Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 09.06.2011
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER A, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN
INZAKE AR nr. 09/642/A
C. NV, met maatschappelijke zetel te …, ….
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. B. J., advocaat te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.
ADMINISTRATIE VA N DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, vertegenwoordigd door de heer gewestelijke directeur van de BTW te Hasselt, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 46.
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. K. L. loco mr. F. R., advocaat te …, ….
VOLGT HET VONNIS :
Gelet op :
- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 06.03.2009;
- de conclusies, aanvullende conclusies, syntheseconclusies en stukken van verweerder;
- de conclusies, nieuwe conclusies, nota en stukken van eiseres.
Eiseres is wegens de door haar opgegeven activiteit van groothandel in kleding geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder BTW-nummer … en is derhalve onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan genomen besluiten.
Op 27.08.1997 verwierf eiseres een opstalrecht m.b.t. een winkelruimte en kelderverdieping gelegen te …, … van de NV C.M.S. (zie stuk 1, bundel verweerder).
Op 31.07.2004 verkocht eiseres haar handelsfonds aan de BVBA H. en ze verhuurde met ingang van 01.08.2004 de winkelruimte en de kelderverdieping aan de overnemer van het handelsfonds, de BVBA H. (zie stukken 2 en 3, bundel verweerder).
De overdracht van de handelszaak werd tussen de contractanten beschouwd als de overdracht van een algemeenheid van goederen zoals bedoeld in artikel 11 W.BTW. Aldus pasten zij op de overdracht de vrijstelling van BTW toe.
De administratie was evenwel ook van oordeel dat er een herziening diende te gebeuren m.b.t. de oorspronkelijk in aftrek gebrachte BTW m.b.t. de verkrijging, de oprichting, de omvorming of de verbetering van het gebouw.
Derhalve werd er door de Administratie van Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, een correctieopgave opgesteld waarin een overtreding op art. 10, 5° van het KB nr. 3 van 10 december 1969 werd opgenomen, met name een overtreding met betrekking tot de herziening van de BTW die was afgetrokken naar aanleiding van de oprichting van het onroerend goed. Die correctieopgave werd op 03.05.2006 zonder voorbehoud door de heer V. G., afgevaardigd bestuurder van eiseres, ondertekend.
Eiseres heeft aanvankelijk een afbetalingsafspraak nageleefd en verrichte tussen juli en november 2006 maandelijkse betalingen van 600,00 euro op deze erkende schuld. In totaal werd een bedrag van 9.215,85 euro reeds toegerekend op de schuld van 17.480,08 euro aan rechten.
Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 06.03.2009, heeft eiseres een vordering in rechte ingeleid.
Eiseres vordert dat de rechtbank verweerder zou veroordelen tot terugbetaling van alle bedragen die door haar betaald zijn uit hoofde van de doorgevoerde herziening van de BTW, vermeerderd met de gerechtelijke interest vanaf de datum van "dagvaarding''.
Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten.
Verweerder vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.
II. BEOORDELING
1. De ontvankelijkheid van de vordering
1.1. Wat betreft de vordering tot schadevergoeding
Overeenkomstig art. 700 Ger.W. worden hoofdvorderingen bij dagvaarding voor de rechter gebracht, onverminderd de bijzondere regels inzake vrijwillige verschijning en rechtspleging op verzoekschrift.
De artikelen 860 en 861 Ger.W. kunnen niet worden toegepast op de schending van deze regel die onder de rechterlijke organisatie ressorteert (zie Cass., 27 mei 1994, R.W., 1994-95, 1017).
Bijgevolg moet een vordering in de regel door middel van een dagvaarding bij gerechtsdeurwaardersexploot worden ingesteld en mag het verzoekschrift slechts gebruik worden wanneer de wet het toelaat of voorschrijft. Wanneer geen wettelijke afwijking is voorzien, is een gedinginleiding anders dan via dagvaarding of vrijwillige verschijning ongeldig en is de vordering aldus ontoelaatbaar (zie tevens Rb. Antwerpen, 3 maart 2006, monKEY.be; Rb. Antwerpen, 21 oktober 2005, Fiscoloog, nr. 1014, p. 13-14; Rb. Brussel, 24 juni 2005, Fiscoloog, nr. 1004, p. 13).
De vordering tot betaling van een schadevergoeding werd ingesteld bij de gedinginleiding en is dan ook een hoofdvordering.
Er is geen wettelijke afwijking voorzien voor een vordering tot betalen van een schadevergoeding zodat deze hoofdvordering bij dagvaarding of bij vrijwillige verschijning diende te worden ingesteld.
Nu de vordering bij verzoekschrift werd ingesteld, is deze vordering ontoelaatbaar.
1.2.
Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.
De vordering is dan ook ontvankelijk.
2. Ten gronde
2.1. M.b.t. de verjaring
Eiseres stelde dat zij haar argument m.b.t. de verjaring niet langer handhaaft. De rechtbank stelt vast dat de BTW-vordering niet verjaard is.
2.2. M.b.t. tot de herziening van de BTW-aftrek
De vordering van eiseres veronderstelt noodzakelijk dat het akkoord dat zij - onbetwistbaar - gegeven heeft met de herziening van de BTW op de onroerende investeringen, op dat punt als nietig wordt beschouwd. Vermits het fiscaal recht van openbare orde is, zijn akkoorden, ook al hebben zij het karakter van een compromis tussen de belastingadministratie en de belastingplichtige, niet onherroepelijk. De belastingplichtige kan bewijzen dat er sprake is van een wilsgebrek, waaronder bedrog, dwang, dwaling in rechte of dwaling omtrent de feiten. Of dit in casu het geval is, vereist een onderzoek ten gronde van de betwisting tussen partijen.
Eiseres is van oordeel dat de administratie in diverse circulaires het standpunt heeft ingenomen dat er geen herziening moet plaatsvinden indien het onroerend goed verhuurd wordt in omstandigheden zoals in casu, namelijk indien de verhuring samengaat met de verkoop van handelsfonds en inboedel hij toepassing van art. 11 W.BTW.
Het is onbetwist dat in de overdracht geen onroerende goederen begrepen waren. Dat is op zich, als alleenstaand feit, evenwel niet relevant om de overdracht als een “algemeenheid van goederen” in de zin van artikel 11 W.BTW te beschouwen. Er moet immers worden aangenomen, dat wanneer - zoals hier - aan de overdrager het recht om van de onroerende goederen waarin de overgelaten activiteit werd uitgebaat, gebruik te maken bij middel van een handelshuurovereenkomst, er voldoende continuïteit van de activiteit gegarandeerd wordt zodat de overdracht als BTWneutraal kan worden beschouwd en de vrijstelling van artikel 11 W.BTW niet in het gedrang komt. De idee achter artikel 11 W.BTW is immers dat de overnemer de activiteit van de overdrager verderzet op een manier dat hij zich ten aanzien van de BTW kan gedragen als de overdrager (wat voornamelijk belangrijk is wat de herziening aangaat).
De BTW-administratie heeft dat beginsel altijd al aanvaard (zie Circ. 74/1971 : Die afstand moet alle elementen omvatten van de handelszaak die aan de overdrager toebehoren (cliënteel, koopwaren, handelsuitrusting, handelsmerken, brevetten, enz.); ofschoon het niet absoluut noodzakelijk is, gaat de afstand normaal gepaard met de verhuur van het onroerend goed in de handel wordt uitgebaat of met de afstand van het huurrecht op dat goed. De handelsschuldvorderingen en -schulden zijn daarentegen normaal niet in de verrichting begrepen).
De administratie weigert de circulaire toe te passen omdat het hier geen overdracht van een handelsfonds door een natuurlijke persoon aan een andere natuurlijke persoon betreft, doch een overdracht tussen vennootschappen.
Dit standpunt kan niet gevolgd worden; dit is in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
Meteen volgt daaruit dat eiseres gedwaald heeft toen haar afgevaardigd bestuurder op 03.05.2006 akkoord ging met de correctieopgave.
Nu artikel 11 W.BTW wel toepasselijk was, stelt zich nog de vraag of er herziening moest gebeuren van de BTW met betrekking tot de investeringen in onroerende goederen die niet werden overgedragen. Hier beroept eiseres zich met reden op het feit dat het volstaat dat de overnemer bij middel van een gelijktijdige handelshuurovereenkomst de beschikking kreeg over de onroerende goederen waarin eiseres voordien dezelfde activiteit exploiteerde. Dat is trouwens het uitdrukkelijk standpunt van de BTW-administratie (BTW-handleiding nr. 403, voorbeeld nr. 5 : In sommige gevallen kan de overdracht van een algemeenheid van goederen of een bedrijfsafdeling met toepassing van de artikelen 11 en 18, § 3, van het Wetboek plaatsvinden zonder dat de onroerende goederen waarin de belastbare activiteit werd uitgeoefend mee dienen overgedragen te worden. Dat is het geval bij de overdracht van een handelsfonds door een natuurlijke persoon (of door een vennootschap in vereffening) en ook bij de overdracht van een bedrijfsafdeling waarbij het onroerend goed dat werd gebruikt voor de exploitatie van de overgedragen werkzaamheid door de overdrager verder zal worden gebruikt voor de reeds erin uitgeoefende exploitatie van de bedrijfsafdeling die hij behoudt. In voormelde gevallen dient geen herziening te gebeuren van de aftrek van de BTW geheven van de verkrijging, oprichting, verbouwing of verbetering van de gedeelten van het gebouw die aan de overnemer zullen worden verhuurd en door deze laatste zullen worden gebruikt voor het uitoefenen van de overgenomen belastbare activiteit).
Dat thans de passage nr. 403 van de BTW-handleiding in latere versies van deze tekst werd weggelaten, doet hier geen afbreuk aan.
Terecht kon eiseres vertrouwen op een vaste gedragslijn van de administratie zoals weergegeven in de BTW-handleiding en de circulaires dienaangaande.
Op grond van de vastgestelde dwalingen is eiseres dan ook niet gebonden door de correctieopgave die haar afgevaardigd bestuurder op 03.05.2006 tekende in de mate dat daarin de herziening van de BTW op de investeringen aan de onroerende goederen werd aangerekend.
Meteen beroept eiseres zich ook met reden op het feit dat die herziening ten onrechte werd doorgevoerd en is haar vordering in de hierna volgende mate gegrond. De gerechtelijke interest wordt toegekend zoals gevorderd; het betreft een toepassing van artikel 91, § 4 W.BTW.
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (BS 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).
Partijen hebben ter zake standpunt ingenomen.
De vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak,
Verklaart de vordering tot het bekomen van een schadevergoeding ontoelaatbaar.
Verklaart de overige vorderingen van eiseres ontvankelijk en gegrond,
Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eiseres van de reeds betaalde of ingehouden bedrag van 9.215,85 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten.
Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding en begroot deze kosten aan de zijde van eiseres op 990,00 euro rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer A, op het gerechtshof te Hasselt op 09.06.2011, alwaar aanwezig waren :
Mevrouw M. C., enige rechter, en
De Heer L. P., griffier.
L. P. M. C.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.