BESLISSING ET108691
Beslissing nr. E.T.108.691 dd. 29.05.2006
Onroerende bedrijfsmiddelen - Verbouwingswerken - Gebruik voor privé-doeleinden - Recht op aftrek - Handelingen gelijkgesteld met een dienst onder bezwarende titel - Arrest Seeling - Toepassingsduur van artikel 19, § 1, van het BTW-Wetboek - Belastingplichtige natuurlijk persoon
BTW geheven van verbouwingswerken
Ingevolge het arrest Seeling van 8 mei 2003 ( zaak C-269/00, Wolfgang Seeling t/ Finanzamt Starnberg) kan een belastingplichtige natuurlijk persoon die een onroerend bedrijfsmiddel zowel gebruikt voor de doeleinden van zijn economische activiteit als voor zijn privé-doeleinden, de BTW geheven van de oprichting of de verkrijging van dat goed volledig en onmiddellijk in aftrek brengen, althans indien hij dat goed volledig in zijn bedrijfsvermogen opneemt (z. aanschrijving AOIF nr. 5/2005 van 31 januari 2005).
De vraag werd gesteld of hetgeen voorafgaat eveneens geldt ten aanzien van de BTW geheven van verbouwingswerken. Die vraag dient bevestigend te worden beantwoord, voor zover althans die BTW kan worden aangemerkt als BTW geheven van bedrijfsmiddelen in de zin van artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde.
In dat verband wordt eraan herinnerd dat, aangezien de onderhouds- en herstellingswerken van een bedrijfsmiddel worden aangemerkt als een exploitatiekost, de BTW geheven van die werken aftrekbaar is volgens het gebruik (voor doeleinden van de economische activiteit of voor privé-doeleinden) dat ervan wordt gemaakt, zonder rekening te houden met de patrimoniale bestemming (arrest Kühne, zaak C-50/88, punt 14 en arrest Bakcsi, zaak C-415/98, punt 33).
Op grond van artikel 19, § 1, van het BTW-Wetboek is de belastingplichtige natuurlijk persoon ertoe gehouden het gebruik voor privé-doeleinden van een bedrijfsmiddel dat volledig in het bedrijfsvermogen werd opgenomen, te belasten.
Rekening houdend met het arrest G. Mohsche van 25 mei 1993 (C-193/91) dient, voor het bepalen van de maatstaf van heffing, enkel rekening te worden gehouden met de kosten waarvan de BTW in aftrek kon worden gebracht. Derhalve dient, in het geval van verbouwing van een onroerend goed dat werd verkregen onder het stelsel van de registratierechten, de prijs voor het verkrijgen van dat goed niet in aanmerking te worden genomen.
Overigens is de BTW, geheven van verbouwingswerken, in principe het voorwerp van een herzieningstermijn van 5 jaar. Derhalve dient de maatstaf van heffing voor het gebruik van een dergelijk onroerend goed te worden bepaald, naar analogie met wat is voorzien in punt 3.5 van de aanschrijving 5/2005, voormeld, door jaarlijks één vijfde van de prijs van die verbouwingswerken in aanmerking te nemen.
Het spreekt voor zich dat wanneer op het einde van de verbouwingswerken het gebouw als nieuw dient te worden beschouwd (z. besl. nr. E.T. 19.497 van 20 februari en 29 april 1976; BTW-Revue nr. 28, blz. 29, nr. 595), het te weerhouden bedrag voor het bepalen van de maatstaf van heffing jaarlijks dient overeen te stemmen met één vijftiende van het bedrag van die werken.
Wanneer een belastingplichtige zich beroept op het arrest Seeling blijft artikel 19, § 1, van het BTW-Wetboek vanzelfsprekend toepasbaar gedurende de gehele gebruikduur van het goed voor privé-doeleinden, zelfs wanneer de herzieningsperiode inzake aftrek is verstreken.
De belasting blijft verschuldigd op het bedrag van de gedane uitgaven zoals vastgesteld, naargelang het geval, overeenkomstig punt 3.5 van de circulaire 5/2005 of, in voorkomend geval, overeenkomstig het zesde lid van onderhavige beslissing.