BESLISSING ET110412
Beslissing nr. E.T.110.412 dd. 20.12.2005
Zie ook : beslissing nr. E.T. 18235 dd. 10.11.1976.
Zie ook : vraag nr. 25 van de heer Jorissen dd. 26.01.1982
Herziening van de aftrek ten aanzien van belasting geheven van bedrijfsmiddelen - Bedrijfsmiddelen verworven in de hoedanigheid van niet-belastingplichtige
Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in haar arrest van 2 juni 2005 in de zaak C-378/02, Waterschap Zeeuws Vlaanderen t. Staatssecretaris van Financiën, het standpunt bevestigd dat zij reeds had ingenomen in het arrest van 11 juli 1991 in de zaak C-97/90, Hansgeorg Lennartz t. Finanzamt München III.
In deze arresten heeft het Hof geoordeeld dat artikel 17 van de zesde richtlijn (vgl. art. 45 van het Wetboek en de art. 1 en 2 van het K.B. nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling) het tijdstip bepaalt waarop het recht op aftrek ontstaat en dat uit deze bepaling volgt dat enkel de hoedanigheid waarin de betrokken persoon op het tijdstip van de aanschaf van het goed heeft gehandeld, kan bepalen of er een recht op aftrek bestaat. Bovendien heeft zij er op gewezen dat artikel 20 van deze richtlijn (vgl. de art. 48, § 2, en 49, 3°, van het Wetboek en de art. 6 tot 11 van voornoemd K.B. nr. 3) evenwel geen bepaling betreffende het ontstaan van een recht op aftrek bevat, maar de berekeningsmethode voor de herziening van de oorspronkelijk aftrek vastlegt en dus geen recht op aftrek in het leven kan roepen en evenmin de door een belastingplichtige in verband met zijn niet-belaste handelingen betaalde belasting kan omzetten in aftrekbare belasting in de zin van voormeld artikel 17.
Uit deze jurisprudentie volgt dus duidelijk dat wanneer een natuurlijke persoon of rechtspersoon een goed heeft gekocht in de hoedanigheid van niet-belastingplichtige en hij vervolgens de hoedanigheid van belastingplichtige verkrijgt en dit goed als bedrijfsmiddel voor zijn economische activiteit gebruikt, het hem niet is toegestaan om de belasting geheven van de aankoop van dit goed volledig of gedeeltelijk in aftrek te brengen.
Rekening houdend met wat voorafgaat, wordt de beslissing nr. E.T. 18.235 van 10 november 1976, die een belastingplichtige de mogelijkheid bood om een gedeelte in aftrek te brengen van de belasting geheven van de verkrijging van een bedrijfsmiddel van toen hij nog niet de hoedanigheid van belastingplichtige had, vanaf 1 juli 2005 ingetrokken. Hetzelfde geldt uiteraard voor andere door de administratie gepubliceerde commentaren en, onder meer, voor het antwoord op de parlementaire vraag nr. 25 van 26 januari 1982 van de heer senator Jorissen (Bull. Vr. & Antw., Senaat, 1981-1982, nr. 5, blz.115-116).
Teneinde elk misverstand te vermijden, wordt benadrukt dat huidige beslissing uiteraard niets te maken heeft met de situatie waarin een persoon die, hoewel hij nog niet voor de BTW is geïdentificeerd, kosten maakt in het kader van handelingen die onmiskenbaar ter voorbereiding zijn van de uitoefening van een economische activiteit. In dergelijke veronderstelling heeft deze persoon wegens deze voorbereidende handelingen de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige en mag hij bijgevolg de belasting geheven van de verkregen goederen en diensten in aftrek brengen, zelfs indien deze handelingen zijn BTW-identificatie voorafgaan (z. arrest HvJ van 14 februari 1985, zaak 268/83, Rompelman).