artikel 11 van het BTW-Wetboek zonder toepassing van de BTW wordt overgedragen, stelt zich de vraag of, wegens die overdracht, de aftrek van de BTW geheven van de verkrijging, de oprichting, de omvorming of de verbetering van de bedrijfsgebouwen welke in die overdracht zijn begrepen, al dan niet onderworpen is aan de vijf- of tienjarige herziening bedoeld in artikel 48, § 2 van het BTW-Wetboek.
2. Wanneer het gaat om een nieuw gebouw in de zin van artikel 9, § 3 van het BTW-Wetboek, waarvan de overdracht onder de toepassing van de BTW valt, hetzij van rechtswege indien de overdrager een beroepsoprichter is in de zin van artikel 8, § 1 van dat Wetboek, hetzij na optie voor de BTW indien de overdrager een toevallige oprichter of een koper-wederverkoper is in de zin van artikel 8, § 2 of 3 van het BTW-Wetboek, doet zich geen probleem voor. Artikel 11 van het BTW-Wetboek is dan van toepassing op de overdracht van deze gebouwen en dientengevolge is er niet alleen geen belasting verschuldigd wegens deze overdracht maar dient er evenmin een herziening van de aftrek te worden verricht.
3. Wanneer het gaat om niet in het vorige lid bedoelde gebouwen, waarvan de overdracht buiten de werkingssfeer van het BTW-Wetboek valt en dus enkel aan het registratierecht is onderworpen (oude gebouwen, nieuwe gebouwen waarvoor niet voor de toepassing van de BTW werd geopteerd) kan men zich afvragen of de toepassing van dergelijk recht (recht van inbreng, recht op de onroerende overgangen) niet automatisch de vijf- of tienjarige herziening van de aftrek van de belasting, geheven van deze gebouwen, met zich meebrengt, ofwel dat niettegenstaande deze heffing, de in fine van artikel 11 van het BTW-Wetboek bedoelde fictie van de voortzetting van de persoon, het recht op aftrek dat toebehoorde aan de overdrager niet doet overgaan op de overnemer, voortzetter van de belastbare activiteit.
4. Gelet op de algemene bewoordingen van artikel 11 van het BTW-Wetboek, dat zonder onderscheid alle bestanddelen van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling beoogt en volgens hetwelk alle rechten en plichten van de overdrager, die uit de toepassing van de BTW voortvloeien, op de overnemer worden overgedragen, wordt in een ruime interpretatie aanvaard dat de overdracht van de bedoelde gebouwen geen herziening ten gevolge heeft, wanneer de overnemer de werkzaamheid of een gelijkaardige werkzaamheid voortzet in het kader waarvan hij de gebouwen blijft gebruiken voor handelingen die recht op aftrek geven.
5. Deze oplossing houdt evenwel in dat de overnemer, als voortzetter van de persoon van de overdrager, zelf de herziening moet verrichten, wanneer, na de herneming van de activiteit zich één van de gevallen voordoet, als bedoeld in artikel 10 van het koninklijk besluit nr. 3, van 10 december 1969, met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde. Daar het herzieningstijdvak een aanvang heeft genomen bij de overdrager, op 1 januari van het jaar waarin het recht op aftrek van de BTW, geheven van de gebouwen is ontstaan of van het jaar waarin deze gebouwen in gebruik werden genomen, is het aangewezen dat, met het oog op een eventuele herziening, de overnemer, bij de overdracht, door de overdrager in kennis wordt gesteld van alle inlichtingen die het hem mogelijk moeten maken deze herziening, indien ze nodig zou zijn, te verrichten.