Koninklijk besluit nr. 1, artikel 19 · Koninklijke besluiten

Naar de tekst
Juriel

AR 1 01.01.2004 - 31.03.2017 § 3, werd gewijzigd KB 16.02.2004, B.S. 27.02.2004

Zoeken
Niet meer van kracht

Koninklijk besluit nr. 1, artikel 19Deze versie is vervangen. De geldende tekst staat op de pagina van het artikel.

https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-19-cff0/versie-2004-01-01

Artikel
AR 1
Periode
01.01.2004 - 31.03.2017
Wijziging
§ 3, werd gewijzigd
Bron
KB 16.02.2004, B.S. 27.02.2004

Wat op die datum veranderde

1 gewijzigde passage op 11 3 ingevoegde woorden 1 geschrapt woord

Vergeleken met de versie van 01.12.1995

Wat de FOD erover zegt : De tekst van KB nr. 1, artikel 19, § 3, werd gewijzigd met ingang van 01.01.2004 (Art. 15, KB 16.02.2004, B.S. 27.02.2004

Naar de tekst van deze versie

Tekst

3 paragrafen 0 punten van kracht van 01.01.2004 tot 31.03.2017

§ 1

De belastingplichtige die overeenkomstig artikel 18, § 2, slechts om de drie maanden een aangifte indient, moet uiterlijk de twintigste van de tweede en de derde maand van ieder kalenderkwartaal een voorschot voldoen op de belasting waarvan de opeisbaarheid uit die aangifte zal blijken.

§ 2

lid 1Het bedrag van elk der in § 1 bedoelde voorschotten is gelijk aan een derde van de belasting die door die belastingplichtige voor het vorige kalenderkwartaal verschuldigd was.

lid 2Om het bedrag te bepalen van het eerste voorschot dat moet worden voldaan tijdens een kalenderkwartaal, mag de belastingplichtige die de aangifte met betrekking tot de handelingen van het vorige kalenderkwartaal heeft ingediend van het bedrag berekend overeenkomstig het eerste lid het saldo aftrekken dat op de dag van de betaling in zijn voordeel blijkt uit de rekening-courant bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 24 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.

lid 3Het saldo van de rekening-courant op de dag van de betaling mag slechts worden afgetrokken van het tweede voorschot dat voor het kwartaal moet worden voldaan in de mate waarin dat saldo meer bedraagt dan het bedrag van het eerste voorschot, berekend overeenkomstig het eerste lid.

lid 4De persoon die de hoedanigheid van belastingplichtige verkrijgt of opnieuw verkrijgt, moet geen voorschotten betalen tijdens het kalenderkwartaal waarin hij belastingplichtige wordt of opnieuw wordt.

lid 5De persoon die, vooraleer te worden onderworpen aan een regeling welke hem verplicht kwartaalaangiften in te dienen, reeds de hoedanigheid van belastingplichtige bezat zonder evenwel te zijn gehouden tot het indienen van aangiften, moet geen voorschotten betalen tijdens het kalenderkwartaal waarvoor hij zijn eerste kwartaalaangifte moet indienen.

lid 6De verplichting tot het betalen van voorschotten houdt op vanaf de dag waarop de belastingplichtige die hoedanigheid verliest of waarop hij onderworpen wordt aan een regeling die hem ervan ontslaat om kwartaalaangiften in te dienen.

§ 3

lid 1De belastingplichtige die op 1 december van het lopende kalenderjaar gehouden is tot het indienen van BTW-maandaangiften krachtens artikel 53, ingevoegde tekst: § 1, einde van de invoeging. eerste lid, geschrapte tekst: 3°, einde van de schrapping. ingevoegde tekst: 2°, einde van de invoeging. van het Wetboek, moet een voorschot betalen op de belasting die verschuldigd is over zijn handelingen van de maand december van datzelfde jaar.

lid 2Het bedrag van het voorschot bedoeld in het eerste lid is gelijk aan de belasting die door de belastingplichtige is verschuldigd over de handelingen die hij heeft verricht vanaf 1 december tot en met 20 december van het lopende kalenderjaar. Door of vanwege de Minister van Financiën wordt bepaald welke gegevens de belastingplichtigen moeten verstrekken alsmede het tijdstip en de wijze waarop die gegevens moeten worden verstrekt teneinde een controle op dit bedrag te kunnen uitoefenen.

lid 3Indien de belastingplichtige de in het voorgaande lid bedoelde gegevens niet verstrekt of niet tijdig verstrekt, is het bedrag van het voorschot gelijk aan de verschuldigde belasting over de handelingen van de maand november van het lopende kalenderjaar.

lid 4Onverminderd de toerekening van het creditsaldo dat uit zijn rekening-courant zou blijken, betaalt de belastingplichtige uiterlijk de vierentwintigste van de maand december van het lopende kalenderjaar het bedrag van het voorschot berekend overeenkomstig de in het tweede of derde lid bepaalde wijze.

Opeenvolgende versies

7 versies eerste op 01.01.1993
Van krachtWijzigingBron
10.04.2021van krachthet artikel werd opgehevenKB 29.03.2021, B.S. 31.03.2021
23.07.2020bij de artikelen 27 en 28 van de wet van 15.07.2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie - CORONA IIIB.S. 23.07.2020
01.04.2017het artikel werd vervangenKB 26.02.2017
01.01.2004getoond§ 3, werd gewijzigdKB 16.02.2004, B.S. 27.02.2004
01.12.1995het artikel werd gewijzigdKB 09.11.1995
01.01.1994het artikel werd gewijzigdKB 05.12.1994
01.01.1993het artikel werd ingevoerdKB 29.12.1992