De Koning kan een minimummaatstaf van heffing bepalen voor de levering en de invoer van:
automobielen, motorrijwielen en andere motorrijtuigen voor vervoer te land, ongeacht de soort van de motor, alsmede voor aanhangwagens daarvoor;
jachten en plezierboten;
vliegtuigen, watervliegtuigen, hefschroefvliegtuigen en andere dergelijke toestellen, en zweefvliegtuigen.
Hij kan eveneens de maatstaf van heffing van de dienst, die een reisbureau ingevolge artikel 20, § 2, geacht wordt te verstrekken, vaststellen op een percentage van het totaal van de bedragen die het reisbureau aanrekent aan degene van wie het de prijs van deze dienst vordert.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Opeenvolgende versies
4 versies eerste op 01.01.1978| Van kracht | Wijziging | Bron |
|---|---|---|
| 25.05.2019van kracht | tweede lid, werd gewijzigd | W 02.05.2019, B.S. 15.05.2019 |
| 01.01.2000 | tweede lid, werd vervangen | KB 28.12.1999, bekrachtigd bij W 05.08.2003 |
| 01.01.1993 | eerste lid, werd gewijzigd | W 28.12.1992 |
| 01.01.1978getoond | het artikel werd gewijzigd | W 29.11.1977 en Art. 17, W 27.12.1977 |