Artikel 52bis van het Belgische Btw-Wetboek · Btw-Wetboek

Naar de tekst
Juriel

52bis 01.04.2019 - 08.03.2026 § 3, werd vervangen W 26.11.2018, B.S. 04.12.2018

Zoeken
Niet meer van kracht

Artikel 52bis van het Belgische Btw-WetboekDeze versie is vervangen. De geldende tekst staat op de pagina van het artikel.

https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-52bis/versie-2019-04-01

Artikel
52bis
Periode
01.04.2019 - 08.03.2026
Wijziging
§ 3, werd vervangen
Bron
W 26.11.2018, B.S. 04.12.2018

Wat op die datum veranderde

3 gewijzigde passages op 25 95 ingevoegde woorden 41 geschrapte woorden

Vergeleken met de versie van 17.07.2017

Wat de FOD erover zegt : De tekst van art. 52bis, § 3, werd vervangen met ingang van 01.04.2019 (Art. 2, W 26.11.2018, B.S. 04.12.2018, pg. 93842). Art. 19, W 26.11.2018: “Deze wet is niet van toepassing op het dwangbevel dat ter kennis werd gegeven of betekend werd vóór de datum van haar inwerkingtreding.”

Naar de tekst van deze versie

Tekst

3 paragrafen 11 punten van kracht van 01.04.2019 tot 08.03.2026

§ 1

lid 1Wanneer ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, ter gelegenheid van hun onderzoeken bij een belastingplichtige, feiten vaststellen die een geheel van overeenstemmende aanwijzingen van ernstige fraude, al dan niet georganiseerd, uitmaken en bijgedragen hebben tot de overtreding van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, kunnen zij bewarend beslag leggen op de roerende goederen waarvoor tijdens die onderzoeken niet is aangetoond dat zij uitsluitend aan derden toebehoren.

lid 2De in het eerste lid bedoelde ambtenaren, in het bezit van hun aanstellingsbewijs, stellen een proces-verbaal van beslag op dat met name de volgende vermeldingen moet bevatten:

1°

de dag, de maand, het jaar en de plaats van het beslag;

2°

de naam, voornaam, graad en hoedanigheid van de verbaliserende ambtenaren;

3°

de identificatie van de beslagene door de vermelding van het ondernemingsnummer indien gekend alsook van hetzij de naam, de voornaam en de woonplaats voor een natuurlijke persoon, hetzij de maatschappelijke benaming, de rechtsvorm en de maatschappelijke zetel voor een rechtspersoon;

4°

de vermelding van de in het eerste lid bedoelde feiten vastgesteld door deze ambtenaren;

5°

de motivatie van de hoogdringendheid van het beslag;

6°

de vermelding en de specificatie van een belastingschuld die zeker is en vaststaand of vatbaar voor een voorlopige raming;

7°

de inventaris van de beslagen goederen die een voldoende nauwkeurige en gedetailleerde omschrijving van de goederen bevat;

8°

de handtekening van minstens twee verbaliserende ambtenaren;

9°

de integrale weergave van artikel 507 van het Strafwetboek;

10°

de rechtsmiddelen tegen de genomen maatregelen, het bevoegde gerechtelijk arrondissement en de bevoegde rechtsinstantie;

11°

de in het eerste lid bedoelde administratie die in geval van beroep moet worden gedagvaard.

lid 2

Indien het afschrift van het proces-verbaal niet aan de beslagene kan worden overhandigd tegen ontvangstbewijs op het ogenblik van het beslag, wordt dit afschrift onmiddellijk ter plekke achtergelaten en wordt het proces-verbaal van beslag - op straffe van nietigheid - hem binnen de veertien dagen bij aangetekende brief ter kennis gebracht.

lid 3

Dit bewarend beslag mag geen afbreuk doen aan artikel 1408, §§ 1 en 2, van het Gerechtelijk Wetboek inzake de niet voor beslag vatbare goederen.

lid 4

Ten gevolge van het bewarend beslag kunnen de goederen niet worden vervreemd of bezwaard gedurende een periode van drie jaar zonder dat evenwel enig voorrecht wordt verschaft. Het bewarend beslag geeft aanleiding tot het opmaken en het verzenden binnen drie werkdagen te rekenen vanaf de overhandiging of de betekening van het proces-verbaal, door de verbaliserende ambtenaren, van een bericht van beslag overeenkomstig artikel 1390 van het Gerechtelijk Wetboek.

§ 2

lid 1Op straffe van nietigheid moet de geldigheid van het in § 1 bedoelde beslag bekrachtigd worden door de beslagrechter van het ambtsgebied waarin zich het kantoor belast met de invordering van de fiscale schuld bevindt, binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van het in § 1, tweede lid, bedoelde proces-verbaal. De procedure wordt ingeleid op eenzijdig verzoekschrift. De beslissing van de beslagrechter is uitvoerbaar bij voorraad.

lid 2Bij toepassing van het principe van artikel 1420 van het Gerechtelijk Wetboek kan de beslagene binnen de drie maanden na overhandiging van het proces-verbaal van beslag of van de verzending van de aangetekende brief beroep instellen bij de beslagrechter van het ambtsgebied waarin zich het kantoor belast met de invordering van de fiscale schuld bevindt, om de opheffing of wijziging van het beslag te verkrijgen in het geval dat niet aan de voorwaarden van dit artikel werd voldaan. De beslagrechter kan het beslag wijzigen in de mate dat de waarde van de in § 1, tweede lid, 7°, bedoelde beslagen goederen het bedrag van de in § 1, tweede lid, 6°, bedoelde schuld op een disproportionele manier overschrijdt.

lid 3De beslagrechter kan het beslag tevens wijzigen of opheffen in geval van veranderde omstandigheden.

lid 4De vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding overeenkomstig de artikelen 1035 tot 1041 van het Gerechtelijk Wetboek.

lid 5In voorkomend geval behoudt het beslag zijn bewarend karakter gedurende de rechtsgang van de ingeleide gerechtelijke procedure evenals tijdens een eventuele rechtsgang van de vordering in rechte ingeleid op grond van artikel 89, tweede lid.

§ 3

lid 1Op straffe van nietigheid van het beslag, wordt geschrapte tekst: een dwangbevel met betrekking tot einde van de schrapping. de belastingschuld geschrapte tekst: uitgevaardigd einde van de schrapping. ingevoegde tekst: in een innings- en invorderingsregister opgenomen einde van de invoeging. overeenkomstig artikel 85 geschrapte tekst: van dit Wetboek einde van de schrapping. binnen drie maanden na de kennisgeving van het in § 1, tweede lid, bedoelde proces-verbaal van beslag.

lid 2geschrapte tekst: Dit dwangbevel kan maar worden ter kennis gebracht of betekend aan de beslagene na de bekrachtiging van het beslag door de beslagrechter zoals bepaald in § 2, eerste lid. einde van de schrapping. ingevoegde tekst: De opname van de belastingschuld in het innings- en invorderingsregister kan maar door verzending van het innings- en invorderingsbericht bedoeld in artikel 85, § 3, worden ter kennis gebracht aan de beslagene na de bekrachtiging van het beslag door de beslagrechter zoals bepaald in § 2, eerste lid. In afwijking van artikel 85, § 3, wordt dit innings- en invorderingsbericht bij aangetekende zending ter kennis gegeven. De afgifte van het stuk bij de aanbieder van de universele postdienst geldt als kennisgeving vanaf de derde daaropvolgende werkdag. einde van de invoeging.

vervangen

lid 3Door de loutere kennisgeving geschrapte tekst: of betekening einde van de schrapping. van dit geschrapte tekst: dwangbevel einde van de schrapping. ingevoegde tekst: innings- en invorderingsbericht einde van de invoeging. wordt het bewarend beslag omgezet in een uitvoerend beslag en de daaropvolgende tenuitvoerlegging ervan gebeurt overeenkomstig artikel 1497 van het Gerechtelijk Wetboek.

gewijzigd

lid 4Het uitvoerend beslag op roerende goederen zal vervolgens plaatsvinden overeenkomstig de bepalingen van artikel 1499 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, onverminderd de mogelijkheid voor de beslagene, in geval van veranderde omstandigheden, om de wijziging of opheffing van het beslag te verzoeken voor de beslagrechter.

Opeenvolgende versies

6 versies eerste op 07.01.2007
Van krachtWijzigingBron
01.09.2026van kracht§ 1, tweede lid, 9°, wordt gewijzigdW 16.05.2024, B.S. 21.06.2024
09.03.2026W. 10.02.2026, B.S. 27.02.2026
01.04.2019getoond§ 3, werd vervangenW 26.11.2018, B.S. 04.12.2018
17.07.2017het artikel werd vervangenW 30.06.2017, B.S. 07.07.2017
16.05.2014§ 1, eerste lid, werd gewijzigdW 25.04.2014, B.S. 16.04.2014
07.01.2007het artikel werd ingevoegdW 27.12.2006, B.S. 28.12.2006 en art. 119, W 27.04.2007, B.S. 08.05.2007