Maatstaf van heffing, Bedrag van de gedane uitgaven · Administratieve beslissingen

Naar de tekst
Juriel

E.T.111.834 19 oktober 2006

Zoeken

Maatstaf van heffing, Bedrag van de gedane uitgavenMaatstaf van heffing,Bedrag van de gedane uitgaven,Gebruik van een bedrijfsmiddel voor privé-doeleinden,Onroerende goederen,Arrest Seeling,Circulaire nr. 5 van 31 januari 2005

https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-111-834-maatstaf-heffing-bedrag-gedane-uitgaven-7373

Nummer
E.T.111.834
Datum
19 oktober 2006

Over het document

Verzameling
Administratieve beslissingen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

7 paragrafen

BESLISSING ET111834

Beslissing nr. E.T.111.834 dd. 19.10.2006

Maatstaf van heffing - Bedrag van de gedane uitgaven - Gebruik van een bedrijfsmiddel voor privé-doeleinden - Onroerende goederen - Arrest Seeling - Circulaire nr. 5 van 31 januari 2005

Het punt 3.5 van de circulaire A.O.I.F. nr. 5 van 31 januari 2005, dat de praktische gevolgen van het arrest gewezen op 8 mei 2003 door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak C-269/00, Wolfgang Seeling c. Finanzamt Starnberg toelicht, bepaalt dat het bedrag van de door een belastingplichtige gedane uitgaven voor het gebruik van een bedrijfsmiddel voor privé-doeleinden, jaarlijks overeenstemt met één vijftiende van het deel van de prijs van dat goed dat betrekking heeft op het privé-gebruik.

Deze wijze van berekening van de maatstaf van heffing voor het gebruik voor privé-doeleinden van een bedrijfsmiddel werd bekritiseerd door de rechtsleer en zelfs verworpen door welbepaalde rechtspraak (z. meer bepaald het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Bergen van 8 augustus 2006).

Wat er ook van zij, dit administratief standpunt wordt thans bevestigd door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

Immers, in het arrest gewezen op 14 september 2006 in de zaak C-72/05 , Hausgemeinschaft Jörg und Stefanie Wollny c. Finanzamt Landshut, heeft het Hof voor recht verklaard dat artikel 11, A, lid 1, sub c, van de Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977, aldus dient te worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat de maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde voor het privé-gebruik van een deel van een gebouw dat door de belastingplichtige volledig in zijn bedrijf is opgenomen, wordt vastgesteld op een deel van de aankoop- of oprichtingskosten van dit gebouw bepaald op basis van de overeenkomstig artikel 20 van de richtlijn vastgestelde duur van de periode voor de herziening van de aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde.

Aangehaalde teksten

4