Inkomstenbelasting, inbreng van aandelen, meerwaarde op aandelen, interne meerwaarde · Voorafgaande beslissingen

Naar de tekst
Juriel

2011.311 25 oktober 2011

Zoeken

Inkomstenbelasting, inbreng van aandelen, meerwaarde op aandelen, interne meerwaardeinkomstenbelasting - inbreng van aandelen - meerwaarde op aandelen - interne meerwaarde - normaal beheer van het privé-vermogen - holdingvennootschap - oprichting van vennootschappen - divers inkomen - belasting over de toegevoegde waarde - bedrijfsafdeling - artikel 11 en 18, § 3, W.BTW

https://juriel.be/nl/rulings/2011-311-inkomstenbelasting-inbreng-aandelen-meerwaarde-interne-b422

Nummer
2011.311
Datum
25 oktober 2011

Over het document

Verzameling
Voorafgaande beslissingen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

140 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Voorafgaande beslissing nr. 2011.311 dd. 25.10.2011

Inkomstenbelasting · Inbreng van aandelen · Meerwaarde van aandelen · Interne meerwaarde · Normaal beheer van het privé-vermogen · Holdingvennootschap · Oprichting van vennootschappen · Divers inkomen · Belasting over de toegevoegde waarde · Bedrijfsafdeling · Artikel 11 en 18, § 3, W.BTW

Samenvatting

De inbreng door de heer X en de heer Y van hun aandelen van de NV A in de nog op te richten holdingvennootschap NV B kan, gelet op de in de beslissing opgenomen overwegingen, worden aangemerkt als een normale verrichting van beheer van een privé-vermogen, zodat de meerwaarde niet zal belast worden op grond van artikel 90, 9°, eerste gedachtestreepje, WIB 92.

De voorgelegde verrichting inzake reorganisatie en strategische heroriëntering (overdracht van bedrijfsafdeling H van de NV A naar de BVBA C en overdracht van bedrijfsafdeling G van de BVBA C naar de NV A) dient met toepassing van de artikelen 11 en 18, § 3, W.BTW te gebeuren.

I. Voorwerp van de aanvraag

1. Deze aanvraag strekt ertoe te vernemen of :

1.1 de meerwaarde die zal verwezenlijkt worden naar aanleiding van de inbreng door de heer X en de heer Y van hun aandelen van de NV A in een door hen nog op te richten holdingvennootschap NV B, niet belastbaar is door toepassing van artikel 90, 9°, eerste gedachtestreepje van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92), noch door toepassing van artikel 90, 1°, WIB 92 ;

1.2 in het licht van de reorganisatie en de strategische heroriëntering, de operationele splitsing van de bedrijfsafdelingen per marktsegment voor wat betreft de BVBA C en voor wat betreft de NV A met toepassing van artikel 11 en 18, § 3, van het Btw-wetboek (W.BTW) dient te gebeuren en of ingevolge de geplande verrichtingen geen BTW-herziening moet plaatsvinden.

2. Voormelde BVBA C is een 100 % dochteronderneming van de NV D. De aandelen van de NV D zullen, middels uitkoop van de bestaande aandeelhouders (derden), verworven worden door de holdingvennootschap NV B.

II. Omschrijving van de verrichting

II.A. Identiteit van de aanvragers en van de betrokken vennootschappen en de omschrijving van hun activiteiten

Identiteit van de aanvragers-natuurlijke personen

3. De aanvraag wordt ingediend in naam van de heer X en de heer Y, aandeelhouders van de NV A van wie de aandelen zouden worden ingebracht.

4. De heer X is meewerkend vennoot en gedelegeerd bestuurder van de NV A.

5. De heer Y is eveneens meewerkend vennoot en bestuurder van de NV A.

Historiek en activiteiten van de betrokken vennootschappen

6. De NV A is actief in de sector Z en richt zich hoofdzakelijk tot een specifiek marktsegment (zie verder bedrijfstak G) en in beperkte mate tot een ander marktsegment (zie verder bedrijfstak H). Deze vennootschap wordt vertegenwoordigd door verschillende winkels in Vlaanderen.

7. De NV A werd lange tijd geleden opgericht door derden. De heer X heeft enkele jaren nadien de aandelen van deze vennootschap verworven en is overgegaan tot een kapitaalsverhoging. Kort daarop heeft de heer X een aantal aandelen overgedragen aan de heer Y.

8. De NV A bezit op haar beurt alle aandelen van de NV E en heeft een meerderheidsparticipatie in de BVBA F (de resterende aandelen zijn in bezit van de heer X).

9. De NV E is een onroerend goed vennootschap die de panden in eigendom heeft grenzend aan één van de vestigingen van de NV A. De aandelen van deze vennootschap werden recent aangekocht met het oog op een mogelijke toekomstige uitbreiding van de commerciële activiteiten op deze locatie.

10. De BVBA F werd een aantal jaren geleden opgericht. Momenteel zijn de handelshuurovereenkomsten van een aantal winkels op naam van deze vennootschap geregistreerd.

11. De NV D werd geruime tijd geleden opgericht door derden en houdt alle aandelen aan van de BVBA C die in dezelfde sector actief is als de NV A, doch die zich in hoofdzaak richt tot het marktsegment (bedrijfstak H) en in beperkte mate tot het marktsegment (bedrijfstak G). De BVBA C heeft eveneens verschillende winkelpunten.

12. Naast deze deelneming in de BVBA C bezit de NV D het onroerend goed waar één van de winkels is gevestigd, evenals een opbrengsteigendom.

Dividenduitkeringen

13. De NV A, de NV D en de BVBA C hebben de laatste jaren aanzienlijke dividenden uitgekeerd.

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting

14. De heren X en Y wensen hun aandelen van de NV A in te brengen in een nog op te richten holdingvennootschap, de NV B. De waarde van de aandelen werd door een onafhankelijke deskundige bepaald. Een kopie van het waarderingsrapport zal aan de controle van de aanvragers-natuurlijke personen worden overgemaakt ter gelegenheid van de inbreng.

15. Na de inbreng zal de NV B de aandelen van de NV D kopen van de huidige aandeelhouders van de NV D. Deze aankoop zal middels een banklening worden gefinancierd.

16. In een verdere fase zal de bedrijfstak H van de NV A (zijnde het marktsegment waarop de NV A zich slechts in mindere mate richt) middels verkoop worden overgedragen naar de BVBA C en zal de bedrijfstak G van de BVBA C middels verkoop naar de NV A worden overgedragen. Deze fase is essentieel om beide marktsegmenten strategisch te heroriënteren, waarna de NV A zich volledig kan focussen op bedrijfstak G en de BVBA C op bedrijfstak H.

17. Na de voorgenomen verrichting zullen de managementactiviteiten gecentraliseerd worden in de overkoepelende holding, de NV B.

18. De heren X en Y gaan de volgende engagementen aan :

18.1 gedurende een periode van drie jaar te rekenen vanaf de inbreng zal geen kapitaalvermindering door de nog op te richten holdingvennootschap NV B worden doorgevoerd;

18.2 gedurende een periode van drie jaar te rekenen vanaf de inbreng zal geen kapitaalvermindering door de NV A als werkvennootschap worden doorgevoerd, tenzij die middelen door de nog op te richten holdingvennootschap NV B worden gebruikt voor bijvoorbeeld nieuwe investeringen of financiering van andere groepsvennootschappen zonder dat deze geldmiddelen mogen doorstromen naar de aandeelhouders natuurlijke personen;

18.3 gedurende een periode van drie jaar te rekenen vanaf de inbreng zullen de dividenduitkeringen door de werkvennootschap niet wijzigen tegenover vroeger (d.w.z. vóór de inbreng in de nog op te richten holdingvennootschap). Er mogen toch hogere dividenden worden uitgekeerd indien wordt aangetoond dat de dividenduitkeringen worden gebruikt voor bijvoorbeeld nieuwe investeringen of financiering van andere groepsvennootschappen. De hogere dividenduitkeringen mogen echter niet doorvloeien naar de aandeelhouders natuurlijke personen;

18.4 gedurende een periode van drie jaar te rekenen vanaf de inbreng zullen de door de werkvennootschap betaalde managementfees, bedrijfsleidersbezoldigingen, enz. overeenstemmen met de vroegere bedrijfsleidersbezoldigingen.

18.4

18.4De geldstroom vanuit de werkvennootschap naar de holdingvennootschap mag hoger zijn dan de vroegere bedrijfsleidersbezoldigingen indien blijkt dat hier daadwerkelijk prestaties tegenover staan (bijvoorbeeld boekhouding, personeel,...) die vroeger op het niveau van de werkvennootschap werden verricht en nu door de holding, de NV B, worden uitgevoerd (eventueel met overdracht van het betrokken personeel) én marktconform worden doorgerekend.

19. De aanvragers bevestigen bovendien dat er geen intentie bestaat om de aandelen van de NV B te vervreemden binnen de drie jaar te rekenen vanaf de datum van de hierboven beschreven inbreng. Het is immers de intentie van beide aandeelhouders, m.n. de heren X en Y, om geen persoonlijke geldelijke verrijking na te streven, maar de groep verder uit te bouwen en te laten groeien in beide marktsegmenten.

III. M otivering van de verrichting door de aanvragers

20. Aan de inbreng van de aandelen van de NV A in de holdingvennootschap NV B en de daaropvolgende aankoop door de NV B van de aandelen van de NV D liggen meerdere niet-fiscale overwegingen ten grondslag.

Bedrijfseconomische - en zakelijke motieven

Verzelfstandiging van de activiteiten per segment en diversificatie van de strategie

21. In het licht van deze verrichting zal, zowel de NV A voor wat betreft de activiteiten behorende tot bedrijfstak G, als de BVBA C voor wat betreft de activiteiten behorende tot bedrijfstak H, in staat zijn om, zowel op organisatorisch als op technisch vlak, een autonome economische activiteit uit te oefenen waarbij beide entiteiten zich op een afzonderlijk marktsegment kunnen richten.

22. Beide bedrijfsafdelingen kunnen zich bijgevolg strategisch (her)oriënteren met een eigen investeringsbeleid, een specifieke know - how en een eigen managementbenadering.

23. Bovendien blijven de huidige aandeelhouders van de NV D verbonden met de groep via een zelfstandige samenwerkingsovereenkomst, via dewelke zij voor een minimale periode verbonden blijven om de activiteiten behorende tot bedrijfsafdeling H binnen de groep mee te oriënteren en de strategie voor dit marktsegment verder uit te werken via de door hen opgebouwde know-how.

24. De operationele splitsing per segment laat ook beter toe om een diversificatie strategie te voeren naar geografische markten toe, en om binnen elk van de segmenten de marktkennis (verder) op te bouwen en uit te breiden.

25. Door de operationele splitsing per segment (en dus per bedrijfsafdeling), wordt het eveneens eenvoudiger om snel en adequaat in te spelen op de specifieke noden van de verschillende markten en wordt het bedrijfsrisico voor elk van de markten gecentraliseerd op het niveau van de twee afzonderlijke segmenten.

26. De tewerkstelling zal behouden blijven in het licht van de voorgenomen transactie en gelet op het verwachte positieve rendement van de diversificatie van de onderscheiden activiteiten zal deze normalerwijze zelfs bestendig toenemen.

Schaalvoordelen

27. Door de vennootschappen NV A en NV D (en haar dochtervennootschap BVBA C) onder te brengen onder de overkoepelende holdingvennootschap NV B zullen schaalvoordelen kunnen worden gerealiseerd.

28. In eerste instantie levert de geplande transactie kostenreducties op, op het niveau van de algemene kosten door middel van de integratie van back office, marketing en logistiek.

29. In tweede instantie koopt de BVBA C op vandaag duurder in dan de NV A. De BVBA C heeft minder gunstige aankoopvoorwaarden bij haar leverancier.

30. Bij een integratie van beide vennootschappen zoals vooropgesteld in deze transactie zullen met geconsolideerde aankopen dus aanzienlijke schaalvoordelen kunnen worden gerealiseerd, gezien de NV A betere voorwaarden heeft bij diezelfde leverancier.

Afscherming tegen bedrijfsrisico's

31. Het is de bedoeling van de aanvragers om het kapitaal en de reserves van beide exploitatievennootschappen, m.n. de NV A en de BVBA C, af te schermen tegen de mogelijke onvoorziene negatieve gevolgen van een exploitatie, zoals onder meer een faillissement of bepaalde schadegevallen. Door het onderbrengen van eventuele overtollige liquiditeiten in de NV B als overkoepelende holding kan voorkomen worden dat schuldeisers hierop aanspraak kunnen maken.

32. De activiteiten van de groep in zijn geheel en haar uitvoeringsrisico's kunnen een bepalende invloed hebben op de resultaten van beide exploitatievennootschappen, m.n. de NV A en de BVBA C.

33. Rekening houdend met de activiteiten van de beide vennootschappen en hun activiteiten, zijn de vennootschappen onderworpen aan operationele risico's die inherent verbonden zijn aan de activiteiten voor elk segment.

34. Teneinde de accumulatie van deze risico's te vermijden, is het sterk aanbevolen om over te gaan tot een horizontale groepsstructuur, met als overkoepelende holding de NV B. De in deze aanvraag voorgestelde structuur is in casu de enige mogelijke structuur om de gestelde doelstellingen te bereiken.

35. Zoals reeds vermeld, dienen de bedrijfsafdelingen G en H die momenteel per vennootschap aanwezig zijn, operationeel te worden geheroriënteerd en te worden samengevoegd in één vennootschap teneinde het verschillende risico per segment te vermijden en af te dekken.

36. Door de afscheiding van het gereserveerde (gespaarde) vermogen wordt het ook mogelijk om als "interne financierder" voor de beide exploitatievennootschappen (m.n. de NV A en de BVBA C) op te treden. Met andere woorden, de (overtollige) liquide middelen die niet onmiddellijk noodzakelijk zijn voor de normale en operationele werking kunnen zuiver in de NV B als holdingvennootschap worden geïnvesteerd.

Groepsstructuur

37. Via de creatie van een holdingstructuur via de NV B kan een eenvoudige en transparante groepsstructuur worden aangehouden, door de aandelen in één overkoepelende vennootschap te centraliseren.

38. Bovendien zal het management eveneens in deze overkoepelende vennootschap gecentraliseerd worden.

Financiële motieven

39. Naar de toekomst toe biedt het onderbrengen van de aandelen van de beide exploitatievennootschappen (m.n. de NV A en de BVBA C) onder de overkoepelende holding NV B, de mogelijkheid om de financiële middelen van de groep te centraliseren, waardoor een gepast antwoord kan worden geboden op de verschillende financiële behoeftes van de beide werkvennootschappen in het kader van hun exploitatie.

40. De versteviging van de bestaande structuur biedt dus eveneens betere perspectieven met betrekking tot de financieel - economische plannen.

41. Binnen de voorgestelde holdingstructuur via de NV B bestaat de mogelijkheid om liquide middelen, welke beide werkvennootschappen (m.n. de NV A en de BVBA C) als reserve zouden aanhouden (met uitzondering van de eigen specifieke noodzakelijke werkmiddelen gerelateerd aan het marktsegment), en dus niet onmiddellijk dienstig zijn voor hun operationele werking, in de NV B als holdingvennootschap te centraliseren om er vervolgens de volgende bestemming aan te geven:

Verwerving van de aandelen van de NV D

42. In de eerste plaats zullen de liquide middelen dienen voor de terugbetaling van de financiering in het kader van de verwerving van de aandelen van de NV D door de holdingvennootschap NV B (en dus eveneens de exploitatievennootschap de BVBA C als 100% deelneming), middels de uitkoop van de bestaande aandeelhouders van de NV D.

Ter beschikking stelling aan de andere groepsvennootschappen

43. Via de overkoepelende holding NV B kunnen de vrije geldstromen (net free cash flow) van de respectievelijke exploitatievennootschappen (t.t.z. de NV A en de BVBA C) op eenvoudige wijze aan elkaar ter beschikking worden gesteld.

Verwerven van bijkomende participaties

44. Een voordeel van de voorgestelde overkoepelende holdingstructuur met de NV B als HoldCo, is dat de NV B kan fungeren om overtollige liquiditeiten aan het risico van de gesegmenteerde ondernemingsactiviteiten te onttrekken zonder dat deze uit de groep moeten gehaald worden. Beide aandeelhouders, de heren X en Y engageren zich immers om overtollige liquiditeiten te herinvesteren of te reserveren op holdingniveau en deze dus niet te laten doorvloeien naar de aandeelhouders - natuurlijke personen. Op deze manier kan er immers een financiële buffer gecreëerd worden die, zoals reeds gezegd, quasi risicoloos kan belegd of geherinvesteerd worden.

45. De holdingstructuur biedt tevens naar de toekomst toe de mogelijkheid om met de gereserveerde liquiditeiten nieuwe activiteiten te ontplooien of eventuele toekomstige overnames van andere ondernemingen binnen de sector te waarborgen en de ondernemingen op een gepaste wijze te integreren in de groep, hetzij binnen het segment verbonden aan bedrijfstak G, hetzij binnen het "bedrijfstak H" - segment.

Centralisatie van de aandelen

46. Een centralisatie van de aandelen van beide exploitatievennootschappen (t.t.z. de NV A en de BVBA C) binnen de NV B als overkoepelende holding is de meest gewenste structuur teneinde (via onder andere de upstream van dividenden) enerzijds de terugbetaling zoals hiervoor vermeld te waarborgen, en anderzijds, gelden te transfereren van de ene vennootschap naar de andere, maar steeds binnen de groep te houden.

Eenvoudige en transparante groepsstructuur

47. Bovendien kan via de voorgestelde holdingstructuur een eenvoudige en transparante groepsstructuur worden aangehouden, door beide deelnemingen in één enkele overkoepelende holding te centraliseren. De verwerving van eventuele bijkomende deelnemingen door beide exploitatievennootschappen afzonderlijk, zou naast de verdere accumulatie van risico's, eveneens leiden tot een onoverzichtelijke en complexe groepsstructuur (waar het dan bovendien onmogelijk wordt om beide noodzakelijk te scheiden marktsegmenten af te splitsen).

48. Het is dan ook de intentie om te streven naar een eenvoudige, doorzichtige structuur onder de NV B als holding, die naar de toekomst toe, alle vennootschappen rond de groep omvat.

48. Onderhandelingspositie t.o.v. kredietinstellingen

49. Voor wat betreft (bijkomende) financieringen kan zodoende onderhandeld worden met kredietinstellingen op groepsniveau, wanneer er bijvoorbeeld bijkomende liquiditeiten noodzakelijk zijn of in het geval de groep wenst uit te breiden via eventuele bijkomende acquisities. Kredietinstellingen beoordelen vandaag het kredietvolume op geconsolideerde basis, en dus op groepsniveau. Via de holdingstructuur kan met andere woorden als groep onderhandeld worden met kredietinstellingen, wat de onderhandelingspositie versterkt en waardoor eveneens betere voorwaarden kunnen worden onderhandeld.

Artikel 90, 1° en 9°, eerste gedachtestreepje, WIB 92

50. De aandelen van de NV A maken deel uit van het vermogen van de heren X en Y en zijn sinds geruime tijd in hun bezit.

51. De geplande reorganisatie en strategische oriëntering waarvan de inbreng van de aandelen van de NV A in de nog op te richten holdingvennootschap NV B een eerste fase vormt, kan niet als een speculatieve verrichting worden aangemerkt, maar kadert in het normaal beheer van het privé-vermogen door een goede huisvader.

Artikelen 11 en 18, § 3, W.BTW

52. Om volgende redenen valt de geplande reorganisatie en heroriëntering van de NV A door de oprichting van een holdingvennootschap NV B (cfr. eerste fase) en de inbreng van de aandelen van de NV A in, gevolgd door de verkoop van de aandelen van NV D aan de op te richten holdingvennootschap NV B (cfr. eerste fase) gevolgd door:

a. de overdracht van de bedrijfstak H van de NV A naar de BVBA C;

b. de overdracht van de bedrijfstak G van de BVBA C naar de NV A (cfr. 2de fase)

onder het toepassingsgebied van de artikelen 11 en 18 , § 3, W.BTW zodat geen BTW - herziening op de overgedragen roerende goederen moet gebeuren naar aanleiding van deze verrichting.

53. Uit een parlementaire vraag van 3 mei 2006 van de heer Melchior Wathelet blijkt immers dat de Administratie als regel hanteert dat artikel 11 en 18 , § 3 van het BTW-Wetboek van toepassing is wanneer het afgesplitste vermogen een onderneming vormt of een deel van een onderneming die de "overnemer" toelaat een autonome economische activiteit uit te oefenen. Deze visie is in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie in de zaken Zita Modes (HvJ, C-497/01, 27 november 2003) en Commerz-Credit-Bank AG (HvJ, C-50/91, 13 oktober 1992).

54. Samengevat betekent dit dat van zodra de overnemer door de overdracht in staat wordt gesteld de overgedragen activiteit verder te zetten, er sprake is van een bedrijfsafdeling of een (gedeeltelijke) algemeenheid van goederen in de zin van de BTW-wetgeving.

55. Zoals reeds vermeld focussen de NV A en de BVBA C zich op dezelfde activiteiten. Het staat daarbij vast dat enerzijds, de NV A de bedrijfsafdeling G, en anderzijds, de BVBA C de bedrijfsafdeling H zal voortzetten na de reorganisatie en strategische heroriëntering. Dit blijkt voldoende uit de geplande overdracht en voorgestelde structuur (met de oprichting van de overkoepelende holding NV B met alle daaraan verbonden rechten en verplichtingen).

56. Tevens wordt verwezen naar de motivering van Beslissing nr. E.T. 18638 van 16 oktober 1974. Naar analogie van de beslissing die aangeeft wanneer winkels die door een onderneming geëxploiteerd worden, als onderscheiden bedrijfsafdelingen aangemerkt kunnen worden, kan gesteld worden dat voor elke winkel die overgedragen wordt met alle elementen die vereist zijn voor de exploitatie ervan (bv. huurcontracten en personeel), niets de kwalificatie als een bedrijfsafdeling verhindert.

57. Bijgevolg blijkt voldoende dat in voorliggend geval elke winkel met alle daaraan verbonden rechten en verplichtingen op zich als een bedrijfsafdeling in de zin van de artikelen 11 en 18, § 3 W.BTW kwalificeert.

58. Bovendien heeft het voorliggend geval betrekking op meerdere individuele winkels die deel uitmaken van een groter geheel, waarbij de verrichtingen betrekking hebben op de volledige "shop" met alle daaraan verbonden rechten en verplichtingen.

59. Bijgevolg zijn er voldoende elementen om te aanvaarden dat de geplande reorganisatie en strategische heroriëntering van de NV A door de oprichting van de holdingvennootschap NV B (cfr. eerste fase) en de inbreng van de aandelen van de NV A in, gevolgd door de verkoop van de aandelen van de NV D aan de nog op te richten holdingvennootschap NV B (cfr. eerste fase) gevolgd door de "swap" van de bedrijfsafdelingen G en H tussen de vennootschappen NV A en BVBA C (cfr. tweede fase), onder het toepassingsgebied valt van de artikelen 11 en 18, § 3, W. BTW, vermits elke "shop" met alle daaraan verbonden rechten en verplichtingen op zich kwalificeert als een 'bedrijfsafdeling' in de zin van voormelde bepalingen.

IV. Beslissing

Wat betreft artikel 90, 9°, eerste gedachtestreepje, WIB 92

60. De geplande inbreng door de aanvragers van de aandelen van de NV A in de nog op te richten NV B vormt een overdracht onder bezwarende titel als bedoeld in art. 90,9°, eerste gedachtestreepje, WIB 92.

61. De aandelen van de betrokken vennootschap behoren tot het privé-vermogen van de aanvragers.

62. De geplande inbreng kan, gelet op de hierna vermelde overwegingen, worden aangemerkt als een normale verrichting van beheer van het privé-vermogen in de zin van artikel 90, 9°, eerste gedachtestreepje :

62.1 de in te brengen aandelen zijn reeds lang in het bezit van de aanvragers;

62.2 er is geen korte tijdspanne tussen de oprichting van de vennootschap waarvan de aandelen worden ingebracht en de inbreng van de aandelen;

62.3 het betreft geen complexe verrichting, noch een spitsvondig feitencomplex;

62.4 door de inbreng van de aandelen in een holdingvennootschap creëren de aanvragers de aangepaste structuur om de aandelen van de NV D te verwerven, wat hen zal toelaten hun activiteit uit te breiden en hun marktpositie te verstevigen; tevens laat deze structuur toe om met eventuele overtollige middelen van de onderliggende vennootschappen verdere investeringen te doen;

62.5 de inbrengers gaan de in randnummers 18 en 19 vermelde engagementen aan;

62.6 voor de waardering van de aandelen werd beroep gedaan op een bedrijfsrevisor. De geplande inbreng zal gebeuren tegen de waarde zoals vermeld in het revisoraal verslag en een kopie van dit verslag zal aan de lokale controle van de aanvragers-natuurlijke personen worden overgemaakt;

62.7 de meerwaarde die bij de inbreng van de aandelen wordt gerealiseerd is, gelet op de bezitsduur van de aandelen, de afwezigheid van financieringen en van hoge risico's, niet het gevolg van speculatie als bedoeld in artikel 90, 1°, WIB 92.

Wat betreft de artikelen 11 en 18, § 3, W.BTW

63. Overeenkomstig artikel 11, W.BTW wordt niet als een levering beschouwd, de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, onder bezwarende titel of om niet, bij wege van inbreng in een vennootschap of anderszins, wanneer de overnemer een belastingplichtige is die de belasting, indien ze ingevolge de overdracht zou verschuldigd zijn, geheel of gedeeltelijk zou kunnen aftrekken. In dat geval wordt de overnemer geacht de persoon van de overdrager voort te zetten. Artikel 18, § 3, W.BTW bevat hetzelfde principe met betrekking tot diensten.

64. Deze artikelen zijn de omzetting in het Belgisch BTW Wetboek van de artikelen 19 en 29 van de Richtlijn 2006/112/CE van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (vroeger artikelen 5, paragraaf 8, en 6, paragraaf 5, van de zesde richtlijn 77/388/CE van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag).

65. In haar arrest van 27 november 2003 - zaak C-497/01, Zita Modes Sarl c. Administration de l'enregistrement et des domaines heeft het Europese Hof van Justitie verduidelijkt dat het begrip "overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen onder bezwarende titel, om niet of in de vorm van een inbreng in een vennootschap" aldus moet worden uitgelegd dat daaronder valt de overdracht van een handelszaak of van een autonoom bedrijfsonderdeel met lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend, en dat daaronder niet valt de verkoop van goederen zonder meer, zoals de verkoop van een voorraad producten.

66. De artikelen 11 en 18, § 3, W.BTW zijn derhalve van toepassing wanneer de lichamelijke en, in voorkomend geval, de onlichamelijke zaken samen een onderneming vormen of een deel van een onderneming die de overnemer toelaat een autonome economische activiteit uit te oefenen.

67. Naar aanleiding van de hierboven beschreven verrichting zal de NV A de bedrijfstak H verkopen aan BVBA C en zal de bedrijfstak G door BVBA C verkocht worden aan de NV A.

68. Zoals uitdrukkelijk bevestigd zullen deze overdrachten betrekking hebben op alle elementen (alle activa en passiva - huurcontracten, personeel, handelsfonds/cliënteel, inrichting van de shops) met betrekking tot de onderscheiden afdelingen die de respectievelijke overnemer in staat stelt deze activiteiten verder te exploiteren.

69. Zowel op technisch als op organisatorisch vlak heeft deze verrichting derhalve betrekking op bedrijfsafdelingen die de overnemer in staat stelt, een autonome economische activiteit uit te oefenen waarbij beide entiteiten zich op een afzonderlijk marktsegment kunnen richten.

70. Zowel bedrijfstak G als bedrijfstak H kunnen zich bijgevolg strategisch oriënteren met een eigen investeringsbeleid, een specifieke know-how, een eigen diversificatie strategie naar de geografische markten en een eigen management benadering.

71. De overnemende vennootschappen zijn btw-belastingplichtigen met recht op aftrek.

72. De hierboven beschreven verrichting inzake de reorganisatie en strategische heroriëntering dient derhalve met toepassing van de artikelen 11 en 18 , § 3, W.BTW te gebeuren.

73. De geplande verrichting geeft geen aanleiding tot een btw-herziening. De overnemende vennootschap, hetzij BVBA C, hetzij NV A dient evenwel de aftrek te herzien wanneer één van de oorzaken voorzien in koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling zich gedurende de herzieningsperiode zou voordoen. (zie Circulaire nr. E.T.110.663 (AOIF Nr. 46/2009) dd 30.09.2009).

Gelet op de overwegingen vermeld in randnummer 60 tot en met 73, beslist het College van de DVB dat:

Inzake personenbelasting

74. de inbreng door de heer X en de heer Y van hun aandelen van de NV A in de nog op te richten holdingvennootschap NV B, beschouwd kan worden als een normale verrichting van beheer van een privé-vermogen, zodat de meerwaarde niet zal belast worden op grond van artikel 90, 9°, eerste gedachtestreepje, WIB 92.

75. De beslissing is slechts geldig voor zover het verslag van de bedrijfsrevisor, dat de waarde van de betrokken aandelen op het ogenblik van de inbreng in de nieuwe holdingvennootschap weergeeft, aan de lokale controle van de aanvragers-natuurlijke personen zal worden overgemaakt.

76. De aandacht wordt er op gevestigd dat de beslissing slechts geldig blijft voor zover de verrichting plaats vindt binnen een periode van één jaar vanaf de datum van de voorafgaande beslissing.

77. Deze beslissing houdt geen uitspraak in nopens de latere overdracht van de bedrijfstak H van de NV A naar de BVBA C en van de bedrijfstak G van de BVBA C naar de NV A.

Inzake BTW

78. De hierboven beschreven verrichting inzake de reorganisatie en strategische heroriëntering dient met toepassing van de artikelen 11 en 18 , § 3, W.BTW te gebeuren.

79. De geplande verrichting geeft geen aanleiding tot een btw-herziening. De overnemende vennootschap, hetzij BVBA C, hetzij NV A dient evenwel de aftrek te herzien wanneer één van de oorzaken voorzien in koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling zich gedurende de herzieningsperiode zou voordoen.

Aangehaalde teksten

8