Procesverloop
2 stappen · 1 jaar 4 maanden- Bestreden beslissingRechtbank van eerste aanleg te Hasselt18.04.2007
- Weergegeven beslissingHof van beroep te Antwerpen16.09.2008
Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 16.09.2008
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :
Zitting van : 16/9/2008
In zake : 2007/AR/1628
DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, in de persoon van de Gewestelijke Directeur van de BBI te Antwerpen, Financiecentrum, Italiëlei 4, bus 5 te 2000 Antwerpen; FOD Belastingen en Invordering BBI Hasselt 3; Voorstraat 41-43-45 te 3500 Hasselt; 1ste BTW-Ontvangkantoor te Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Thonissenlaan 20, vertegenwoordigd door de heer A. B., fiscaal deskundige, wonende te …, …;
appellant,
tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 18 april 2007;
vertegenwoordigd door Meester F. R., advocaat te …, …
tegen :
1. Meester L. D., en
2. Meester J. D., en
3. Meester J. D., advocaten met kantoor te …, …, curatoren van het faillissement van NV E.-D. met maatschappelijke zetel te …, …, met ondernemingsnummer …; Failliet verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Hasselt van 12 juni 2008;
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Meester W. R., advocaat te …, …;
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 18 april 2007, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 4 juni 2007, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1.
Geïntimeerde, de NV E.-D., is ingevolge haar economische activiteit, nl. groothandelaar in computer- en kantoorbenodigdheden, geregistreerd als BTW-belastingplichtige met BTW-nummer … en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.
1.2.
Op 26 februari 2002 hebben A. B., eerstaanwezend verificateur en S. C., inspecteur bij de administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit, sector BTW, ter beschikking gesteld van de administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, respectievelijk bij de Inspectie Gent 4 en de Inspectie Hasselt 3, zonder voorafgaandelijke verwittiging, zich aangeboden op de maatschappelijke zetel van de NV E.-D., gevestigd te …, … om een BTW-controle door te voeren over de periode van 1 januari 2002 tot en met 30 mei 2003.
Aangezien er niemand van de firma NV E.-D. aanwezig was, begaven de ambtenaren zich naar de uitbatingszetel van geïntimeerde, gelegen te …, ….
Op dit adres is tevens de maatschappelijke zetel van de NV T.-I. gevestigd.
Zij werden te woord gestaan door mevrouw P. M. die verklaarde dat zij tewerkgesteld was bij de firma NV E.-D. en nooit gewerkt had op het adres van de maatschappelijke zetel van geïntimeerde.
1.3.
Diezelfde dag werd er ook een controle uitgevoerd op de uitbatingszetel van de NV A & A E., gelegen te …, …, zijnde een firma die transportopdrachten uitvoert voor geïntimeerde (zie stuk B1 van appellant).
De oprichter van de NV A & A E., verklaarde aan de ambtenaren omtrent de werkwijze in geval zij beopdracht werden door de NV E.-D. :
"Op verzoek van de NV E.-D. begeeft hij zich naar de kantoren van de NV E.-D., … te … waar hij de volgende documenten ontvangt :
1. de verkoopfactuur onder gesloten omslag;
2. een afleveringsnota in twee exemplaren, die de klant dient te ondertekenen :·1 exemplaar voor de klant en 1 exemplaar terug af te geven bij de NV E.-D.;
3. een CMR opgemaakt door de NV E.-D.” (stuk B1 van appellant).
1.4.
Vervolgens vond er nog een onaangekondigde controle plaats op 22 mei 2002 op zowel de maatschappelijke zetel als de uitbatingszetel van geïntimeerde.
1.5.
Tijdens de controle op de uitbatingszetel werd vastgesteld dat :
- zich in de lokalen de stempels van de firma’s V. V. en A & A E. NV bevonden : het betreft twee firma's die transportopdrachten uitvoeren voor de NV E.-D.;
- er een set documenten van de firma BV T., …, … (…) aanwezig was, bestaande uit :
- bankdocumenten van de D. B.;
- verkoopfacturen en creditnota’s van de maand april 2002, uitgereikt aan verschillende klanten;
- betalingsopdrachten één tot en met achttien voor verschillende leveranciers;
- aankoopfacturen nrs. 20 t/m 44.
- uit navraag ter plaatse bleek dat de facturen van de BV T. in de burelen te …, alwaar de controle plaatsvond, werden opgesteld;
- van de firma A & A E. NV er in het bureel kaften aanwezig waren waarin zich kopieën van haar BTW-aangiften, verkoopfactoren, rekeninguittreksels en uitgavenstaten van Bank Card Company bevonden.
1.6.
De Nederlandse Administratie deelde op 12 september 2003, in toepassing van de Richtlijn van de Raad van 19 december 1977 (77/799/EEG), gewijzigd door de Richtlijn van de Raad van 6 december 1979 (79:1070/EEG) betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-staten op het gebied van directe belastingen en van de BTW, de volgende spontane inlichtingen mee :
- bij een onderzoek naar de Nederlandse belastingplichtige BV T. is gebleken dat de NV E.-D. (België) goederen levert via de BV T. te … (Nederland) aan A. T. C. (ATC) te … (België), meer bepaald de NV·E.-D. levert en factureert aan de BV T. en de BV T. levert en factureert aan ATC;
- beide leveringen worden als intracommunautaire leveringen beschouwd en zijn dus onbelast gebleven;
- er is een onderzoek ingesteld naar de fysieke gang van zaken inzake de levering van de goederen. De goederen gaan fysiek nimmer via het vestigingsadres van de BV T. te … (Nederland) maar gaan altijd via L. L. BV, … te …;
- gelet op deze bevindingen is er mogelijk sprake van een binnenlandse levering in België i.p.v. een intracommunautaire levering.
In bijlage aan dit schrijven werd een verslag van een onderzoek bij L.L. BV te … gehecht (stuk B2 van appellant).
1.7.
Op 26 september 2003 vond er een aangekondigde controle plaats op de uitbatingszeteI te ….
Tijdens deze controle werd dieper ingegaan op de relatie tussen de NV E.-D. (leverancier) en de BV T. (klant). Er werd ondermeer vastgesteld dat de boekhouding van de firma BV T. door de NV T. I. werd gevoerd en bijgehouden.
Uit onderzoek van de boekhouding van de NV E.-D. bleek dat in de gecontroleerde periode verkoopfacturen werden uitgereikt aan de firma BV T., …, …, geïdentificeerd onder het BTW-nummer NL ….
Deze handelingen werden door de NV E.-D. aangegeven als intracommunautaire handelingen.
1.8.
Bij nazicht van het BTW-dossier van de NV ATC, … te … (België) bleek dat er zich kopieën van aankoopfacturen bevinden die door de BV T. werden uitgereikt aan de NV ATC, evenals de kopieën van de CMR 's van de bijhorende transporten voor de periode van 1 januari 2003 tot 30 juni 2003.
1.9.
Uit vergelijking tussen de facturen door de NV E.-D. aan de BV T. uitgereikt met de bijbehorende transportdocumenten en de facturen door de BV T. uitgereikt aan de NV·ATC met de bijbehorende transportdocumenten blijkt dat :
- de code om de goederen te benoemen op de facturen opgesteld door de NV E.-D. en de BV T. identiek is;
- hetzelfde aantal goederen, door de NV E.-D. aan T. BV gefactureerd, dezelfde dag of de volgende dag wordt doorgefactureerd aan de NV ATC;
- de goederen door de BV T., zonder winst of met een halve euro winst per goed of met één euro winst per goed ongeacht welke goederen het betreft, worden doorgefactureerd;
- de goederen op dezelfde dag worden getransporteerd van de NV E.-D. per adres A & A E., …, België naar de BV T. BV, per adres L.L …, Nederland naar de NV ATC, …, België.
1.10.
In de loop van de maand april 2004 gingen ambtenaren van de douane en accijnzen, tewerkgesteld bij de BBI te Antwerpen over tot verhoor van verschillende koeriers die in opdracht van de NV A & A E. te … goederen van E.-D. NV hebben geleverd (stukken B3 t/m B8 van appellant).
1.11.
De administratie stelde dat op grond van het verhoor van diverse vervoerders duidelijk bleek dat :
- reeds voor de aanvang van vervoer vanuit België naar Nederland vaststond dat de goederen terug naar België zouden worden vervoerd;
- dat het vervoer op een dergelijke wijze werd georganiseerd dat het voertuig waarmee de goederen terug naar België moesten wamen vervoerd, reeds het voertuig vergezelde of volgde waarmee de goederen naar Nederland werden vervoerd;
- dat de goederen slechts van het ene in het andere voertuig werden overgeladen.
1.12.
Uit de verstellingen en het onderzoek van de beschikbare elementen en van de voorgelegde en ingehouden documenten was aan het licht gekomen :
- dat er zich stempels van diverse vervoerders, die vervoersopdrachten voor de NV E.-D. hebben verricht, in de lokalen van de firma T. I. bevonden;
- dat er zich een set documenten van de firma BV T., een klant van de NV E.-D. in de lokalen van de firma T. I. bevonden;
- dat de verkoopfacturen, door de BV T. aan haar klanten uitgereikt in de lokalen van de firma T. I. werden opgemaakt;
- dat de boekhouding van de T. in de lokalen van de firma T.I. werd gevoerd en bijgehouden door personeelsleden van T. I.;
- dat de heer C. zowel van de firma T. I. als van de NV E.-D. afgevaardigd-bestuurder is;
- dat de heer C. door zijn hoedanigheid in de firma’s T. I. en de NV E.-D. ervan op de hoogte was hoe het transport werd georganiseerd en wie de klanten en leveranciers van de firma BV T. waren.
1.13.
Op basis van voormelde vaststellingen kwamen de controleambtenaren tot het volgende besluit, dat werd opgenomen in een proces-verbaal van 13 december 2004 :
- dat het vervoer van de goederen naar Nederland als een simulatie van een intracommunautaire handeling moet worden beschouwd;
- dat de heer T. C. ervan op de hoogte was dat de goederen in werkelijkheid voor de Belgische firma NV ATC, …, België waren bestemd;
- dat de goederen door de NV E.-D. aan de BV T. gefactureerd, niet voor de BV T. waren bestemd maar voor de firma NV ATC;
- dat dit krachtens de artikelen 15 en 16 W.BTW tot gevolg heeft dat de bedoelde leveringen hier te lande hebben plaatsgevonden;
- dat dit krachtens artikel 17 W.BTW tot gevolg heeft dat Belgische BTW verschuldigd is;
- dat krachtens artikel 39bis W.BTW de vrijstelling van de BTW voor de leveringen aan de Nederlandse vennootschap BV T. onrechtmatig werd toegepast.
1.14.
In het proces-verbaal van 13 december 2004 werd gesteld dat geïntimeerde de hierna volgende bedragen verschuldigd is :
- … EUR aan BTW;
- … EUR aan geldboete in toepassing van artikel 70, § 1 W.BTW wegens niet betaling van de belasting, tweemaal het bedrag van de verschuldigde BTW en overeenkomstig artikel 4, § 1 van het KB nr.·41 afgerond op het lagere tiental euro;
- wettelijke intresten aan 0,8 % per maand vanaf21 juni 2003 in toepassing van artikel 91, § 1 W.BTW (stuk B9 van appellant).
1.15.
Bij brief van 17 december 2004 heeft de administratie het proces-verbaal van 13 december 2004 overgemaakt aan geïntimeerde.
1.16.
Bij gemotiveerde aangetekende brieven van 11 januari 2005 gericht aan de gewestelijke directeur van de BBI te Antwerpen, alsook aan de BBI te Hasselt, werd er namens geïntimeerde gesteld dat men niet akkoord kon gaan met de inhoud van het proces-verbaal van 13 december 2004. Men betwistte ten stelligste de in het proces-verbaal opgenomen BTW-vordering en fiscale geldboete (stuk 3 geïntimeerde).
Namens geïntimeerde werd onder meer gesteld dat :
- de beweerde "vaststellingen" in het proces-verbaal van 13 december 2004 diende gecorrigeerd te worden;
- er geen enkele concrete overtreding van de bepalingen van het BTW-Wetboek en de uitvoeringsbesluiten aan geïntimeerde ten laste werden gelegd. Geïntimeerde verzocht expliciet haar te melden welke overtredingen haar werden verweten;
- de uitgevoerde verrichtingen BTW-neutraal zijn m.a.w. er werd geen eurocent BTW ontvangen en/of niet afgedragen;
Tevens werd er verzocht om een kopie over te maken van de integrale verklaringen van de ondervraagde personen waarvan een gedeelte van hun verklaring werd opgenomen in het proces-verbaal van 13 december 2004, alsook de integrale brief van de Nederlandse administratie met de bijlagen. Er werd ook verzocht om in afwachting van de behandeling van deze betwisting geen invorderingsdaden te stellen (stuk 3 geïntimeerde).
1.17
Geïntimeerde ontving geen antwoord vanwege de administratie.
1.18.
Bij aangetekende brief van 2 februari 2005 werd geïntimeerde aangemaand om over te gaan tot betaling van de desbetreffende BTW-vordering, alsook fiscale geldboete (stuk 4 geïntimeerde).
1.19.
Bij aangetekende brief van 8 februari 2005 werd er namens geïntimeerde gemotiveerd geantwoord op deze betalingsaanmaning (stukken4bis geïntimeerde).
1.20.
Bij het gedinginleidend verzoekschrift van 9 februari 2005 leidde geïntimeerde de procedure in voor de eerste rechter.
De oorspronkelijke vordering van geïntimeerde voor de eerste rechter strekte ertoe :
- dat voor recht zou worden vastgesteld dat zij terecht toepassing heeft gemaakt van de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen en dit betreffende de leveringen die werden opgenomen in het proces-verbaal van 13 december 2004, meegedeeld bij brief van 17 december 2004;
- dat voor recht zou worden vastgesteld dat de opgelegde geldboete geheel willekeurig is, minstens schromelijk overdreven;
- dat de Belgische Staat zou worden veroordeeld tot de terugbetaling van alle ten onrechte betaalde dan wel ingehouden bedragen, verhoogd met moratoriumintresten, alsook tot betaling van een schadevergoeding, alsmede tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.
1.21.
De eerste rechter verklaarde de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ontvankelijk en in de volgende mate gegrond.
De eerste rechter verklaarde de vordering inzake BTW ten belope van … EUR in hoofdsom meer de wettelijke intresten overeenkomstig artikel 91, § 1 W.BTW en … EUR als fiscale geldboete, zoals vermeld in het proces-verbaal van 13 december 2004 en meegedeeld bij aangetekende brief van 17 december 2004, ongegrond.
De eerste rechter beval de terugbetaling van alle ten onrechte betaalde, dan wel ingehouden bedragen, vermeerderd met de wettelijk verschuldigde moratoriumintresten.
De eerste rechter wees geïntimeerde af voor het meer gevorderde.
De eerste rechter veroordeelde appellant tot de kosten.
1.22.
De vordering in graad van beroep van de Belgische Staat (appellant), zoals laatst geformuleerd in besluiten, luidt meer bepaald als volgt :
“Verzoekster akte te verlenen van het instellen van hoger beroep, dit ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens het bestreden vonnis d.d. 18 april 2007 inzake AR nr. … teniet te doen, en opnieuw wijzende : de oorspronkelijke vordering af te wijzen als zijnde ontvankelijk, doch ongegrond;
Appellante te veroordelen tot de kosten van de procedure, hierna begroot …"
1.23.
De vordering in graad van beroep van de N.V.E.-D. (geïntimeerde), zoals laatst geformuleerd in besluiten, luidt meerbepaald als volgt :
"In hoofdorde :
Het hoger beroep van appellante ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en appellante ervan afte wijzen.
Dienvolgens de initiële vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens appellante te veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte betaalde dan wel ingehouden bedragen vermeerderd met de wettelijk verschuldigde intresten;
Appellante te veroordelen tot de kosten van de procedure, inbegrepen de wettelijke rechtsplegingsvergoeding beider aanleggen, telkens begroot op … EUR per aanleg omwille van het complex karakter van het dossier, en de kennelijk onredelijke houding van appellante;
Uiterst ondergeschikt
Indien uw Hof zou oordelen dat het prima facie niet uitgesloten is dat de transacties vermeld in het PV van 13 december 2004 rechtsmisbruik uitmaken, alvorens verder recht te doen, de zaak uit te stellen teneinde geïntimeerde toe te laten ATC te dagvaarden in tussenkomst en gemeenverklaring;
(…)"
2. Bespreking
2.1. het bewijs van de intracommunautaire leveringen : artikel 39bis W.BTW en KB nr. 52 van 29 december 1992
2.1.1.
In toepassing van artikel 39bis, eerste lid, 1° W.BTW draagt geïntimeerde de bewijslast dat zij de voorwaarden vervulde om de geleverde goederen aan de firma BV T. gevestigd in Nederland, te factureren met vrijstelling van Belgische BTW in het kader van intracommunautaire leveringen.
Artikel 39bis, eerste lid 1° W.BTW stelt immers dat van de belasting zijn vrijgesteld :
"de leveringen van goederen door de verkoper andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige (…)"
2.1.2.
Artikel 39bis, tweede lid W.BTW heeft aan de Koning opgelegd de beperkingen en voorwaarden te bepalen die voor de toepassing van deze vrijstelling moeten worden nageleefd, hetgeen Hij deed bij KB nr. 52 van 29 december 1992.
Overeenkomstig voornoemd KB nr. 52 is de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1° W.BTW afhankelijk van de volgende voorwaarden :
- de goederen moeten geleverd worden door de verkoper;
- het bewijs dient geleverd te worden dat de goederen verzonden of vervoerd. zijn, buiten België maar binnen de Gemeenschap (artikel 1), en de verkoper, in casu geïntimeerde, moet te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt; die stukken zijn ondermeer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken (artikel 3);
- het bewijs dient geleverd te worden dat de levering is geschied voor een belastingplichtige of voor een niet belastingplichtige rechtspersoon, die voor de BTW geïdentificeerd is in een andere lidstaat (artikel 12).
2.2.
Geïntimeerde, die zich beroept op de vrijstelling, dient derhalve een dubbel bewijs te leveren, enerzijds dat de goederen die het voorwerp vormen van de beweerde intracommunautaire levering (ingevolge verkoop), het Belgische grondgebied hebben verlaten en aangekomen zijn op het grondgebied van een andere lidstaat, en anderzijds dat de levering is geschied voor een belastingplichtige die voor de BTW geïdentificeerd is in een andere lidstaat.
2.2.1. Verzending of vervoer van de goederen buiten België maar binnen de Gemeenschap
Geïntimeerde levert het bewijs van het bestaan van de echtheid van het vervoer van de goederen naar Nederland via een geheel van gebruikelijke en overeenstemmende handelsstukken o.a. CMR vrachtbrieven (zie o.a. stukken 7 van geïntimeerde).
Appellant betwist trouwens niet dat de goederen werden vervoerd naar Nederland.
2.2.2. Levering voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die voor de BTW is geïdentificeerd in een andere Lidstaat
Overeenkomstig artikel 10, § 1, eerste lid W.BTW wordt als een levering van een goed beschouwd, de overdracht of de overgang van de macht om als eigenaar over een goed te beschikken.
Uit de in artikel 10, § 1, eerste lid W.BTW gebruikte bewoordingen blijkt dat het begrip "levering van een goed" niet verwijst naar de eigendomsoverdracht in de vormen voorzien door het nationale recht, maar elke overdrachtshandeling van een lichamelijke zaak door een partij insluit, die de andere partij in staat stelt daadwerkelijk daarover te beschikken als ware zij de eigenaar van die zaak (zie H.v.J., 8 februari 1999, F.J.F., 1990, 118-119).
Het gaat hierbij niet noodzakelijk om civielrechtelijke eigendomsoverdracht.
Ook indien geen juridische eigendom van een zaak wordt overgedragen, kan sprake zijn van levering.
Waar het op aankomt is niet dat juridisch civielrechtelijke eigendom wordt overgedragen, maar wel dat er een overdracht is van het recht om juridisch over het goed te beschikken (juridische beschikkingsbevoegdheid).
Bijgevolg dient geïntimeerde dan ook te bewijzen dat zij het recht om juridisch over de goederen (computeronderdelen) te beschikken heeft overgedragen aan een belastingplichtige of aan een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de BTW is geïdentificeerd in een andere lidstaat.
Niettegenstaande de BV T. geldig geïdentificeerd was voor de BTW in Nederland dient geïntimeerde door middel van een sluitend geheel van bewijselementen te bewijzen, dat zij het recht om juridisch over de computeronderdelen te beschikken daadwerkelijk heeft overgedragen aan deze vennootschap, hetgeen zij kan aantonen via een geheel van gebruikelijke en overeenstemmende handelsstukken.
Geïntimeerde bewijst dat zij de goederen heeft verkocht en het 'juridisch beschikkingsrecht" heeft overgedragen aan de BV T. door middel van de volgende stukken :
- de pro forma facturen opgesteld door geïntimeerde;
- de goedkeuring door de BV T. van de pro forma facturen;
- de facturen aan de BV T.;
- de betaling van de facturen door de BV T.; (zie stukken 7 van geïntimeerde).
De verkooptransacties worden gestaafd door hoger vermelde stukken en werden bovendien op rechtsgeldige wijze verwerkt in de boekhouding van zowel geïntimeerde als van de BV T
De verkoop heeft tot gevolg dat het eigendomsrecht over de goederen wordt overgedragen aan de koper.
In de Commentaar bij het W.BTW wordt gesteld dat :
"Men kan dus stellen dat wanneer er sprake is van een civielrechtelijke eigendomsoverdracht, deze overdracht in elk geval als levering in de zin van artikel 10, § 1 W.BTW moet worden aangemerkt. (…)" ('zie Comm. BTW, 10/280).
Nu de BTW-wetgeving enkel vereist dat geïntimeerde aantoont dat de Nederlandse afnemer BV T., op het ogenblik van de leveringen in Nederland geïdentificeerd is en dat de goederen die het voorwerp vormen van leveringen, verzonden of vervoerd worden buiten België maar binnen de Gemeenschap voor een geldig geïdentificeerde BTW-belastingplichtige in de lidstaat van aankomst, heeft geïntimeerde haar wettelijke bewijslast vermeld.
Geïntimeerde bewijst dat zij de goederen heeft verkocht en het "juridisch beschikkingsrecht" heeft overgedragen aan de BV T
Een en ander wordt nogmaals bevestigd door de bijkomende inlichtingen verstrekt door de Nederlandse belastingadministratie (stukken 15 en 24 van geïntimeerde).
2.3. de beweerde simulatie
De Belgische Staat stelt thans in graad van beroep dat simulatie niet (meer) wordt weerhouden.
Van simulatie is in casu ook geen sprake.
2.4.
Gelet op wat voorafgaat, zijn de overige argumenten en middelen van partijen niet (langer) relevant.
De eerste rechter heeft dan ook terecht de vordering van geïntimeerde gegrond verklaard.
2.5.
Geïntimeerde stelde geen incidenteel beroep in tegen het vonnis dat haar oorspronkelijke vordering tot schadevergoeding afwees.
2.6. de door partijen wederzijds gevorderde rechtsplegingsvergoeding
Partijen vorderen beide een rechtsplegingsvergoeding in graad van beroep van … EUR. Geïntimeerde motiveert de door haar gevorderde bedragen van rechtsplegingsvergoeding wegens "het complex karakter van het dossier en de kennelijke onredelijke houding van appellant".
Herleid tot zijn essentie is dit dossier in wezen veel minder complex dan het lijkt, evenmin kan er in casu gesproken worden van een onredelijke houding van (één van) partijen.
Het basisbedrag van … EUR kan in casu volstaan.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.
Bevestigt het bestreden vonnis.
Veroordeelt appellant tot betaling aan geïntimeerde van de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van … EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van ZESTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZENDENACHT,
waar aanwezig waren :
D. W., Raadsheer wd. Voorzitter;
M. V d. B., Raadsheer;
D. d. H., plaatsvervangend Raadsheer;
A. V. L., Griffier.
A. V. L. D. D. H. M. V. D. B. D. W.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.