Verjaring, vervolging · Administratieve beslissingen

Naar de tekst
Juriel

E.T.37.157 15 december 1980

Zoeken

Verjaring, vervolging

https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-37-157-verjaring-btw-vervolging-24f5

Nummer
E.T.37.157
Datum
15 december 1980

Over het document

Verzameling
Administratieve beslissingen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

24 paragrafen

Beslissing Btw nr. E.T.37.157 dd. 15.12.1980

BTW-Revue, nr. 48, blz. 291

Verjaring.

De artikelen 64, 65 en 66 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 (z. Belgisch Staatsblad van 15 augustus 1980; aanschr. 12/1980), hebben respectievelijk de artikelen 81, 82 en 83 van het BTW-Wetboek, met betrekking tot de verjaringen, gewijzigd.

Door artikel 81, tweede lid, van het BTW-Wetboek op te heffen, schaft artikel 64 van voornoemde wet de specifieke verjaringstermijn van twee jaar af die, vanaf de dag van de indiening van de periodieke aangifte, liep voor de voldoening van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten waarvan de opeisbaarheid blijkt uit deze aangifte.

Artikel 65 van bovengenoemde wet verlengt de verjaringstermijn voor de vordering tot teruggaaf van de belasting, interesten en geldboeten, bedoeld in artikel 82 van het BTW-Wetboek, van twee jaar tot vijf jaar.

Tenslotte wijzigt artikel 66 van voornoemde wet artikel 83 van het BTW-Wetboek door te bepalen dat, in geval van stuiting van de verjaring van de vordering tot voldoening (z. BTW-Wetboek, art. 81) of van de verjaring van de vordering tot teruggaaf (z. BTW-Wetboek, art. 82), de nieuwe verjaring niet twee jaar, maar vijf jaar na deze stuiting wordt verkregen. Bovendien wordt de kennisgeving van het dwangbevel, bij een ter post aangetekende brief, gelijkgesteld met een stuiting van de verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting (z. Wetboek, art. 85, § 1).

Deze wijzigingen zijn in werking getreden op 1 november 1980 (z. voornoemde wet, art. 89). Hierbij rijzen twee belangrijke vragen:

1)

wat is het gevolg van de verlenging van de verjaringstermijn ten aanzien van de verjaringen die nog lopen op 1 november 1980?

2)

wat is het gevolg van de opheffing van de specifieke verjaringstermijn van twee jaar, waarin artikel 81, tweede lid, van het Wetboek voorzag, voor de voldoening van de sommen die blijken uit een periodieke BTW-aangifte?

I. Gevolg van de verlenging van de verjaringstermijn

1. Uit de rechtsleer en uit voorbereidende werken van bovengenoemde wet blijkt dat wanneer een verjaringstermijn wordt verlengd, deze ipso facto van toepassing is op de verjaringen die nog lopen op het tijdstip van de inwerkingtreding van de wet die de nieuwe termijn bepaalt, zonder dat er wordt teruggekomen op de verjaringen welke op datzelfde tijdstip reeds zijn verkregen (z. De Page, Traité élémentaire du droit civil belge, d. 1, nr. 232; bovengenoemde wet, Parl. besch., K.v. Volksv., zitting 1979-1980, nr. 323, nr. 1, blz. 12, nr. 47, blz. 87 en nr. 73, blz. 125).

2. De vordering tot teruggaaf van de belasting, interesten en geldboeten verjaart dus, rekening houdende met de nieuwe termijn van vijf jaar bedoeld in artikel 82 van het BTW-Wetboek, op de volgende wijze:

1° de nieuwe termijn geldt niet voor de vordering die is ontstaan voor 1 november 1978, aangezien voor deze vordering de verjaring reeds in ingetreden voor 1 november 1980;

2° de verjaringstermijn van vijf jaar is van toepassing op elke vordering ontstaan na 31 oktober 1978. Men zal niet uit het oog verliezen dat, voor de toepassing van artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 4, van 29 december 1969, de vordering ontstaat op de in dat artikel vastgestelde tijdstippen;

3° dezelfde oplossing geldt in geval van stuiting van de verjaring van de vordering tot voldoening of van de vordering tot teruggaaf van de belasting, interesten en administratieve geldboeten: de termijn van twee jaar geldt voor de verjaringen gestuit voor 18 november 1978, terwijl de termijn van vijf jaar geldt voor de verjaringen gestuit na 31 oktober 1978 (z. Wetboek, art. 83).

II. Gevolg van de opheffing van de specifieke verjaringstermijn van twee jaar die bepaald was in artikel 81, tweede lid, van het BTW-Wetboek

De opheffing van het tweede lid van artikel 81 van het BTW-Wetboek beoogt niet de afschaffing van elke verjaring van fiscale aard voor de invordering van de belasting, interesten en administratieve geldboeten waarvan de opeisbaarheid blijkt uit de periodieke BTW-aangifte, maar heeft eenvoudig tot doel de algemene verjaringstermijn die reeds bepaald is in artikel 81, eerste lid, van het Wetboek, eveneens toepasselijk te maken op deze invordering (voornoemde wet, Parl. besch., K. v. Volksv., zitting 1979-1980, nr. 323, nr. 47, blz. 87).

Uit de bedoeling van de wetgever blijkt derhalve duidelijk dat de indiening zelf van de periodieke BTW-aangifte een specifieke vordering doet ontstaan tot voldoening van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten, waarvan de opeisbaarheid uit die aangifte blijkt en waarvan de verjaringstermijn die van vijf jaar is, bepaald in artikel 81, eerste lid, van het Wetboek. Daarenboven houdt deze aangifte een vrijwillige schulderkentenis door de belastingplichtige en van de belasting die erin werd opgenomen en vormt ze aldus een akte van stuiting van verjaring die eveneens de nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar, bepaald in artikel 83 van het Wetboek, doet lopen te rekenen vanaf de datum van de werkelijke indiening van de aangifte.

Om deze dubbele reden moet, voor de voldoening van de belasting, interesten en administratieve geldboeten die uit een BTW-aangifte blijken, in de praktijk ervan worden uitgegaan:

1° dat voor de aangiften ingediend voor 1 november 1978, behoudens stuiting, de oude verjaring van twee jaar is verworven;

2° dat voor de aangiften ingediend na 31 oktober 1978 de nieuwe verjaringstermijn van toepassing is, zonder dat hierbij een onderscheid moet worden gemaakt of de aangiften al dan niet binnen de vastgestelde termijn werden ingediend en of de erin opgenomen belasting betrekking heeft op periodes die voorafgaan aan die waarop de aangiften betrekking hebben.

Aangehaalde teksten

4
WBTW art. 817 voorkomens
WBTW art. 823 voorkomens
WBTW art. 833 voorkomens
KB nr. 4 art. 141 voorkomen