Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, 18 april 2007 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Hasselt 18 april 2007

Zoeken

Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, 18 april 2007Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-hasselt-2007-04-18-2c54

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Hasselt
Datum
18 april 2007

Procesverloop

2 stappen · 1 jaar 4 maanden
  1. Weergegeven beslissingRechtbank van eerste aanleg te Hasselt18.04.2007
  2. Beslissing in beroepHof van beroep te Antwerpen16.09.2008

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

51 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 18.04.2007

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

IN ZAKE AR nr. 03/2285/A

J. H., wonende te …, ….

eiser,

verschijnend in persoon.

tegen :

BTW-CONTROLE KANTOOR, vertegenwoordigd door de e.a. inspecteur met kantoren te 3620 Lanaken, Pastorijstraat 18-22.

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

verweerder,

vertegenwoordigd door Mr. R. F., advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

- Het inleidend verzoekschrift neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 21.10.2003 met in bijlage kopie van de bestreden beslissing.

- De conclusies en stukken van verweerder.

Feiten en voorgaanden

Eiser heeft op 16 oktober 2003 ter griffie verzoekschrift op tegenspraak neergelegd.

Daaraan is afschrift gehecht van beslissing van de directeur der BTW van 19 september 2003.

Toelaatbaarheid

Toelaatbaarheid van de rechtsvordering staat niet in betwisting, ook niet desnoods ambtshalve aan te voeren.

Ten gronde

Ten gronde blijkt dat eiser voorheen in dienstverband werkte en dat hij loopbaanonderbreking nam om het als zelfstandige te proberen, dit vanaf 1 april 2001.

Over de eerste periode van zijn zelfstandige werkzaamheid heeft hij zijn jaarlijkse lijst van BTW-belastingplichtige afnemers anderhalf jaar te laat neergelegd.

Of dat op aanmaning was, dan wel spontaan, is niet zo onmiddellijk duidelijk. De rechtbank krijgt over de feiten immers weinig stukken te zien.

Alvast had de lijst moeten zijn ingediend op uiterlijk 31 maart 2002 en hij is pas ingediend op 19 augustus 2003.

Eiser deed al de volgende dag, 20 augustus 2003, aan de directeur verzoek om vrijstelling van de hem opgelegde boete van 875,00 EUR (waarvan hier niet in betwisting staat dat ze toen uit voorzorg is betaald).

Dit feit doet uitschijnen dat de lijst pas op aanmaning is ingediend.

Enerzijds is de boete overeenkomstig de wet opgelegd.

Anderzijds is het de rechtbank, hoewel zij volkomen begrip heeft voor de toestand van eiser, die na het voorval een boekhouder in de arm blijkt te hebben genomen, niet toegelaten over te gaan tot kwijtschelding of vermindering op basis van loutere billijkheid (zie vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie).

Inderdaad kan de rechtbank in het kader van haar volle rechtsmacht slechts de wettigheid dan wel de evenredigheid van de toegepaste boete beoordelen.

De hier opgelegde boete is een niet proportionele boete overeenkomstig KB 44 inzake BTW.

Randnummer VIII 2, van de Bijlage verhoogt stelselmatig de boete al naargelang de 'listing' (jaarlijkse aangifte) later inkomt.

Eiser heeft te dezen de langste termijn overschreden, zodat de boete op 1.250,00 EUR kwam.

De vermindering tot hier 875,00 EUR blijkt te volgen uit een in het Belgisch Staatsblad van 8 augustus 2002 gepubliceerd verminderingsbarema.

Gelet op de overschrijding van zelfs de langste wettelijke tolerantietermijn aan de ene kant, en de reeds overeenkomstig barema doorgevoerde vermindering, kan aan de uiteindelijk te dezen toegepaste boete geen vermindering meer gebeuren.

Zoals uiteengezet mag de rechtbank niet oordelen vanuit loutere billijkheidsredenen.

Art.1017 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de in het ongelijk gestelde partij dient te worden veroordeeld tot de kosten.

Art.1022 Gerechtelijk Wetboek kent de winnende partij een rechtsplegingvergoeding toe zo zij een advocaat heeft genomen.

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

De Rechtbank, na beraadslaging, rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart de vordering toelaatbaar, maar ongegrond,

Veroordeelt eiser tot de kosten, deze enkel aan de zijde van verweerder begroot in conclusie, en door de rechtbank in hoofde van deze laatste vereffend op, ambtshalve, 182,20 EUR bij wijze van rechtsplegingvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 18.04.2007 alwaar aanwezig waren :

De Heer L. B. rechter, waarnemend voorzitter;

Mevrouw M. C., rechter,

De Heer J. S., plaatsvervangend rechter, en,

De Heer Ph. N., griffier.

Ph. N. J. S. M. C. L. B.