Arrest van het Hof van 13 oktober 1992, C-50/91 · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Eerste kamer C-50/91 ECLI:EU:C:1992:386 13 oktober 1992

Zoeken

Arrest van het Hof van 13 oktober 1992, C-50/91Bijeenbrengen van kapitaal, kapitaalrecht, begrip 'tak van nijverheid', inbreng van een filiaal

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-50-91-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Eerste kamer
Zaak
C-50/91
ECLI
ECLI:EU:C:1992:386
Datum
13 oktober 1992

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing
Verwijzende rechter
Bundesfinanzhof (Duitsland) beslissing van 31 oktober 1990 I R 46/88
Zaak ingediend op
4 februari 1991
Advocaat-generaal
Jacobs
Opmerkingen
Commissie
Nationale beslissing na het arrest
Bundesfinanzhof beslissing van 16 december 1992 I R 46/88

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Duits
Jurisprudentie
Jurispr. 1992, blz. I-5225
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Joliet
Repertorium van het Hof

Tekst

21 paragrafen

Arrest

1.

Bij beschikking van 31 oktober 1990, ingekomen ten Hove op 4 februari 1991, heeft het Bundesfinanzhof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal (PB 1969, L 249, blz. 25).

2.

Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Commerz-Credit-Bank AG — Europartner (hierna: „Europartner”) en het Finanzamt Saarbrücken met betrekking tot het belastingtarief dat is toegepast op een verrichting bij de oprichting van die vennootschap.

3.

Commerzbank AG (hierna: „Commerzbank”), een van de aandeelhouders van Europartner, heeft in die vennootschap vijf haar toebehorende filialen in Saarland (Duitsland) ingebracht. Europartner verzocht om toepassing op deze inbreng van het verlaagde tarief (0,5 %), dat op dat tijdstip ingevolge § 9, lid 2, punt 3, van het Duitse Kapitalverkehrsteuergesetz gold

„bij participatie in een binnenlandse kapitaalvennootschap, indien en in zover deze vennootschap het volledige vermogen, een bedrijf (‚Betrieb’) of een deelbedrijf (‚Teilbetrieb’) van een andere kapitaalvennootschap als tegenprestatie verkrijgt (...)”

4.

Met dit artikel was in Duits recht omgezet artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 69/335 dat ten tijde van de feiten de toepassing van een verlaagd tarief voorschreef

„(...) wanneer een of meer kapitaalvennootschappen hun gehele vermogen of een of meer takken van bedrijvigheid (Duitse versie: ‚Zweige ihrer Tätigkeit’) inbrengen in een of meer kapitaalvennootschappen die in oprichting zijn of reeds bestonden”.

5.

In het onderhavige geval was het Finanzamt van oordeel, dat de ingebrachte filialen geen deelbedrijven waren waarop het verlaagde tarief kon worden toegepast, aangezien zij niet volledig zelfstandig waren en hun bedrijvigheid zich naar haar aard niet onderscheidt van die van de rest van de onderneming.

6.

Het Bundesfinanzhof, waaraan het geschil werd voorgelegd, vroeg zich af of de opvatting van het Finanzamt verenigbaar was met artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 69/335. Daartoe heeft het het Hof de volgende twee prejudiciële vragen voorgelegd:

1)„ Onderstelt de in artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 69/335/EEG gebruikte uitdrukking ‚een of meer takken van bedrijvigheid’ een ‚Teilbetrieb’ (deelbedrijf) in de zin van een over een zekere zelfstandigheid beschikkend onderdeel van een onderneming, dat op zichzelf kan bestaan en waarvan alle bedrijfsgoederen te zamen dienen tot uitoefening van een werkzaamheid die naar haar aard duidelijk onderscheiden is van de bedrijfsactiviteit van de rest van de onderneming?

2)Zo neen:

a)Wat zijn de wezenlijke kenmerken van een ‚een tak van bedrijvigheid’ in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 69/335/EEG?

b)Is een ‚Zweigniederlassung’ [filiaal] in de zin van § 13 van het Handelsgesetzbuch een ‚tak van bedrijvigheid’in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 69/335/EEG?”

7.

Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

8.

De verwijzende rechter wenst met zijn vragen te vernemen, of een filiaal een tak van bedrijvigheid in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 69/335 is.

9.

Met het oog op de beantwoording van die vragen moeten de verschillende bepalingen worden onderzocht waarbij met betrekking tot de belasting op de inbreng van een of meer takken van bedrijvigheid een afwijking van de algemene regeling is ingevoerd, en moet het betrokken begrip in het licht van het doel van die bepalingen worden uitgelegd.

10.

Ten tijde van de feiten van het hoofdgeding, werd de inbreng van takken van bedrijvigheid belast volgens het verlaagde tarief (0,5 %), overeenkomstig artikel 7 van richtlijn 69/335, zoals gepreciseerd in artikel 2 van richtlijn 73/80/EEG van de Raad van 9 april 1973 betreffende de vaststelling van de gemeenschappelijke tarieven voor het kapitaalrecht (PB 1973, L 103, biz. 15). Deze verrichting is later van het kapitaalrecht vrijgesteld bij richtlijn 85/303/EEG van de Raad van 10 juni 1985 tot wijziging van richtlijn 69/335/EEG betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal (PB 1985, L 156, biz. 23).

11.

Blijkens de preambule van die richtlijnen is het doel van deze afwijkingsregeling, te voorkomen dat de overdracht van vermogensbestanddelen tussen vennootschappen door fiscale belemmeringen wordt bemoeilijkt, en de reorganisatie van ondernemingen, met name de hergroepering van verschillende eenheden binnen een onderneming die gelijke of elkaar aanvullende werkzaamheden verrichten, te vergemakkelijken.

12.

Wil dit doel in de praktijk bereikbaar zijn, dan moet het begrip tak van bedrijvigheid in artikel 7 van richtlijn 69/335 aldus worden omschreven, dat het mede een deel van een onderneming omvat dat bestaat uit een georganiseerd geheel van vermogensbestanddelen en personen die tot de uitoefening van een bepaalde bedrijvigheid kunnen bijdragen.

13.

Het Finanzamt betoogt, dat de bedrijvigheid van een deel van een onderneming, wil dit als tak van bedrijvigheid kunnen worden aangemerkt, zich naar haar aard moet onderscheiden van de bedrijvigheid van de rest van de onderneming.

14.

Dienaangaande moet erop worden gewezen, dat de gunstige fiscale regeling voor de inbreng van een of meer takken van bedrijvigheid niet afhangt van het aantal activiteiten die de vennootschap waartoe de overgedragen eenheid behoorde, ten tijde van de overdracht uitoefende, maar van de vraag of die eenheid door haar bedrijvigheid kan bijdragen tot de ontwikkeling van de onderneming waaraan zij is overgedragen.

15.

Het Finanzamt is voorts van mening, dat een filiaal geen tak van bedrijvigheid kan zijn, omdat zij geen rechtspersoon is, de aanwijzingen van de hoofdvestiging moet opvolgen en bij haar bedrijvigheid gebruik maakt van de financiële middelen die door de hoofdvestiging ter beschikking worden gesteld.

16.

Opgemerkt zij, dat een deel van een onderneming geen rechtspersoonlijkheid behoeft te bezitten om economisch bedrijvig te kunnen zijn, en dat het, voor de vaststelling of een deel van een onderneming een tak van bedrijvigheid is, alleen op de uitoefening van die bedrijvigheid aankomt, ook wanneer deze met middelen van de hoofdvestiging wordt gefinancierd of door de betrokken eenheid volgens aanwijzingen van de hoofdvestiging wordt uitgeoefend.

17.

Op de vragen van de verwijzende rechter moet mitsdien worden geantwoord, dat een filiaal een tak van bedrijvigheid in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 69/335 is wanneer het bestaat uit een geheel van vermogensbestanddelen en personen die tot de uitoefening van een bepaalde bedrijvigheid kunnen bijdragen.

Kosten

18.

De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),

uitspraak doende op de door het Bundesfinanzhof bij beschikking van 31 oktober 1990 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Een filiaal is een tak van bedrijvigheid in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, wanneer het bestaat uit een geheel van vermogensbestanddelen en personen die tot de uitoefening van een bepaalde bedrijvigheid kunnen bijdragen.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

3
richtlijn 69/335 art. 7uitgelegd11 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1771 voorkomen
richtlijn 73/80 art. 21 voorkomen

Rechtspraak

2

België

1

Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal JacobsC-497/0126.09.2002

Zesde richtlijn 77/388 art. 5, Eerste richtlijn 67/227 art. 2

Administratieve doctrine

7

Bekijk de 9 documenten

Rechtsleer

5
Wassermeyer, Franz: Europäische Zeitschrift für Wirtschaftsrecht 1992 p.738
Tiozzo, Fabio: La Corte di giustizia Cee definisce il concetto di "ramo di attività", Diritto e pratica tributaria 1993 II p.683 + 686-689
Kornprobst, Emmanuel: Droits d'enregistrement, Droit fiscal 1994 919
X: Rivista del notariato 1995 II p.964-967
Caamaño Anido, Miguel Angel ; Calderón Carrero, José Manuel: Impuestos indirectos que gravan la concentración de capitales, Jurisprudencia Tributaria del Tribunal de Justicia de las Comunidades Europeas (Comentarios y concordancias con la legislación española) 1992-1995 (Ed. La ley-Actualidad - Madrid) 1997 p.234-237