Werkingssfeer, levering van goederen, belastbare handeling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 7 september 2010

Zoeken

Werkingssfeer, levering van goederen, belastbare handelingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-levering-goederen-belastbare-handeling-hof-van-beroep-gent-2010-09-07-8833

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
7 september 2010

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

52 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 07.09.2010

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van beroep te Gent, 5e kamer - terechtzitting van 07-09-2010

Nr. 2009/AR/1592

in de zaak van :

C. G.-M., restauranthouder, wonende te …, …,

appellant,

hebbende als raadsman mr. D. F., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, BTW­Ontvangkantoor Gent 1, met kantoren te 9050 LEDEBERG (GENT), Gaston Crommenlaan 6/107,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. V. A. E., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 10 juni 2009 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken op 30 april 2008 door de zesde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent waarbij het verzet tegen een hem op 15 januari 2002 bij gerechtsdeurwaarderexploot betekend dwangbevel, uitgevaardigd op 27 november 2001 door de eerstaanwezend inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor te Gent, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 3 december 2001 door de eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd van de BTW­directie te Gent, werd afgewezen.

Het hoger beroep strekt er toe het fiscaal verhaal ontvankelijk en gegrond te doen verklaren. Te zeggen voor recht dat het dwangbevel nietig is en dat de erin vermelde sommen niet zijn verschuldigd en derhalve de terugbetaling van de onverschuldigd geïnde sommen te bevelen, te vermeerderen met de moratoriumintrest.

De geïntimeerde vordert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te doen verklaren en de appellant af te wijzen in al zijn vorderingen, het bestreden vonnis te bevestigen en de appellant te doen veroordelen tot de kosten van de beide aanleggen.

De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.

Feitelijke gegevens

De appellant baat sedert 1 augustus 1993 een restaurant uit aan de … te …, genaamd "C. P." en is in die optiek geregistreerd als BTW­belastingplichtige.

De BTW-aangiften van de appellant werden van bij de aanvang van de uitbating van het restaurant ingevuld en bij volmacht ondertekend door de heer G. J.-P. (tot het derde kwartaal 2001). Hetzelfde geldt voor de jaarlijkse BTW klantenlisting en voor de aangiften in de personenbelasting.

Op 10 november 1993 en 2 mei 1998 verleende de appellant aan de heer G. volmacht om in zijn naam en voor zijn rekening tegenover de administratie van Financiën "alle formaliteiten en/of verplichtingen te vervullen die rechtstreeks of onrechtstreeks voortvloeien uit de toepassing van het Wetboek inkomstenbelastingen en het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde" (stuk 2, 3 - geïntimeerde).

Op 28 maart 2001 werd de appellant onderworpen aan een controle van de AOIF, waarbij de heer G. optrad als gevolmachtigde van de appellant.

Tijdens de controle werden besprekingen gevoerd met betrekking tot niet geboekte aankopen bij ISPC in de periode 1996 tot 1999 en tevens met betrekking tot de voor het jaar 1999 aangegeven omzet die volgens de administratie ontoereikend was.

Het resultaat van de besprekingen met de heer G. was dat de brutowinstmarge op de verkochte aankope, (inclusief de niet geboekte aankopen bij ISPC) werd vastgesteld op 240 % voor het jaar 1999. Hetzelfde percentage werd vervolgens toegepast op de verkochte aankopen van respectievelijk de jaren 1996, 1997 en 1998 teneinde ook voor die jaren de omzet te bepalen die werd gerealiseerd met de niet geboekte aankopen bij ISPC. Daarop volgde een correctieopgave die op 9 mei 2001 door de heer G. voor akkoord werd ondertekend. Deze correctieopgave had betrekking op de aftrek van een linnendroogkast, inbreuken op art. 12 BTW-Wet en BTW op de omzetverhoging.

Gelet op de niet betaling werd op 27 november 2001 een dwangbevel uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 3 december 2001 voor een bedrag van … BEF (… EUR) en … BEF (… EUR) boete.

Bij het bestreden vonnis werd de vordering van de appellant ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

In hoger beroep werden door de appellant drie grieven aangevoerd. (stuk niet leesbaar)

Beoordeling

1. In een eerste grief zet de appellant uiteen dat de heer G. bij de ondertekening op 9 mei 2001 van de akkoordverklaringen gehandeld heeft buiten de grenzen van zijn bevoegdheid. Hij zou slechts een algemeen mandaat hebben (daden van beheer) en geen bijzonder mandaat (daden van beschikking).

De betwiste volmacht werd door de appellant op 2 mei 1998 verleend en stipuleert dat G. J.-P. gemachtigd wordt om in naam en voor rekening van de appellant tegenover de administratie van Financiën alle formaliteiten en/of verplichtingen te vervullen die rechtstreeks of onrechtstreeks voortvloeien uit de toepassing van het WIB en het BTW-Wetboek.

Het wordt niet betwist dat de heer G. van bij de aanvang van de uitbating van het restaurant de BTW­aangiften indiende en de aangiften in de personenbelasting deed. Betrokkene was niet alleen betrokken bij de aangiften maar reageerde evenzeer op het bericht van wijziging van aangifte (bewijsstuk 5) en tekende bezwaar aan tegen een gevestigde aanslag. Hij sloot tevens een akkoord af voor de aanslagjaren 1996 en 1997 en stond een omzetverhoging toe van respectievelijk … BEF en … BEF voor de aanslagjaren 1998 en 1999.

Uit deze jarenlange houding van de appellant mocht de administratie er terecht: op vertrouwen dat de heer G. geldig de correctieopgave mocht ondertekenen.

2. Volgens de appellant is de taxatie aangetast door een wilsgebrek. De vergissing zou er in bestaan dat het door de administratie voorgestelde winstpercentage van 240 % gangbaar en gebruikelijk was. Er blijkt op dit vlak niet dat de heer G. daarover werd aangesproken of nog dat de heer G. dit zelf zou hebben toegegeven. In dit verband wijst de Belgische Staat er op dat het overeengekomen winstpercentage van 240 % volledig in lijn ligt van wat in de vorige jaren werd belast. Geen enkel bewijs wordt bijgebracht dat een dwaling in feite of in rechte zou zijn begaan, noch van een ander gebrek in de toestemming.

3. Volgens de appellant moet de voor akkoord ondertekende correctieopgave als een buitengerechtelijke bekentenis worden beschouwd. Waar een deel van de rechtsleer en rechtspraak aan een ondertekende correctieopgave een bewijswaarde toekent in de civielrechtelijke betekenis aanziet een ander deel van de rechtspraak deze correctieopgave als een dading, met dien verstande dat indien er wederzijdse toegevingen zijn gebeurd deze enkel betrekking hebben op feitelijkheden.

De appellant betoogt dat de berekening van de omzetverhoging geschiedde op basis van een indiciaire afrekening die naar de overige jaren werd geëxtrapoleerd.

Uit de voorhanden zijnde gegevens is gebleken dat de omzetverhogingen plaats vonden op basis van een indiciaire afrekening waarmede de volmachtdrager zich akkoord had verklaard zowel op vlak van de directe belastingen als inzake de BTW.

Nergens blijkt dat de brutowinstmarge van 240 + op een vergissing berustte. Het akkoord is derhalve niet aangetast nu geenszins werd aangetoond dat er een vergissing gebeurde bij het afsluiten van het akkoord. Terecht concludeert de Belgische Staat dat, ongeacht of het akkoord van 9 mei 2001 inzake BTW geldt als bekentenis dan wel als een dading moet worden aangemerkt beide leiden tot het zelfde resultaat. Indien appellant dit bewijs wil ontkrachten dan moet hij dit weerleggen.

De beslissing m.b.t. de kosten van de eerste rechter dient te worden bevestigd. Gelet op het ongelijk van de appellant dient deze verwezen te worden in de kosten van het hoger beroep.

Beschikkend gedeelte

OP DIE GRONDEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar doch wijst het af als ongegrond.

Bevestigt derhalve het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Veroordeelt de appellant in de kosten van het hoger beroep en begroot deze kosten op … EUR rechtsplegingsvergoeding in hoofde van de beide partijen.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op ZEVEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN TIEN.

Aanwezig de Heren :

A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,

G. T., Raadsheer,

J. G., Plaatsvervangend Raadsheer,

M. V., griffier.

M. V. J. G. G. T. A. D. M.