Wat op die datum veranderde
27 gewijzigde passages op 27 1620 ingevoegde woorden 159 geschrapte woordenVergeleken met de versie van 01.01.1987
Wat de FOD erover zegt : De tekst van KB nr. 4, artikel 8/1, werd gewijzigd met ingang van 01.01.1993 (Art.8, KB 29.12.1992; Art.7, KB 14.04.1993 en Art.11, KB 22.11.1994
Op die datum geschrapt
§ 1
Wanneer volgens de gegevens van de geschrapte tekst: aangifte einde van de schrapping. ingevoegde tekst: in artikel 53, eerste lid, 3°, van het Wetboek bedoelde aangifte, einde van de invoeging. het eindresultaat een door de Staat verschuldigd bedrag is, wordt dat bedrag naar het volgende aangiftetijdvak overgebracht.
§ 2
Op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige zijn evenwel vatbaar voor teruggaaf :
het bedrag verschuldigd door de Staat na het indienen van de geschrapte tekst: aangifte einde van de schrapping. ingevoegde tekst: in artikel 53, eerste lid, 3°, van het Wetboek bedoelde aangifte, einde van de invoeging. met betrekking geschrapte tekst: tot het kalenderjaar of einde van de schrapping. tot het laatste aangiftetijdvak van het kalenderjaar, wanneer het 10.000 frank geschrapte tekst: bereikt ; einde van de schrapping. ingevoegde tekst: bereikt; einde van de invoeging.
het bedrag verschuldigd door de Staat na het indienen van de ingevoegde tekst: in artikel 53, eerste lid, 3°, van het Wetboek bedoelde einde van de invoeging. aangifte met betrekking tot elk van de eerste drie kalenderkwartalen of geschrapte tekst: van de aangifte met betrekking tot einde van de schrapping. de laatste maand van elk van die kwartalen, wanneer het 25.000 frank of 60.000 frank bereikt respectievelijk voor belastingplichtigen die driemaandelijks en zij die maandelijks aangifte doen, overeenkomstig artikel geschrapte tekst: 16 einde van de schrapping. ingevoegde tekst: 18 einde van de invoeging. van het koninklijk besluit nr. 1 geschrapte tekst: van 23 juli 1969 einde van de schrapping. met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde geschrapte tekst: waarde. einde van de schrapping. ingevoegde tekst: waarde; einde van de invoeging.
ingevoegde tekst: het bedrag verschuldigd door de Staat na het indienen van de in artikel 53, eerste lid, 3°, van het Wetboek bedoelde maandaangifte wanneer het 10.000 frank bereikt, indien de belastingplichtige tijdens het verstreken kalenderjaar, voor ten minste 30 percent van zijn omzet, handelingen heeft verricht welke van de belasting zijn vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 39, 39bis en 39ter van het Wetboek, en, binnen de door of vanwege de Minister van Financiën te bepalen voorwaarden en beperkingen, van de artikelen 41 en 42 van het Wetboek en, voor dezelfde periode, een belastingoverschot in zijn voordeel had van ten minste 500.000 frank. einde van de invoeging.
ingevoegde tekst: De teruggaaf bedoeld in 1° is afhankelijk van de voorwaarde dat alle aangiften met betrekking tot de handelingen van het kalenderjaar uiterlijk op 20 januari van het volgende jaar zijn ingediend. Voor de teruggaaf bedoeld in 2° en 3° moeten alle aangiften met betrekking tot de handelingen van het lopende jaar ingediend zijn uiterlijk de twintigste van de maand na, naargelang van het geval, het kwartaal of de maand op het einde waarvan het door de Staat verschuldigde bedrag blijkt. einde van de invoeging.
§ 3
lid 1Zonder onderscheid naargelang de belastingplichtige al dan niet ingevoegde tekst: geopteerd einde van de invoeging. heeft geschrapte tekst: geopteerd einde van de schrapping. voor de teruggaaf bedoeld in § 2, ingevoegde tekst: van het overschot in zijn voordeel dat blijkt op het tijdstip van het indienen van de aangifte als bedoeld in artikel 53, eerste lid, 3°, van het Wetboek, einde van de invoeging. wordt die teruggaaf steeds geacht te zijn aangevraagd tot ingevoegde tekst: het einde van de invoeging. beloop van de belastingschuld die aan te zuiveren is, wanneer op het tijdstip van ingevoegde tekst: de ordonnancering als bedoeld in einde van de invoeging. het geschrapte tekst: indienen einde van de schrapping. ingevoegde tekst: koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie einde van de invoeging. van de geschrapte tekst: aangifte die het voor teruggaaf vatbaar overschot vaststelt einde van de schrapping. ingevoegde tekst: wetten op einde van de invoeging. de geschrapte tekst: belastingplichtige, einde van de schrapping. ingevoegde tekst: Rijkscomptabiliteit of de verrichting gelijkgesteld met een betaling, de belastingplichtige einde van de invoeging. uit hoofde van ingevoegde tekst: de einde van de invoeging. belasting over de toegevoegde waarde, belasting, geldboeten, interesten of bijkomende kosten verschuldigd is geschrapte tekst: waarvan einde van de schrapping. ingevoegde tekst: die voortvloeien uit overtredingen begaan vóór het verstrijken van einde van de invoeging. de geschrapte tekst: eisbaarheid niet wordt betwist of die aanleiding hebben gegeven tot een dwangbevel bedoeld in artikel 85 van het Wetboek waarvan einde van de schrapping. ingevoegde tekst: periode waarop einde van de invoeging. de geschrapte tekst: tenuitvoerlegging niet werd gestuit door het verzet bedoeld in artikel 89 van het Wetboek. einde van de schrapping. ingevoegde tekst: hierboven bedoelde aangifte betrekking heeft. einde van de invoeging.
lid 2geschrapte tekst: In dit geval wordt het bedrag verschuldigd door de Staat tot het passende beloop aangewend ter betaling van de schuld van de belastingplichtige. einde van de schrapping. ingevoegde tekst: Indien de in het eerste lid bedoelde belastingschuld in hoofde van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, een schuldvordering vormt die zeker, opeisbaar en vaststaand is, wat onder meer het geval is wanneer ze niet wordt betwist of aanleiding heeft gegeven tot een dwangbevel bedoeld in artikel 85 van het Wetboek, waarvan de tenuitvoerlegging niet werd gestuit door het verzet bedoeld in artikel 89 van het Wetboek, wordt het belastingkrediet tot het passende beloop aangewend ter aanzuivering van de belastingschuld. einde van de invoeging.
lid 3ingevoegde tekst: De ordonnancering of de verrichting gelijkgesteld met een betaling, geschiedt uiterlijk de derde maand volgend op het tijdvak waarop de kwartaalaangifte of de aangifte van de laatste maand van dit kwartaal betrekking heeft. Ze geschiedt evenwel uiterlijk de tweede maand volgend op het tijdvak waarop de maandaangifte betrekking heeft in het geval bedoeld in artikel 81 , § 2, 3°, hierboven. einde van de invoeging.
lid 4ingevoegde tekst: Indien de in het eerste lid bedoelde belastingschuld in het voordeel van de administratie geen schuldvordering vormt die geheel of gedeeltelijk zeker, opeisbaar en vaststaand is, wat onder meer het geval is wanneer ze wordt betwist of aanleiding heeft gegeven tot een dwangbevel bedoeld in artikel 85 van het Wetboek, waarvan de tenuitvoerlegging werd gestuit door het verzet bedoeld in artikel 89 van het Wetboek, wordt het belastingkrediet tot het beloop van de schuldvordering van de administratie ingehouden. Deze inhouding geldt als bewarend beslag onder derden tot het geschil definitief wordt beëindigd op administratieve wijze of bij wijze van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest. Voor de toepassing van deze inhouding wordt de voorwaarde vereist door artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek geacht te zijn vervuld. einde van de invoeging.
lid 5ingevoegde tekst: Indien ten aanzien van een voor teruggaaf vatbaar overschot dat blijkt uit de aangifte als bedoeld in artikel 53, eerste lid, 3°, van het Wetboek en waarvoor de belastingplichtige al dan niet voor de teruggaaf heeft geopteerd, hetzij ernstige vermoedens, hetzij bewijzen bestaan dat de voormelde aangifte of de aangiften voor daaraan voorafgaande perioden gegevens bevatten die onjuist zijn en een belastingschuld in het vooruitzicht stellen zonder dat een daadwerkelijke bepaling ervan vóór het tijdstip van de genoemde ordonnancering of de verrichting gelijkgesteld met een betaling kan geschieden, heeft de ordonnancering van dit overschot of de overbrenging ervan naar het volgend aangiftetijdvak niet plaats en wordt het belastingkrediet ingehouden teneinde de Administratie toe te laten de waarachtigheid van die gegevens na te gaan. einde van de invoeging.
lid 6ingevoegde tekst: De ernstige vermoedens of bewijzen bedoeld in het vorige lid, die de belastingschuld aantonen of helpen aantonen, dienen te worden gerechtvaardigd in processen-verbaal conform artikel 59, § 1, van het Wetboek en worden per aangetekende brief vooraf ter kennis gebracht van de belastingplichtige. einde van de invoeging.
lid 7ingevoegde tekst: De inhouding bedoeld in het vierde en het vijfde lid geldt als bewarend beslag onder derden tot op het ogenblik dat het bewijs vervat in de in het vorige lid bedoelde processen-verbaal is weerlegd, of tot op het ogenblik dat de waarachtigheid van de handelingen blijkt uit gegevens verkregen overeenkomstig de procedures van de door de Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering inzake het uitwisselen van inlichtingen tussen de Lid-Staten van de Gemeenschap. Voor de toepassing van deze inhouding wordt de voorwaarde vereist door artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek geacht te zijn vervuld. einde van de invoeging.
lid 8ingevoegde tekst: De kennisgeving van de inhouding bedoeld in het vierde en het vijfde lid en haar aanzegging aan de belastingplichtige binnen de termijn voorzien in artikel 1457 van het Gerechtelijk Wetboek, gebeuren bij een ter post aangetekende brief. De afgifte van het stuk ter post geldt als kennisgeving vanaf de daaropvolgende dag. einde van de invoeging.
lid 9ingevoegde tekst: De inhouding bedoeld in het vierde en het vijfde lid geeft aanleiding tot het opmaken en het verzenden, door de met de invordering belaste ambtenaar, van een bericht van beslag als bedoeld in artikel 1390 van het Gerechtelijk Wetboek. Dit bericht wordt binnen de vierentwintig uur na het neerleggen ter post van het aangetekend schrijven verzonden aan de griffier van de rechtbank van eerste aanleg. einde van de invoeging.
lid 10ingevoegde tekst: De belastingplichtige kan enkel verzet doen tegen de inhouding bedoeld in het vierde en het vijfde lid door toepassing te maken van artikel 1420 van het Gerechtelijk Wetboek. De beslagrechter kan evenwel de opheffing van het beslag niet gelasten zolang het door de processen-verbaal, bedoeld in het zesde lid, geleverde bewijs niet is weerlegd, zolang de gegevens overeenkomstig de procedures van de door de Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering inzake het uitwisselen van inlichtingen tussen de Lid-Staten van de Gemeenschap niet werden bekomen of gedurende een opsporings-onder-zoek van het Parket of een gerechtelijk onderzoek van de onderzoeksrechter. einde van de invoeging.
lid 11ingevoegde tekst: De inhouding neemt een einde ten gevolge van de opheffing ervan door de administratie of ten gevolge van een rechterlijke beslissing. In geval van opheffing door de administratie wordt de belastingplichtige in kennis gesteld per aangetekend schrijven met vermelding van de datum van opheffing. einde van de invoeging.
lid 12ingevoegde tekst: Na het einde van de inhouding van het belastingkrediet wordt, in voorkomend geval, de belastingschuld, zijnde de schuldvordering in hoofde van de administratie, die zeker, opeisbaar en vaststaand is, aangezuiverd overeenkomstig het tweede lid zonder dat enige formaliteit moet worden nageleefd. einde van de invoeging.
§ 4
Om de teruggaaf bedoeld in § 2 te bekomen moet de belastingplichtige die aanvragen door een uitdrukkelijke vermelding die hij bij het verstrijken van elk tijdvak waarvoor een overschot geschrapte tekst: teruggeven einde van de schrapping. ingevoegde tekst: teruggegeven einde van de invoeging. kan worden, aanbrengt in de ingevoegde tekst: in artikel 53, eerste lid, 3°, van het Wetboek bedoelde einde van de invoeging. aangifte met betrekking tot de handelingen van dat tijdvak. De aangifte welke die vermelding bevat, geldt als aanvraag tot teruggaaf.
§ 5
lid 1ingevoegde tekst: De teruggaaf bedoeld in § 2, eerste lid, 3°, kan daarenboven alleen worden bekomen mits, op schriftelijke aanvraag, daartoe vergunning is verleend door het hoofd van het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingplichtige ressorteert. De aanvraag moet melding maken van alle elementen die nodig zijn om na te gaan of de belastingplichtige de bijzondere voorwaarden, vereist voor het bekomen van deze teruggaaf, vervult. einde van de invoeging.
lid 2ingevoegde tekst: Binnen een termijn van een maand wordt de gevraagde vergunning verleend indien de daartoe gestelde voorwaarden vervuld zijn of wordt de aanvraag verworpen bij een met redenen omklede beslissing. einde van de invoeging.
lid 3ingevoegde tekst: Ingeval de aanvraag wordt ingewilligd, kan de belastingplichtige door het aanbrengen van de uitdrukkelijke vermelding bedoeld in § 4, de teruggaaf vragen in een van de aangiften die moeten worden ingediend te rekenen vanaf de dag volgend op die van de afgifte ter post van de aangetekende brief bij dewelke de administratie aan de belas-ting-plichtige de vergunning heeft genotificeerd. einde van de invoeging.
lid 4ingevoegde tekst: De vergunning geldt voor de aanvragen tot teruggaaf in te dienen in de loop van het kalenderjaar waarvoor ze werd verleend. Ze is evenwel eveneens geldig voor de daaropvolgende jaren wanneer de belastingplichtige aan de bijzondere voorwaarden blijft voldoen; in dat geval geldt het aanbrengen van de uitdrukkelijke vermelding bedoeld in § 4, ter gelegenheid van de aanvraag tot teruggaaf, als verklaring van de belastingplichtige dat hij voldoet aan deze voorwaarden en ontslaat hem ervan een nieuwe aanvraag in te dienen. Wanneer hij niet langer aan die voorwaarden voldoet, moet hij, wanneer hij er nadien opnieuw aan voldoet, een nieuwe vergunning aanvragen. einde van de invoeging.
lid 5ingevoegde tekst: Door of namens de Minister van Financiën kan worden bepaald dat de periode bedoeld in § 2, eerste lid, 3°, wordt vervangen door een periode van twaalf maanden die de aanvraag om vergunning voorafgaat. einde van de invoeging.
lid 6ingevoegde tekst: In geval van oprichting van een nieuwe onderneming, van vestiging in België van een vaste inrichting of erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger van een in het buitenland gevestigde onderneming, kan door of namens de Minister van Financiën de vergunning worden verleend rekening houdend met de vooruitzichten omtrent het bedrag van de handelingen bedoeld in § 2, eerste lid, 3°, en van het jaarlijks belastingoverschot. In dat geval moet de belastingplichtige een nieuwe vergunning aanvragen op het einde van het kalenderjaar waarvoor ze werd verleend. einde van de invoeging.
lid 7ingevoegde tekst: Indien de administratie vaststelt dat de belastingplichtige op het einde van een kalenderjaar niet meer voldoet aan de vereiste bijzondere voorwaarden, kan ze bij een met redenen omklede beslissing de vergunning intrekken. einde van de invoeging.
lid 8ingevoegde tekst: Indien de vergunning, die werd afgeleverd, werd verkregen op grond van een onjuiste verklaring of indien de belastingplichtige de bij de wet of bij de ter uitvoering ervan opgelegde verplichtingen niet nakomt of in het geval bedoeld in § 3, vijfde lid, kan de administratie eveneens de vergunning intrekken bij een met redenen omklede beslissing; in dat geval zal een nieuwe vergunning slechts kunnen worden aangevraagd na het verstrijken van het kalenderjaar dat volgt op datgene waarin de beslissing tot intrekking ter kennis werd gebracht. einde van de invoeging.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Opeenvolgende versies
25 versies eerste op 01.01.1987| Van kracht | Wijziging | Bron |
|---|---|---|
| 10.01.2026van kracht | KB 17.12.2025, B.S. 31.12.2025 | |
| 01.02.2025 | het artikel werd vervangen | KB 29.09.2024, B.S. 23.10.2024 |
| 01.04.2023 | § 2, eerste lid, 6°, werd vervangen | W 19.03.2023, B.S. 29.03.2023 |
| 01.12.2022 | § 2, eerste lid, 3°, d), gewijzigd | KB 26.10.2022, B.S. 10.11.2022 |
| 01.04.2022 | § 2, eerste lid, 6°, werd vervangen | KB 23.03.2022, B.S. 30.03.2022 |
| 01.03.2022 | § 2, eerste lid, 6°, ingevoegd; § 2, tweede lid, vervangen; § 3, derde lid, gewijzigd; § 5, eerste lid, gewijzigd en § 5, zevende lid, gewijzigd | KB 21.02.2022, B.S. 28.02.2022 |
| 01.01.2022 | § 2, eerste lid, 3°, d), gewijzigd | KB 27.12.2021, B.S. 31.12.2021 |
| 01.04.2021 | § 2, eerste lid, 1°, 2°, inleidende zin onder 3° en 4°, werd gewijzigd met ingang van 01.04.2021 | KB 29.03.2021, B.S. 31.03.2021 |
| 01.01.2020 | § 2, eerste lid, 4°, werd hersteld; tweede lid, werd vervangen; § 3, derde lid, werd gewijzigd; § 5, zesde lid, werd gewijzigd; § 5, achtste lid, werd vervangen en § 5 werd aangevuld met een lid | KB 29.08.2019, B.S. 05.09.2019 |
| 22.07.2019 | § 2, eerste lid, 3°, d), werd vervangen | KB 28.06.2019, B.S. 12.07.2019 |
| 01.04.2019 | § 3, eerste, tweede en vierde lid, werd gewijzigd | KB 17.03.2019, B.S. 08.04.2019 |
| 03.03.2016 | § 2, eerste lid, 4° werd opgeheven en de tekst van § 3, derde lid en § 5, eerste lid, werd gewijzigd | KB 15.02.2016, B.S. 22.02.2016 |
| 16.05.2014 | § 3, tweede lid, werd gewijzigd | KB 24.01.2015, B.S. 20.01.2015 |
| 01.04.2014 | § 2, eerste lid, werd aangevuld met de bepaling onder 4°; de tekst van § 3, derde lid en § 5, eerste lid, werd gewijzigd met ingang van 01.04.2014 | KB 21.03.2014, B.S. 27.03.2014 |
| 01.07.2011 | § 2, eerste lid, 3°, d), werd vervangen | KB 05.08.2011, B.S. 11.08.2011 |
| 28.03.2011 | § 3, negende lid, laatste zin, werd opgeheven | KB 23.03.2011, B.S. 28.03.2011 |
| 01.01.2010 | § 2, eerste lid, 3°, b) en c); en § 3, derde lid, werd gewijzigd | KB 09.12.2009, B.S. 17.12.2009 |
| 23.02.2009 | § 2, eerste lid, 3°, werd vervangen | KB 10.02.2009, B.S. 13.02.2009 |
| 20.09.2004 | § 2, eerste lid, 3° en § 5, zesde lid, werd gewijzigd | KB 01.09.2004, B.S. 10.09.2004 |
| 01.01.2004 | het artikel werd gewijzigd | KB 20.02.2004, B.S. 27.02.2004 |
| 07.07.2003 | § 2, eerste lid, 3°, § 3, tweede en vierde lid en § 5, eerste, zesde en zevende lid, werd gewijzigd | KB 16.06.2003, B.S. 27.06.2003 |
| 01.01.2002 | § 2, 1° t.e.m. 3°, werd gewijzigd | 14, KB 20.07.2000 en Art. 37, 6°, KB 13.07.2001 |
| 01.01.1996 | § 2, 3°, werd gewijzigd | KB 25.02.1996 |
| 01.01.1993getoond | het artikel werd gewijzigd | KB 29.12.1992; Art. 7, KB 14.04.1993 en Art.11, KB 22.11.1994 |
| 01.01.1987 | § 2, 1°, werd gewijzigd met ingang van 01.01.1987 | KB 30.12.1986 |