Vennootschapsbelasting, Belastingneutrale partiële splitsing, Belastingneutrale fusie door overneming · Voorafgaande beslissingen

Naar de tekst
Juriel

2020.0097 31 maart 2020

Zoeken

Vennootschapsbelasting, Belastingneutrale partiële splitsing, Belastingneutrale fusie door overnemingVennootschapsbelasting - Belastingneutrale partiële splitsing - Belastingneutrale fusie door overneming - Zakelijke overwegingen Belastingfraude of –ontwijking - BTW-eenheid artikelen 4, §2; 12, §1,3° en 48, §2 van het btw-wetboek

https://juriel.be/nl/rulings/2020-0097-vennootschapsbelasting-belastingneutrale-partiele-splitsing-fusie-c827

Nummer
2020.0097
Datum
31 maart 2020

Over het document

Verzameling
Voorafgaande beslissingen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

65 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Voorafgaande beslissing nr. 2020.0097 d.d. 31.03.2020

Vennootschapsbelasting · Belastingneutrale partiële splitsing · Belastingneutrale fusie door overneming · Zakelijke overwegingen · Belastingfraude of –ontwijking · BTW-eenheid artikelen 4, §2; 12, §1,3° en 48, §2 van het btw-wetboek

Samenvatting

De partiële splitsingen van de groepsvennootschappen NV A, NV B, NV C en NV D, waarbij hun onroerende goederen worden overgedragen naar een groepsvennootschap BV E, beantwoorden aan zakelijke overwegingen en hebben niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of –ontwijking in de zin van artikel 183bis, WIB 92.

De geruisloze fusies van de vastgoedvennootschappen NV F, NV G en BV H in BV E die ertoe strekken de groepsstructuur te vereenvoudigen en de onroerende goederen van de groepsvennootschappen samen te brengen in één juridische entiteit, beantwoorden aan het bepaalde in artikel 183bis, WIB 92 en kunnen worden verricht onder het belastingneutrale regime zoals bedoeld in artikel 211, §1, WIB 92.

Daar de verrichtingen plaatsvinden tussen de leden van eenzelfde btw-eenheid, vinden deze handelingen plaats buiten het toepassingsgebied van de btw.

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt er toe de bevestiging te krijgen dat:

1.1. De partiële splitsingen van de vennootschappen NV A, NV B, NV C en NV D, waarbij onroerende goederen worden overgedragen naar een vastgoedvennootschap BV E en de fusies waarbij BV E de vennootschappen NV F, NV G en BV H zal opslorpen middels een fusie door overneming, beantwoorden aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 211, §1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna WIB 92) en niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of belastingontwijking hebben in de zin van artikel 183bis WIB 92;

1.2. De verrichting, die plaatsvindt tussen btw-plichtigen, allen lid van éénzelfde btw-eenheid, ingevolge artikel 4, §2 van het btw-wetboek aangemerkt wordt als een interne handeling binnen de btw-eenheid, die bijgevolg buiten het toepassingsgebied van de btw valt;

1.3. Gezien de bestemming van de betreffende onroerende goederen ingevolge de verrichting binnen de btw-eenheid niet wijzigt en voor zover ze allen verder als bedrijfsmiddel aangewend blijven, artikel 12, §1, 3° en 4° van het btw-wetboek niet toepasselijk is;

1.4. Voor zover voormelde bedrijfsmiddelen, door deze btw-eenheid verder worden gebruikt voor externe handelingen (handelingen met derden) die recht op aftrek verlenen, artikel 48, §2 van het btw-wetboek evenmin uitwerking krijgt.

II. Omschrijving van de verrichtingen

2. De bij de verrichtingen betrokken vennootschappen behoren tot dezelfde groep, met name groep X, die actief is in de sector x.

3. BV I is de holdingvennootschap die tevens ondersteunende diensten levert aan de groep. De aandelen zijn in handen van de natuurlijke personen y en z en dit elk voor 50%.

4. BV E, NV F en NV G verhuren voornamelijk niet-residentieel onroerend goed.

5. NV A, NV B, NV C, NV D en BV H zijn de exploitatievennootschappen binnen de groep.

6. De groep wenst onderstaande verrichtingen uit te voeren ten einde te komen tot een centrale vastgoedvennootschap waarbinnen de onroerende goederen van de volledige groep zijn gecentraliseerd. De schuld die werd aangegaan om de overgedragen onroerende goederen te verwerven, zal eveneens worden overgedragen.

6.1. Partiële splitsing van NV A waarbij de opstalrechten op de onroerende goederen worden afgesplitst naar BV E;

6.2. Partiële splitsing van NV B waarbij de opstalrechten op de onroerende goederen worden afgesplitst naar BV E;

6.3. Partiële splitsing van NV C waarbij het onroerend goed wordt afgesplitst naar BV E;

6.4. Partiële splitsing van NV D waarbij de opstalrechten op de onroerende goederen worden afgesplitst naar NV F;

6.5. Fusies waarbij BV E de vennootschappen NV F, BV H en NV G zal overnemen.

7. De geplande verrichtingen hebben geen impact op de tewerkstelling. Er zal geen personeel overgaan naar BV E naar aanleiding van de verrichtingen.

III. Beslissing

III.A. Inzake de toepassing van artikel 211, §1, WIB 92

8. De partiële splitsingen en fusies zijn inzonderheid ingegeven door volgende motieven:

8.1. BV E zal na de partiële splitsingen en fusies fungeren als vastgoedvennootschap waarin alle onroerende goederen zullen worden gecentraliseerd en van waaruit de vastgoedportefeuille verder zal kunnen worden uitgebouwd. Hierdoor wordt de kredietwaardigheid en waarborgstructuur van de vastgoedvennootschap verhoogd waardoor mogelijks op een eenvoudigere/snellere manier financieringen kunnen afgesloten worden in het kader van nieuwe opportuniteiten;

8.2. Het beheer van de onroerende goederen zal alzo worden afgescheiden van de exploitatie, waardoor elke activiteit met zijn eigen risico’s, investerings- en financieringsbehoeften verder onafhankelijk van elkaar zal kunnen worden ontwikkeld;

8.3. De site-managers zal de mogelijkheid aangeboden worden om mee te participeren in het kapitaal (max 10%) van de respectievelijke exploitatievennootschap zonder toegang te verkrijgen tot het vastgoed.

9. De aanvragers hebben bevestigd dat de eigenvermogensbestanddelen worden verdeeld conform artikel 213 WIB 92.

10. De aanvragers hebben aangetoond dat er geen fiscale motieven aan de basis van de partiële splitsingen en fusies liggen:

10.1. BV E, NV A, NV B, NV D, NV F, BV H en NV G zijn winstgevend en hebben geen overgedragen fiscale verliezen, noch overdraagbare DBI-aftrek, noch overgedragen aftrek voor risicokapitaal en investeringsaftrek;

10.2. NV C heeft fiscaal overdraagbare verliezen die in toepassing van artikel 206, §2, WIB 92 verdeeld en beperkt zullen worden. Hierdoor zal een bepaald bedrag aan fiscale verliezen verloren gaan;

10.3. De aanvragers hebben bevestigd dat BV E een marktconforme huur zal aanrekenen aan de exploitatievennootschappen voor het gebruik van het onroerend goed;

10.4. De verkrijgende vennootschap BV E heeft geen vrijgestelde reserves waarvoor eventuele herbeleggingsverplichtingen openstaan, zodat de partiële splitsingen er niet toe strekken om de ingevolge de partiële splitsingen verkregen activa aan te duiden als herbeleggingsactief ten name van de verkrijgende vennootschap;

10.5. De aanvragers hebben bevestigd dat er geen intentie bestaat om de aandelen van BV I, BV E, NV A, NV B, NV J, NV D, NV F, NV C, BV H en NV G over te dragen, behoudens de voormelde instap van key-medewerkers.

11. Op basis van de door de aanvragers verstrekte inlichtingen kan worden aangenomen dat de partiële splitsingen van de betrokken vennootschappen en de fusies niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking hebben in de zin van artikel 183bis, WIB 92.

12. De verkrijgende vennootschap BV E is een binnenlandse vennootschap.

13. De partiële splitsingen beantwoorden aan de definitie van verrichtingen gelijkgesteld met een splitsing zoals vermeld in art. 2, §1, 6°/1, WIB 92. De voorgenomen fusies beantwoorden aan de definitie van een met een fusie door overneming gelijkgestelde verrichting zoals vermeld in artikel 2, §1, 6°/1, WIB 92.

14. Derhalve kan worden besloten dat aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 211, §1, vierde lid, WIB 92 is voldaan, zodat de partiële splitsingen van de vennootschappen en de fusies kunnen worden verricht onder het belastingneutraal regime zoals bedoeld in artikel 211, §1, WIB 92.

III.B. Inzake de toepassing van de BTW

15. De aanvragers verklaren dat alle bij de partiële splitsingen en fusie betrokken vennootschappen behoren tot dezelfde btw-eenheid.

16. Om deze redenen dienen de verrichtingen opgenomen in en voorwerp van deze aanvraag onderzocht te worden in het licht van artikel 4, §2 van het btw-wetboek, hierna geciteerd:

“De Koning kan, in de gevallen en volgens de regels die Hij bepaalt, de in België gevestigde personen die juridisch gezien wel zelfstandig zijn, doch financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn, voor de toepassing van dit Wetboek als één belastingplichtige aanmerken.”

17. De btw-eenheid wordt dus aangemerkt als één belastingplichtige voor de goederen en de diensten bekomen van derden en voor de prestaties verstrekt aan die derden. Hieruit volgt dat de ‘interne handelingen’, zijnde de leveringen van goederen en de diensten die worden verricht tussen de leden van een btw-eenheid, niet binnen de werkingssfeer van de btw vallen.

18. Daar alle leveringen van goederen en diensten die worden verricht tussen de leden van de btw-eenheid, zonder uitzondering, buiten de werkingssfeer van de belasting vallen, kunnen die verrichtingen enigszins vergeleken worden met die welke worden verricht tussen de verschillende afdelingen van éénzelfde belastingplichtige.

19. Hieruit volgt inzonderheid:

19.1. Dat wanneer een lid van een btw-eenheid een nieuw gebouw vervreemdt aan of een zakelijk recht op zulk gebouw vestigt, overdraagt of weder overdraagt ten gunste van een ander lid van de btw-eenheid, de optie van artikel 44, §3, 1°, a), tweede streepje, of b), tweede streepje, van het btw-wetboek niet kan worden gelicht;

19.2. Dat de artikelen 11 en 18, §3, van het btw-wetboek niet van toepassing zijn tussen de leden van een btw-eenheid;

19.3. Dat de eigendomsoverdrachten op de onroerende goederen naar aanleiding van de partiële splitsingen en fusie, voorwerp van onderhavige aanvraag, uitsluitend plaatsvinden tussen de leden van dezelfde btw-eenheid, om voormelde redenen bij toepassing van artikel 4, §2 van het btw-wetboek, niet binnen de werkingssfeer van de btw vallen.

20. In welbepaalde gevallen zullen handelingen tussen de leden niet zonder gevolgen blijven op het stuk van de btw. In het kader van onderhavige beslissing dient de toepassing van artikel 12, §1, eerste lid, 3°, van het btw-wetboek, onderzocht.

20.1. Omdat ingevolge de gelijkstelling met een levering onder bezwarende titel door die bepaling, de ingebruikneming door een belastingplichtige, als bedrijfsmiddel, van een goed dat hij anders dan als bedrijfsmiddel heeft opgericht, heeft laten oprichten, heeft vervaardigd, heeft laten vervaardigen, heeft verkregen of heeft ingevoerd of waarvoor, met toepassing van de belasting, te zijnen bate zakelijke rechten in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, van het btw-wetboek werden gevestigd of aan hem werden overgedragen of wederovergedragen, wanneer voor dat goed of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan, onderworpen is aan de belasting;

20.2. Die bepaling is inzonderheid van toepassing wanneer een lid van een btw-eenheid bepaalde goederen uit zijn goederenvoorraad levert aan een ander lid van de btw-eenheid en die goederen bedrijfsmiddelen zullen zijn in hoofde van de btw-eenheid;

20.3. In casu verklaren de aanvragers dat de onroerende goederen, opgenomen in bijlage aan deze aanvraag, bedrijfsmiddelen zijn in hoofde van de btw-eenheid en deze geen wijzigingen ondergaan, waardoor ze na de voorgenomen transacties evenzeer bedrijfsmiddelen zijn in hoofde van diezelfde btw-eenheid.

21. Artikel 48, §2 stelt:

“De aftrek van de belasting geheven van bedrijfsmiddelen en diensten die kenmerken hebben die vergelijkbaar zijn met de kenmerken die doorgaans aan bedrijfsmiddelen worden toegeschreven is onderworpen aan herziening gedurende een tijdvak van vijf jaar. De herziening wordt elk jaar verricht tot beloop van een vijfde van het bedrag van die belasting, wanneer enige wijziging is ingetreden in de factoren die aan de berekening van de aftrek ten grondslag liggen.

Voor de belasting geheven van onroerende bedrijfsmiddelen bepaald door de Koning, beloopt het herzieningstijdperk evenwel vijftien jaar en heeft de herziening elk jaar plaats tot beloop van een vijftiende van het bedrag van die belasting.in onderhavige aanvraag.”

22. In casu verklaren de aanvragers dat de bestemming en het gebruik in hoofde van de btw-eenheid, van de bij de partiële splitsing en fusie betrokken onroerende goederen (1), wiens eigendomsrechten binnen dezelfde btw-eenheid blijven, niet wijzigt waardoor artikel 48, §2 van het btw-wetboek evenmin uitwerking krijgt.


[(1) Voorwerp van deze aanvraag]


Aangehaalde teksten

6
WBTW art. 44 voorkomens
WBTW art. 123 voorkomens
WBTW art. 483 voorkomens
WBTW art. 111 voorkomen
WBTW art. 181 voorkomen
WBTW art. 91 voorkomen