Artikel 22 wordt vervangen door:
„Artikel 22
Verplichtingen in het binnenlands verkeer
1. a) Iedere belastingplichtige moet opgave doen van het begin, de wijziging en de beëindiging van zijn activiteit als belastingplichtige. De lidstaten staan onder door hen vast te stellen voorwaarden toe dat de belastingplichtige hiervoor elektronische middelen gebruikt en mogen het gebruik van elektronische middelen ook verplicht stellen.
b) Onverminderd het bepaalde onder a), moet iedere in artikel 28 bis, lid 1, onder a), tweede alinea, bedoelde belastingplichtige melden dat hij intracommunautaire verwervingen van goederen verricht, indien niet aan de voorwaarden voor toepassing van de in dat artikel vermelde afwijking is voldaan.
c) De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen voor de identificatie onder een individueel nummer van:
— iedere belastingplichtige, uitgezonderd die bedoeld in artikel 28 bis, lid 4, die in het binnenland leveringen van goederen of diensten verricht die recht op aftrek doen ontstaan, andere dan leveringen van goederen of diensten waarvoor uitsluitend de afnemer of de ontvanger belasting verschuldigd is overeenkomstig artikel 21, lid 1, onder a), b), c) of f). Het staat de lidstaten evenwel vrij bepaalde in artikel 4, lid 3, bedoelde belastingplichtigen niet te registreren;
— iedere onderb) bedoelde belastingplichtige en iedere belastingplichtige die voor de in artikel 28 bis, lid 1, onder a), derde alinea, bedoelde mogelijkheid heeft gekozen.
— iedere belastingplichtige die in het binnenland intracommunautaire verwervingen van goederen verricht ten behoeve van zijn handelingen die behoren tot de in artikel 4, lid 2, bedoelde economische activiteiten en die hij in het buitenland verricht,
d) Het individuele identificatienummer begint met een landencode overeenkomstig de Standard International Code ISO-3166 alpha 2, die aangeeft welke Lid-Staat het nummer heeft toegekend. De Helleense Republiek is evenwel gerechtigd het prefix EL te hanteren.
e) De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat hun identificatiesysteem de onder c) bedoelde belastingplichtigen kan onderscheiden en aldus de juiste toepassing van de in dit hoofdstuk neergelegde overgangsregeling voor de belastingheffing op intracommunautaire handelingen verzekert.
2. a) Iedere belastingplichtige moet een boekhouding voeren welke voldoende gegevens bevat om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde en de controle daarop door de belastingadministratie mogelijk te maken.
b) Iedere belastingplichtige moet een register bijhouden van de goederen die door hemzelf of voor zijn rekening zijn verzonden of vervoerd buiten het in artikel 3 bedoelde grondgebied, maar binnen de Gemeenschap, ten behoeve van de in artikel 28 bis, lid 5, onder b), vijfde, zesde en zevende streepje, bedoelde handelingen.
Iedere belastingplichtige moet een boekhouding voeren die voldoende gegevens bevat om de goederen te kunnen identificeren die vanuit een andere Lid-Staat naar hem verzonden zijn door of voor rekening van een in die andere Lid-Staat voor BTW-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige en die voorwerp zijn van een in artikel 9, lid 2, onder c), derde of vierde streepje, bedoelde dienstverrichting.
3. a) Iedere belastingplichtige moet ervoor zorgen dat door hemzelf, door zijn afnemer of, in zijn naam en voor zijn rekening, door een derde, een factuur wordt uitgereikt voor goederen die hij heeft geleverd aan of diensten die hij heeft verricht voor een andere belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon. Iedere belastingplichtige moet er tevens op toezien dat door hemzelf, door zijn afnemer of, in zijn naam en voor zijn rekening, door een derde, een factuur wordt uitgereikt voor de in artikel 28 ter, onderdeel B, lid 1, bedoelde leveringen van goederen en de leveringen van goederen, verricht onder de voorwaarden van artikel 28 quater, onderdeel A.
Elke belastingplichtige moet er bovendien voor zorgen dat door hemzelf, door zijn afnemer of, in zijn naam en voor zijn rekening, door een derde, een factuur wordt uitgereikt voor de vooruitbetalingen die aan hem worden gedaan voordat een van de in de eerste alinea bedoelde leveringen van goederen is verricht en voor de vooruitbetalingen die door een andere belastingplichtige, of door een niet-belastingplichtige rechtspersoon, aan hem worden gedaan voordat de dienst is verricht.
De lidstaten kunnen de belastingplichtige de verplichting opleggen een factuur uit te reiken voor andere dan de in de vorige alinea's bedoelde goederen of diensten die hij op hun grondgebied heeft geleverd of verricht. Indien de lidstaten dat doen, beschikken zij over de mogelijkheid met betrekking tot deze facturen minder verplichtingen op te leggen dan de onder b), c) en d) vermelde.
De lidstaten kunnen de belastingplichtige van zijn factureringsplicht ontheffen voor goederen of diensten die hij op hun grondgebied heeft geleverd of verricht en die, al dan niet met teruggaaf van voorbelasting, zijn vrijgesteld overeenkomstig artikel 13 en artikel 28, lid 2, onder a) en lid 3, onder b).
Ieder document of bericht dat wijzigingen aanbrengt in en specifiek en ondubbelzinnig verwijst naar de oorspronkelijke factuur geldt als factuur. De lidstaten op het grondgebied waarvan goederen worden geleverd of diensten worden verricht kunnen ontheffing verlenen van bepaalde verplichte vermeldingen in de bedoelde documenten of berichten.
De lidstaten kunnen de belastingplichtigen die op hun grondgebied goederen leveren of diensten verrichten een termijn opleggen voor het uitreiken van de factuur.
Onder de voorwaarden, vastgesteld door de lidstaten op het grondgebied waarvan goederen worden geleverd of diensten worden verricht, kan voor verscheidene afzonderlijke goederenleveringen of dienstverrichtingen een periodieke factuur worden opgemaakt.
Facturen mogen worden opgemaakt door de afnemer van een belastingplichtige voor goederen die door deze belastingplichtige aan hem worden geleverd of diensten die voor hem worden verricht, mits dat vooraf is overeengekomen in een akkoord tussen beide partijen, en op voorwaarde dat iedere factuur het voorwerp uitmaakt van een procedure van aanvaarding door de belastingplichtige die de goederen levert of de diensten verricht. De lidstaten op het grondgebied waarvan goederen worden geleverd of diensten worden verricht stellen de voorwaarden en uitvoeringsbepalingen vast voor de akkoorden en de aanvaardingsprocedures tussen de belastingplichtige en diens afnemer.
De lidstaten kunnen belastingplichtigen die op hun grondgebied goederen leveren of diensten verrichten verdere voorwaarden opleggen betreffende de uitreiking van facturen door hun afnemers. Zij kunnen met name verlangen dat die facturen worden uitgereikt in naam en voor rekening van de belastingplichtige. Deze voorwaarden moeten in ieder geval altijd dezelfde zijn, ongeacht de plaats waar de afnemer is gevestigd.
Bovendien kunnen de lidstaten de belastingplichtigen die op hun grondgebied goederen leveren of diensten verrichten specifieke voorwaarden opleggen wanneer de derde of de afnemer die de facturen uitreikt is gevestigd in een land waarmee geen rechtsinstrument is overeengekomen inzake wederzijdse bijstand van gelijke strekking als in Richtlijn 76/308/EEG van de Raad van 15 maart 1976 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit bepaalde bijdragen, rechten en belastingen, alsmede uit andere maatregelen ( 14 ), richtlijn van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe en indirecte belastingen ( 15 ) en Verordening (EEG) nr. 218/92 van de Raad van 27 januari 1992 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de indirecte belastingen (BTW) ( 16 ).
b) Onverminderd de bijzondere bepalingen van deze richtlijn zijn voor BTW-doeleinden op de overeenkomstig punt a), eerste, tweede en derde alinea, uitgereikte facturen alleen de volgende vermeldingen verplicht:
— de datum van uitreiking;
— een opeenvolgend nummer, met één of meer reeksen, waardoor de factuur eenduidig wordt geïdentificeerd;
— het in lid 1, onder c), bedoelde BTW-identificatienummer waaronder de belastingplichtige de goederen heeft geleverd of de diensten heeft verricht;
— het in lid 1, onder c), bedoelde BTW-identificatienummer van de afnemer waaronder hij een goederenlevering of een dienstverrichting heeft afgenomen waarvoor hij tot voldoening van de belasting is gehouden of waaronder hij een goederenlevering als bedoeld in artikel 28 quater, onderdeel A, heeft afgenomen;
— de volledige naam en het volledige adres van de belastingplichtige en zijn afnemer;
— de hoeveelheid en de aard van de geleverde goederen of de omvang en de aard van de verrichte diensten;
— de datum waarop de goederenlevering of dienstverrichting heeft plaatsgevonden of voltooid is of de datum waarop de in punt a), tweede alinea, bedoelde vooruitbetaling is gedaan, voorzover die datum vastgesteld is en verschilt van de uitreikingsdatum van de factuur;
— de maatstaf van heffing voor elk tarief of elke vrijstelling, de eenheidsprijs exclusief belasting, evenals de eventuele vooruitbetalingskortingen, prijskortingen en -rabatten indien die niet in de eenheidsprijs zijn begrepen;
— het toegepaste BTW-tarief;
— het te betalen BTW-bedrag, tenzij er een specifieke regeling van toepassing is waarvoor deze richtlijn die vermelding uitsluit;
— in geval van een vrijstelling of wanneer de afnemer tot voldoening van de belasting is gehouden, een verwijzing naar de betreffende bepaling in deze richtlijn of naar de overeenkomstige nationale bepaling of enige andere vermelding dat de levering is vrijgesteld of onder de toepassing van de verleggingsregeling valt;
— in geval van de intracommunautaire levering van een nieuw vervoermiddel, de in artikel 28 bis, lid 2, bedoelde gegevens;
— wanneer de margeregeling wordt gehanteerd, een verwijzing naar artikel 26 of 26 bis, of de overeenkomstige nationale bepalingen, of enige andere vermelding dat de margeregeling is toegepast;
— wanneer degene die tot voldoening van de belasting gehouden is, een fiscaal vertegenwoordiger is in de zin van artikel 21, lid 2, het in lid 1, onder a), bedoelde BTW-identificatienummer van deze fiscaal vertegenwoordiger, samen met zijn volledige naam en adres.
De lidstaten kunnen belastingplichtigen die op hun grondgebied gevestigd zijn en er goederen leveren of diensten verrichten, de verplichting opleggen om in andere dan de in het vierde streepje van de eerste alinea bedoelde gevallen het BTW-identificatienummer van hun cliënt te vermelden.
De lidstaten leggen niet de verplichting op de facturen te ondertekenen.
Op een factuur kunnen bedragen in willekeurig welke munteenheid voorkomen, mits het te betalen BTW-bedrag is uitgedrukt in de nationale munteenheid van de lidstaat waar de goederen worden geleverd of de diensten worden verricht en daarbij gebruik wordt gemaakt van het wisselkoersmechanisme bedoeld in artikel 11, onderdeel C, punt 2.
Wanneer zulks uit het oogpunt van de controle nodig is, kunnen de lidstaten een vertaling eisen in hun nationale taal van de facturen betreffende op hun grondgebied geleverde goederen of verrichte diensten, alsmede van de facturen die worden ontvangen door op hun grondgebied gevestigde belastingplichtigen.
c) De overeenkomstig punt a) uitgereikte facturen mogen zowel op papier als, behoudens aanvaarding door de afnemer, elektronisch worden verzonden.
Elektronisch verzonden facturen worden door de lidstaten aanvaard, mits de authenticiteit van de herkomst en de integriteit van de inhoud ervan worden gewaarborgd door middel van:
— hetzij een beveiligde elektronische handtekening in de zin van artikel 2, lid 2, van Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen ( 17 ); de lidstaten kunnen evenwel vereisen dat de beveiligde elektronische handtekening berust op een goedgekeurd certificaat en is aangemaakt met een veilig middel voor het aanmaken van handtekeningen in de zin van artikel 2, leden 6 en 10, van bovengenoemde richtlijn;
— hetzij een elektronische uitwisseling van gegevens (EDI), zoals gedefinieerd in artikel 2 van Aanbeveling 1994/820/EG van de Commissie van 19 oktober 1994 betreffende de juridische aspecten van de elektronische uitwisseling van gegevens ( 18 ), wanneer het akkoord betreffende deze uitwisseling voorziet in het gebruik van procedures die de authenticiteit van de herkomst en de integriteit van de gegevens waarborgen; de lidstaten kunnen evenwel onder door hen vastgestelde voorwaarden ook een aanvullend kort overzicht op papier vereisen.
De facturen kunnen evenwel langs elektronische weg worden verzonden volgens andere methoden, mits deze door de betrokken lidstaat of lidstaten worden aanvaard. Uiterlijk op 31 december 2008 legt de Commissie een verslag voor dat vergezeld gaat van een voorstel, indien passend, tot wijziging van de voorwaarden inzake elektronische facturering teneinde rekening te houden met mogelijke toekomstige technologische ontwikkelingen op dit gebied.
De lidstaten mogen de belastingplichtigen die op hun grondgebied goederen leveren of diensten verrichten geen andere verplichtingen of formaliteiten opleggen betreffende het gebruik van een systeem voor elektronische verzending van facturen. Wel kunnen zij tot en met 31 december 2005 bepalen dat voor gebruikmaking van dat systeem voorafgaande kennisgeving vereist is.
De lidstaten kunnen specifieke voorwaarden opleggen voor het langs elektronische weg uitreiken van facturen betreffende goederen en diensten die op hun grondgebied zijn geleverd of verricht vanuit een land waarmee geen rechtsinstrument is overeengekomen inzake wederzijdse bijstand van gelijke strekking als in de Richtlijnen 76/308/EEG en 77/799/EEG en Verordening (EEG) nr. 218/92.
Bij een reeks facturen die langs elektronische weg naar dezelfde afnemer worden verzonden, hoeven de voor de verschillende facturen gelijke vermeldingen slechts één keer te worden opgenomen, voorzover voor elke factuur alle informatie toegankelijk is.
d) Iedere belastingplichtige moet erop toezien dat kopieën van de door hemzelf, door zijn afnemer of, in zijn naam en voor zijn rekening, door een derde uitgereikte facturen en alle door hemzelf ontvangen facturen worden opgeslagen.
Voor de toepassing van deze richtlijn mag de belastingplichtige de plaats van opslag bepalen, mits hij alle aldus opgeslagen facturen of gegevens op ieder verzoek zonder onnodig uitstel ter beschikking van de bevoegde autoriteiten kan stellen. De lidstaten kunnen de op hun grondgebied gevestigde belastingplichtigen evenwel verplichten tot kennisgeving van de plaats van opslag wanneer deze buiten hun grondgebied gesitueerd is. De lidstaten kunnen de op hun grondgebied gevestigde belastingplichtigen bovendien verplichten de door henzelf, door hun afnemers of, in hun naam en voor hun rekening, door derden uitgereikte facturen, alsmede de door hen ontvangen facturen, op te slaan op hun grondgebied, wanneer deze opslag niet geschiedt langs een elektronische weg die een volledige on-line toegang tot de betrokken gegevens waarborgt.
De authenticiteit van de herkomst en de integriteit van de inhoud van deze facturen, alsmede de leesbaarheid ervan, moeten gedurende de volledige opslagperiode worden gewaarborgd. De gegevens op de onder c), derde alinea, bedoelde facturen mogen niet worden gewijzigd en moeten gedurende deze periode leesbaar blijven.
De lidstaten bepalen hoe lang de belastingplichtigen erop moeten toezien dat de facturen betreffende goederen of diensten die op hun grondgebied zijn geleverd of verricht, alsmede de facturen ontvangen door op hun grondgebied gevestigde belastingplichtigen, moeten worden opgeslagen.
Om te waarborgen dat de in de derde alinea bedoelde voorwaarden worden nageleefd, kunnen de in de vierde alinea bedoelde lidstaten bepalen dat de facturen moeten worden opgeslagen in hun oorspronkelijke vorm — op papier of elektronisch — waarin zij zijn toegezonden. Zij kunnen tevens bepalen dat, wanneer de facturen langs elektronische weg worden opgeslagen, de gegevens die de authenticiteit van de herkomst en de integriteit van de inhoud waarborgen, eveneens worden opgeslagen.
De in de vierde alinea bedoelde lidstaten kunnen specifieke voorwaarden opleggen met het oog op het verbieden van de opslag van facturen in een land waarmee geen rechtsinstrument is overeengekomen inzake wederzijdse bijstand van gelijke strekking als in de Richtlijnen 76/308/EEG en 77/799/EEG en Verordening (EEG) nr. 218/92 en inzake recht van toegang, downloading en gebruikmaking langs elektronische weg als bedoeld in artikel 22 bis.
De lidstaten kunnen onder door hen vastgestelde voorwaarden voorzien in een opslagplicht voor facturen ontvangen door niet-belastingplichtigen.
e) Voor de toepassing van de punten c) en d) wordt onder het „elektronisch” verzenden en opslaan van een factuur verstaan de verzending of terbeschikkingstelling aan de bestemmeling en de opslag via elektronische apparatuur voor de verwerking (met inbegrip van digitale compressie) en de opslag van gegevens, waarbij gebruik wordt gemaakt van draden, radio, optische middelen of andere elektromagnetische middelen.
Voor de toepassing van deze richtlijn aanvaarden de lidstaten als factuur ieder document of bericht op papier of in elektronisch formaat dat voldoet aan de bij dit lid vastgestelde voorwaarden;
4. a) Iedere belastingplichtige moet binnen een door elke lidstaat vast te stellen termijn een aangifte indienen. Deze termijn mag niet langer zijn dan twee maanden na het verstrijken van elk belastingtijdvak. Dit tijdvak kan door de lidstaten worden vastgesteld op een, twee of drie maanden. De lidstaten kunnen evenwel andere tijdvakken vaststellen, die echter niet langer dan een jaar mogen zijn. De lidstaten staan onder door hen vast te stellen voorwaarden toe dat de belastingplichtige hiervoor elektronische middelen gebruikt en mogen het gebruik van elektronische middelen ook verplicht stellen.
b) In de aangifte moeten alle gegevens staan die nodig zijn om het bedrag van de verschuldigde belasting en van de aftrek vast te stellen, daarbij eventueel inbegrepen, voor zover zulks voor de vaststelling van de grondslag nodig is, het totale bedrag van de handelingen waarop deze belasting en deze aftrek betrekking hebben, alsmede het bedrag van de vrijgestelde handelingen.
c) Verder moeten in de aangifte zijn vermeld:
— het totale bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, van de leveringen van goederen als bedoeld in artikel 28 quater, A, uit hoofde waarvan de belasting in de loop van de periode verschuldigd is geworden.
— Bovendien moet worden toegevoegd: het totale bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, van de leveringen van goederen als bedoeld in artikel8, lid1, ondera), tweede zin, en artikel 28 ter, B, lid 1, die verricht zijn in het binnenland van een andere Lid-Staat en waarover de belasting in de loop van de aangifteperiode verschuldigd is geworden, indien de plaats van vertrek van de verzending of het vervoer van de goederen in het binnenland is gelegen;
— het totale bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, van de intracommunautaire verwervingen van goederen als bedoeld in artikel 28 bis, lid 1 en lid 6, die in het binnenland zijn verricht en waarover de belasting verschuldigd is geworden.
— Bovendien moeten worden toegevoegd: het totale bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, van de leveringen van goederen als bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), tweede zin, en artikel 28 ter, B, lid 1, die in het binnenland zijn verricht en waarover de belasting in de loop van de aangifteperiode verschuldigd is geworden, indien de plaats van vertrek van de verzending of het vervoer van de goederen op het grondgebied van een andere Lid-Staat is gelegen, alsmede het totale bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, van de leveringen van goederen die in het binnenland zijn verricht en waarvoor de belastingplichtige, overeenkomstig artikel 28 quater, E, lid 3, is aangewezen als degene die tot voldoening van de belasting is gehouden en uit hoofde waarvan de belasting in de loop van de aangifteperiode verschuldigd is geworden.
5. Iedere belastingplichtige moet het nettobedrag van de belasting over de toegevoegde waarde bij de indiening van de periodieke aangifte voldoen. De Lid-Staten kunnen echter een ander tijdstip voor de betaling van dit bedrag vaststellen of bepalen dat voorlopige vooruitbetalingen moeten worden gedaan.
6. a) De lidstaten kunnen de belastingplichtige verzoeken een aangifte in te dienen betreffende alle in het voorgaande jaar verrichte handelingen met daarin alle in lid 4 bedoelde gegevens. In die aangifte moeten tevens alle gegevens staan die nodig zijn voor eventuele herzieningen. De lidstaten staan onder door hen vast te stellen voorwaarden toe dat de belastingplichtige hiervoor elektronische middelen gebruikt en mogen het gebruik van elektronische middelen ook verplicht stellen.
b) Iedere voor BTW-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige moet eveneens een lijst indienen van de voor BTW-doeleinden geïdentificeerde afnemers aan wie hij goederen heeft geleverd onder de in artikel 28 quater, deel A, onder a) en d), gestelde voorwaarden, alsmede van de voor BTW-doeleinden geïdentificeerde personen voor wie de inde vijfdealinea vermelde handelingen zijn bestemd.
Deze lijst wordt voor elk kwartaal opgesteld binnen een termijn en volgens regels welke worden vastgesteld door de lidstaten, die de nodige maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat de bepalingen betreffende administratieve samenwerking op het gebied van de indirecte belastingen in ieder geval worden nageleefd. De lidstaten staan onder door hen vast te stellen voorwaarden toe dat de belastingplichtige hiervoor elektronische middelen gebruikt en mogen het gebruik van elektronische middelen ook verplicht stellen.
Op deze lijst dienen vermeld te worden:
— het nummer waaronder de belastingplichtige voor BTW-doeleinden in het binnenland is geïdentificeerd en waaronder hij leveringen van goederen heeft verricht onder de voorwaarden van artikel 28 quater, A, onder a),
— het nummer waaronder elke afnemer voor BTW-doeleinden in een andere Lid-Staat is geïdentificeerd en waaronder goederen aan hem geleverd zijn,
— voor elke afnemer het totale bedrag van de door de belastingplichtige verrichte leveringen van goederen. Deze bedragen worden opgegeven voor het kwartaal waarin de belasting verschuldigd is geworden.
Tevens dient deze lijst te bevatten:
— voor leveringen van goederen als bedoeld van artikel 28 quater, A, onder d): het nummer waaronder de belastingplichtige voor BTW-doeleinden in het binnenland is geïdentificeerd, het nummer waaronder hij in de Lid-Staat van aankomst van het vervoer is geïdentificeerd, alsmede het totaalbedrag van deze leveringen vastgesteld overeenkomstig artikel 28 sexies, lid 2;
— het bedrag van de overeenkomstig artikel 11, C, lid 1, verrichte herzieningen. Deze bedragen worden opgegeven voor het kwartaal waarin van de herziening kennis is gegeven aan de afnemer.
In de in artikel 28 ter, A, lid 2, derde alinea, bedoelde gevallen dient de belastingplichtige die voor BTW-doeleinden in het binnenland is geïdentificeerd duidelijk op de lijst te vermelden:
— het nummer waaronder hij voor BTW-doeleinden in het binnenland is geïdentificeerd en waaronder hij de intracommunautaire verwerving en de daarop aansluitende levering van goederen heeft verricht,
— het nummer waaronder degene voor wie de daaropvolgende levering verricht door de belastingplichtige bestemd is in de Lid-Staat van aankomst van de verzending of het vervoer van goederen, is geïdentificeerd,
— en, voor elk van degenen voor wie deze bestemd zijn, het totale bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, van de aldus door de belastingplichtige in de Lid-Staat van aankomst van de verzending of het vervoer van goederen verrichte leveringen. Deze bedragen worden opgegeven voor het kalenderkwartaal waarin de belasting verschuldigd is geworden.
c) In afwijking van het onder b) bepaalde kunnen de Lid-Staten:
— verzoeken deze lijsten maandelijks in te dienen,
— verzoeken meer informatie in deze lijsten op te nemen.
d) Voor leveringen van nieuwe vervoermiddelen onder de voorwaarden van artikel 28 quater, A, onder b), door een voor BTW-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige aan een niet voor BTW-doeleinden geïdentificeerde koper of door een belastingplichtige als bedoeld in artikel 28 bis, lid 4, treffen de Lid-Staten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de verkoper alle gegevens verschaft die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde en voor de controle daarop door de overheid.
e) De Lid-Staten kunnen belastingplichtigen die in het binnenland intracommunautaire verwervingen van goederen als bedoeld in artikel 28 bis, lid 1, onder a), en lid 6, verrichten, verzoeken om gespecificeerde aangiften over deze verwervingen in te dienen, met dien verstande dat zulke aangiften niet voor periodes van minder dan een maand mogen worden verlangd.
De Lid-Staten kunnen personen die intracommunautaire verwervingen van nieuwe vervoermiddelen als bedoeld in artikel 28 bis, lid 1, onder b), verrichten, tevens verzoeken om bij het indienen van de in lid 4 bedoelde aangifte alle gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde en voor de controle daarop door de overheid.
7. De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat de personen die, overeenkomstig artikel 21, leden 1 en 2, worden geacht tot voldoening van de belasting te zijn gehouden in plaats van een niet in het binnenland gevestigde belastingplichtige, de in dit artikel bedoelde verplichtingen inzake aangifte en betaling nakomen; zij treffen voorts de nodige maatregelen opdat de personen die, overeenkomstig artikel 21, lid 3, worden geacht hoofdelijk verplicht te zijn de belasting te voldoen, de in dit artikel bedoelde verplichtingen inzake betaling nakomen.
8. De Lid-Staten kunnen, onder voorbehoud van gelijke behandeling van door belastingplichtigen verrichte binnenlandse handelingen en handelingen tussen de Lid-Staten, andere verplichtingen voorschrijven die zij noodzakelijk achten ter waarborging van de juiste heffing van de belasting en ter voorkoming van fraude mits deze verplichtingen in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten geen aanleiding geven tot formaliteiten in verband met het overschrijden van een grens.
De in de eerste alinea geboden mogelijkheid mag slechts worden benut voor het opleggen van verplichtingen die een aanvulling zijn op de bij lid 3 vastgestelde verplichtingen.
9. a) De Lid-Staten kunnen van bepaalde verplichtingen of van alle verplichtingen ontheffen:
— de belastingplichtigen die slechts leveringen van goederen of diensten verrichten welke uit hoofde van de artikelen 13 en 15 zijn vrijgesteld.
— de belastingplichtigen die in aanmerking komen voor de in artikel 24 bedoelde belastingvrijstelling, en de in artikel 28 bis, lid 1, onder a), tweede alinea, bedoelde afwijking,
— de belastingplichtigen die geen van de in lid 4, onder c), bedoelde handelingen verrichten.
Onverminderd het bepaalde onder d) kunnen de lidstaten evenwel de in het derde streepje bedoelde belastingplichtigen geen ontheffing verlenen van de in artikel 22, lid 3, bedoelde verplichtingen.
b) De Lid-Staten kunnen andere dan de onder a) bedoelde belastingplichtigen van bepaalde verplichtingen als bedoeld in lid 2, onder a), vrijstellen.
c) De Lid-Staten kunnen de belastingplichtigen vrijstellen van de betaling van de verschuldigde belasting, indien het bedrag daarvan onbeduidend is.
d) Behoudens raadpleging van het Comité van artikel 29 en onder de door henzelf vast te stellen voorwaarden kunnen de lidstaten bepalen dat facturen betreffende goederenleveringen of dienstverrichtingen op hun grondgebied niet hoeven te voldoen aan sommige van de in lid 3, onder b), bedoelde verplichtingen in de volgende gevallen:
— wanneer het bedrag van de factuur onbeduidend is;
— wanneer de handels- of administratieve praktijken van de betrokken bedrijfssector of de technische voorwaarden waaronder die facturen uitgereikt worden de naleving van alle in lid 3, onder b), bedoelde verplichtingen bemoeilijken.
De facturen moeten in elk geval de volgende vermeldingen bevatten:
— de datum van uitreiking,
— een identificatie van de belastingplichtige,
— een identificatie van de aard van de geleverde goederen of verrichte diensten,
— het bedrag van de verschuldigde belasting of de gegevens aan de hand waarvan dat bedrag kan worden berekend.
De vereenvoudiging waarin bij dit punt wordt voorzien, mag evenwel niet worden toegepast op de handelingen bedoeld in lid 4, onder c).
e) Ingeval de lidstaten gebruik maken van de in punt a), derde streepje, geboden mogelijkheid om het in lid 1, onder c), bedoelde nummer niet toe te kennen aan belastingplichtigen die geen van de in lid 4, onder c), bedoelde handelingen verrichten, dient de factuur in plaats van dit niet toegekende identificatienummer van de leverancier en de afnemer een ander nummer te vermelden, het zogenaamd fiscaal registratienummer zoals gedefinieerd door de betrokken lidstaten.
Wanneer het in lid 1, onder c), bedoelde nummer aan de belastingplichtige is toegekend, kunnen de in de eerste alinea bedoelde lidstaten bovendien bepalen dat op de factuur worden vermeld:
— voor de dienstverrichtingen bedoeld in artikel 28 ter, onderdelen C, D, E en F, en voor de goederenleveringen bedoeld in artikel 28 quater, onderdeel A en onderdeel E, punt 3, het in lid 1, onder c), bedoelde nummer en het fiscaal registratienummer van de leverancier,
— voor andere goederenleveringen en dienstverrichtingen alleen het fiscaal registratienummer van de leverancier, dan wel alleen het in lid 1, onder c), bedoelde nummer.
10. De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat niet-belastingplichtige rechtspersonen die zijn gehouden tot voldoening van belasting verschuldigd uit hoofde van intracommunautaire verwervingen van goederen als bedoeld in artikel 28 bis, lid 1, onder a), eerste alinea, voldoen aan bovengenoemde verplichtingen inzake aangifte en betaling en dat zij worden geïdentificeerd onder een individueel nummer in de zin van lid 1, onder c), d) en e).
11. Voor de in artikel 28 bis, lid 1, onder c), bedoelde intracommunautaire verwervingen van accijnsprodukten, alsmedevoor intracommunautaire verwervingen van nieuwe vervoermiddelen als bedoeld in artikel 28 bis, lid 1, onder b), stellen de Lid-Staten de nadere regels vast met betrekking tot de aangifte en de daarop volgende betaling.
12. De Raad kan met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie elke Lid-Staat machtigen om bijzondere maatregelen in te voeren om de aangifteverplichtingen bedoeld in lid 6, onder b), te vereenvoudigen. Deze vereenvoudigingsmaatregelen, die de betrouwbaarheid van de controle op de intracommunautaire handelingen niet mogen verminderen, kunnen de volgende vorm aannemen:
a) de Lid-Staten kunnen de belastingplichtigen die aan de onderstaande drie voorwaarden voldoen, toestaan een lijst over een periode van een jaar in te dienen waarin voor elke afnemer aan wie de belastingplichtige goederen heeft geleverd onder de voorwaarden van artikel 28 quater, A, het nummer wordt vermeld waaronder hij voor BTW-doeleinden in een andere Lid-Staat is geïdentificeerd:
— het jaarlijkse totale bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, van hun leveringen van goederen en diensten in de zin van de artikelen 5, 6 en 28 bis, lid 5, overschrijdt met niet meer dan 35 000 ecu het bedrag van de jaarlijkse omzet die als maatstaf dient voor de toepassing van de belastingvrijstelling bedoeld in artikel 24,
— het jaarlijkse totale bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, van de leveringen van goederen die zij verrichten onder de voorwaarden van artikel 28 quater, A, bedraagt niet meer dan de tegenwaarde van 15 000 ecu in nationale munt,
— de leveringen van goederen die zij verrichten onder de voorwaarden van artikel 28 quater, A, zijn geen leveringen van nieuwe vervoermiddelen;
b) de Lid-Staten die het belastingtijdvak waarover een belastingplichtige een aangifte als bedoeld in lid 4 moet indienen, op meer dan drie maanden vaststellen, mogen deze belastingplichtige toestaan de lijst voor datzelfde tijdvak in te dienen wanneer de belastingplichtige aan de volgende drie voorwaarden voldoet;
— het jaarlijkse totale bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, van de leveringen van goederen en diensten in de zin van de artikelen 5, 6 en 28 bis, lid 5, bedraagt ten hoogste de tegenwaarde van 200 000 ecu in nationale munt,
— het jaarlijkse totale bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, van de leveringen van goederen die zij onder de voorwaarden van artikel 28 quater, A, verrichten, bedraagt niet meer dan de tegenwaarde van 15 000 ecu in nationale munt,
— de leveringen van de goederen die zij onder de voorwaarden van artikel 28 quater, A, verrichten, zijn geen leveringen van nieuwe vervoermiddelen.”
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Geconsolideerde tekst gepubliceerd door het Publicatiebureau van de Europese Unie, per artikel opgesplitst en opnieuw opgemaakt · Licentie CC BY 4.0
Rechtspraak
17Europese Unie
17Hof van JustitieC-24/1520.10.2016
Overbrenging van goederen binnen de Europese Unie
Conclusie van de advocaat-generaalC-580/1630.11.2017
Plaats van de intracommunautaire verwerving
Hof van JustitieC-617/1026.02.2013