Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 17.03.2004
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :
IN ZAKE AR nr. 99/1576/A
L. J. G. W., dakwerker (BTW nr. …) (handelsregister Hasselt …) geboren te Eindhoven/Nederland op …, wonende te …, ….
eiser,
vertegenwoordigd door Mr. N., advocaat te …, ….
tegen :
ADMINISTRATIE DER DIRECTE BELASTINGEN, in de persoon van de gewestelijk directeur, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43.
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.
verweerder,
vertegenwoordigd door Mr. F. R., advocaat te …, ….
VOLGT HET VONNIS :
Gelet op :
- het exploot van gerechtsdeurwaarder S. te … van 5.8.1999 en van gerechtsdeurwaarder H. v. H. te … van 11.8.1999 waarbij verzet werd gedaan tegen het dwangbevel lastens eiser van 5.7.1999, uitgevaardigd door de Heer J. R., eerstaanwezend inspecteur, rekenplichtige van het tweede BTW-ontvangkantoor te Hasselt, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de Heer R. C., Gewestelijke Directeur van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, op 1.7.1999, aangetekend betekend aan eiser op 5.7.1999;
- de conclusies en de stukken van partijen;
Feiten en voorgaanden
Eiser op verzet tegen dwangbevel is ingevolge de door hem uitgeoefende activiteit, dakdekker, geregistreerd als belastingplichtige onder BTW nr. ….
De BTW-administratie onderwierp eiser aan een BTW-controle voor de aangiftetijdperken betreffende de jaren 1994, 1995 en 1996.
Bij nazicht van de voorgelegde stukken uit de boekhouding van eiser en van de door hem verstrekte gegevens, documenten en inlichtingen, stelde de BTW-administratie vast dat er door eiser inbreuken zouden gepleegd zijn op art. 45 W.BTW en art. 2 en 3 van het KB-BTW nr. 3 van 10.12.1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, op artikel 37, § 1 en 51, § 1 1° W.BTW en artikel 20 KB-BTW nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.
Meer in het bijzonder zou eiser inbreuken hebben gepleegd op de aftrekregeling inzake BTW door het uitvoeren in zijn BTW-aangiftes van een overdreven aftrek ten gevolge van materiële vergissingen, zijnde foutieve inschrijvingen en optellingen.
Voorts zou in strijd met artikel 51, § 1, 1° W.BTW ten onrechte geen BTW aangerekend zijn op door eiser verrichte dienstprestaties in 1995 en 1996. Eiser houdt ten dien aanzien voor dat de dienstprestaties die verricht werden voldoen aan de kwalificatie van werk in onroerende staat en dat de ligging van het onroerend goed waaraan de prestaties gebeurden, zijnde dakdekking, Nederland is. Derhalve zou volgens hem geen Belgische BTW verschuldigd zijn.
De BTW-administratie nam de beweerde inbreuken op in het proces-verbaal inzake BTW lastens eiser van 10.3.1999. Het dwangbevel waartegen de door eiser ingeleide vordering gericht is, is gebaseerd op dit proces-verbaal.
In dit proces-verbaal stelt verweerder dat eiser de volgende bedragen aan hem verschuldigd zou zijn :
- 154.636 BEF (€ 3.833,33) aan BTW;
- 7.700 BEF (€ 190,88) aan geldboete berekend aan 5 % in toepassing van art. 70, § 1 W.BTW en art. 1 KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, tabel H en tabel G, eerste afdeling, rubriek IV;
- wettelijke intresten aan 0,8 % per maand vanaf 21.1.1997 over de som van 154.000 BEF (€ 3.817,56).
In het voormeld dwangbevel worden deze bedragen gevorderd, alsook de wettelijke intresten over de verschuldigde geldboete vanaf de betekening van het exploot, alsmede de vervolgingskosten.
In zijn akten van verzet zet eiser uiteen dat :
- het dwangbevel nietig is bij gebrek aan motivering;
- de BTW-administratie ten onrechte de BTW aanrekent op een aantal in 1995 en 1996 door eiser uitgereikte facturen aangezien de plaats van de dienst door hem geleverd, krachtens artikel 21, § 3, 1° W.BTW niet in België maar in Nederland gelegen is, aangezien het werk in onroerende staat voor goederen gelegen in Nederland zou betreffen;
- hij beschikt over alle stukken tot bewijs van het feit dat de plaats van de dienstverrichting Nederland is.
Beoordeling
1. Ontvankelijkheid
De ontvankelijkheid van de vordering van eiser wordt niet betwist en de rechtbank bemerkt geen reden om de ontvankelijkheid van de vordering ambtshalve in vraag te stellen, zodat zij deze als ontvankelijk aanneemt.
2. De motivering van het dwangbevel
Eiser houdt voor dat het dwangbevel nietig zou zijn wegens een verkeerde motivering, meer bepaald omdat verweerder in het proces-verbaal van 10.3.1999 stelt dat geen bewijs is geleverd dat een deel der door eiser geleverde dienstverrichtingen in 1995 en 1996 buiten België geschiedde.
De rechtbank stelt vast dat het middel van eiser betreffende de vermeende nietigheid van het dwangbevel gestaafd wordt door een argumentatie die de grond van de zaak raakt, zodat dit middel ten aanzien van de grond van de zaak onderzocht moet worden.
Voor zover het middel van eiser betrekking heeft op de regelmatigheid van het dwangbevel, is het niet gegrond.
3. De plaats van de door eiser verstrekte dienstverrichtingen
De rechtbank stelt vast dat eiser geen verweer voert ten aanzien van de door verweerder in het dwangbevel gevorderde BTW, in de mate dat die betrekking heeft op materiële vergissingen ten aanzien van de omvang van de aftrekbare BTW in zijn aangiftes voor 1994, 1995 en 1996.
Eiser stelt bovendien een bedrag van 57.003 BEF (€ 1.413,07) aan BTW verschuldigd te zijn. In die mate zou verweerder, middels het dwangbevel, rechtmatig een bedrag aan BTW van hem vorderen. Voor het overige zou de vordering van verweerder ongegrond zijn.
Het verweer van eiser tegen het dwangbevel betreft derhalve enkel de vraag naar de plaats van de dienst voor een aantal in het proces-verbaal van 10.3.1999 opgesomde facturen van eiser (met name die met nr. 96003, 95057, 95071, 95007, 95021, 95029, 95025, 96014, 96015) gericht aan afnemers. Eiser beweert dat zij betrekking zouden hebben op dienstverrichtingen gedaan in Nederland.
Krachtens artikel 21, § 1 W.BTW vindt een dienst plaats in België, en is dus Belgische BTW verschuldigd, indien de plaats van de dienst overeenkomstig de bepalingen van de paragrafen 2 tot 4 van dat artikel, het Belgisch grondgebied is.
Als algemene regel stelt § 2 van dat artikel 21 dat als plaats van de dienst wordt aangemerkt, de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht of bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats.
In afwijking daarvan kan overeenkomstig § 3 van dat artikel 21 de plaats van de dienst op een andere wijze bepaald worden indien de voorwaarden daartoe vervuld zijn.
Art. 21, § 5 W.BTW stelt een weerlegbaar wettelijk vermoeden in dat de plaats van de dienst geacht wordt zich in België te bevinden als één van de bij de dienst betrokken partijen er een zetel van economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd of, bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, een woonplaats of een gebruikelijke verblijfplaats.
Partijen betwisten niet dat de bovenvermelde facturen betrekking hebben op door eiser geleverd werk in onroerende staat, meer bepaald dienstverrichtingen die uit hun aard onroerende goederen betreffen.
Artikel 21, § 3, 1° W.BTW stelt dat de plaats van dienst voor werk in onroerende staat, de plaats is waar het onroerend gelegen is wanneer de dienstverrichting een uit zijn aard onroerend goed betreft.
Eiser beroept zich voor de bovenvermelde facturen op artikel 21, § 3, 1° W.BTW en stelt dat de dienstverrichtingen opgenomen in die facturen van Belgische BTW zijn vrijgesteld aangezien de dienstverrichtingen geleverd werden ten aanzien van onroerende goederen gelegen in Nederland.
Gezien hij de toepassing van een vrijstelling vraagt en gelet op de inhoud van artikel 21, § 5 W.BTW, rust dienaangaande op hem de bewijslast.
De rechtbank stelt vast dat eiser op dat vlak enkele stukken overlegt, waaronder twee verklaringen van de afnemers van de diensten van bovenvermelde facturen. In die verklaringen stellen deze afnemers dat eiser in 1995 en 1996 voor hen werkzaam was en dat de werkzaamheden in Nederland plaatsgrepen.
Evenwel tonen die stukken niet ten genoegen van recht aan welk onroerend goed precies de werken in de bovenvermelde facturen werden uitgevoerd, noch wat de plaats van ligging van dat onroerend goed is.
Blijkbaar stellen de facturen, waarvan enkel op algemene wijze een opsomming en een vermelding van inhoud wordt gegeven, in het algemeen dat door eiser dakbedekkingswerkzaamheden werden verricht. Op basis van de door eiser voorgelegde stukken kan echter niet met zekerheid aangenomen worden dat al die daarin opgesomde werken op Nederlands grondgebied plaatsgrepen. Verder maakt eiser ook niet duidelijk op welke onroerende goederen precies de door hem verrichte werken, zoals vernoemd in de facturen, betrekking hebben.
Eiser voldoet dus niet aan zijn bewijslast, zodat de vordering moet worden afgewezen.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN
DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak;
Verklaart het verzet tegen het dwangbevel van 5.7.1999 ontvankelijk doch ongegrond.
Veroordeelt eiser tot de gerechtskosten en stelt deze vast in hoofde van verweerder op de som van € 171,05 rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 17 MAART 2004 alwaar aanwezig waren :
De Heer L. B., rechter, waarnemend voorzitter;
Mevrouw C. V. en de Heer L. C., rechters;
De Heer Ph. N., griffier.
Ph. N. L. C. C. V. L. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.