Koninklijk besluit nr. 2, artikel 5 · Koninklijke besluiten

Naar de tekst
Juriel

AR 2 01.01.2019 - 31.12.2021 het artikel werd ingevoerd KB 19.12.2018, B.S. 31.12.2018

Zoeken
Niet meer van kracht

Koninklijk besluit nr. 2, artikel 5Deze versie is vervangen. De geldende tekst staat op de pagina van het artikel.

https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-2-artikel-7e3e/versie-2019-01-01

Artikel
AR 2
Periode
01.01.2019 - 31.12.2021
Wijziging
het artikel werd ingevoerd
Bron
KB 19.12.2018, B.S. 31.12.2018

Tekst

3 paragrafen 0 punten van kracht van 01.01.2019 tot 31.12.2021

§ 1

De aan de normale regeling onderworpen belastingplichtige die overeenkomstig artikel 56, § 4, vierde lid, van het Wetboek wenst te opteren voor de forfaitaire regeling, richt daartoe een aangetekende brief aan de in artikel 1, § 1, tweede lid, bedoelde dienst. Die optie moet worden uitgeoefend vóór 15 maart en heeft uitwerking vanaf 1 april van hetzelfde jaar.

§ 2

lid 1De inventaris van overgang naar de forfaitaire regeling bevat de gedetailleerde aanduiding van de aard, de hoeveelheid en de waarde, uitgedrukt in inkoopprijs, van de goederen in voorraad.

lid 2Deze goederen moeten bovendien worden gegroepeerd volgens de uitsplitsing van het boek voor inkomende facturen, die voorgeschreven is door de forfaitaire regeling die door de belastingplichtige zal worden gevolgd.

§ 3

lid 1De goederen die opgenomen zijn in de inventaris bedoeld in paragraaf 2 worden geacht te zullen worden geleverd, al dan niet na bewerking of verwerking, of te zullen worden gebruikt bij de uitvoering van diensten, onder de forfaitaire regeling die door de belastingplichtige wordt gevolgd. De toepassing van deze regeling op de bovenvermelde goederen wordt evenwel opgeschort tot bij het verstrijken van het jaar waarin de overgang plaatsvond.

lid 2Wanneer de belastingplichtige een inventaris van zijn voorraad opmaakt bij het verstrijken van het jaar waarin de overgang plaatsvond, wordt de in artikel 56, § 3, derde lid, van het Wetboek bepaalde regularisatie toegepast, wanneer uit de vergelijking van die laatste inventaris met de inventaris van overgang blijkt dat de voorraad vermeerderd of verminderd is.

lid 3Wanneer de belastingplichtige bij het verstrijken van het jaar waarin de overgang plaatsvond geen inventaris van zijn voorraad opmaakt, wordt de belasting die verschuldigd is krachtens het vermoeden dat in het eerste lid is opgenomen, voor de goederen begrepen in de inventaris van overgang berekend op de waarde, uitgedrukt in inkoopprijzen van die goederen volgens de tarieven van de belasting en de forfaitaire coëfficiënten die van toepassing zijn voor het voormelde jaar. De belasting is opeisbaar, en dit tot beloop van één vierde van haar bedrag, bij het verstrijken van elk kalenderkwartaal van het daaropvolgende jaar.

Opeenvolgende versies

2 versies eerste op 01.01.2019
Van krachtWijzigingBron
01.01.2022van krachthet artikel werd opgehevenKB 27.12.2021, B.S. 31.12.2021
01.01.2019getoondhet artikel werd ingevoerdKB 19.12.2018, B.S. 31.12.2018